Ondernemer onvoldoende noodzaak opzegging aangetoond. Terugkeer op opvangroep niet in belang zoon consument.

  • Home >>
  • Kinderopvang >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Opzeggen overeenkomst / Verkorte procedure    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 254326/255837

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De ondernemer heeft vanwege een aantal incidenten waarbij de zoon van de consument betrokken is geweest, de opvangovereenkomst per direct opgezegd. De consument is van mening dat er geen reden is voor een onmiddellijke beëindiging, aangezien er geen sprake is van acuut (dreigend) gevaar en verzoekt om ongedaan making van de beëindiging. De ondernemer stelt dat er meer incidenten hebben plaatsgevonden dan de incidenten die de consument noemt, zoals incidenten met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag (aanraken en laten zien van geslachtsdelen) alsmede geweldsincidenten. Er is hierdoor veel onrust ontstaan onder ouders. De veiligheid van de zoon van de consument kan niet langer door de ondernemer gewaarborgd worden, vanwaar de opzegging. De commissie is van oordeel dat de ondernemer niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een beëindiging van de opvangovereenkomst per direct noodzakelijk was. De ondernemer had daarom niet tot onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst mogen over te gaan. In zoverre acht de commissie de klacht van de consument gegrond.  Ten aanzien van het door de consument gevorderde herstel van de contractuele relatie tussen partijen is de commissie van oordeel dat dit niet kan worden toegewezen, omdat de omstandigheden op de groep zodanig zijn dat terugkeer op de groep niet in het belang zal zijn van de zoon van de consument.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de onmiddellijke eenzijdige beëindiging van de plaatsingsovereenkomst voor de zoon van de consument door de ondernemer per 12 februari 2024.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 8 februari 2024 heeft de ondernemer per e-mail aan de consument meegedeeld het contract voor de opvang van de zoon van de consument eenzijdig op te zeggen met ingang van 12 februari 2024. Hieraan liggen twee incidenten ten grondslag. Het eerste heeft plaatsgevonden in oktober 2023, waarna in goed overleg met de medewerkers van de ondernemer een verbetertraject is gestart om de veiligheid op de opvang te vergroten. Vanaf die tijd heeft de consument dagelijks feedback gevraagd en dit was telkens positief. Recent is het kind waar de eerste klacht betrekking op heeft na een periode van afwezigheid weer gestart op de BSO.

De zoon van de consument werd, tegen de afspraken in die gemaakt waren tussen de ondernemer en consument, opeens uit zijn oorspronkelijke groep gehaald en in een andere groep geplaatst met oudere kinderen. Er is daar een situatie ontstaan waarbij de zoon van de consument door een oudere jongen werd uitgedaagd. In reactie hierop is de zoon van de consument achter deze jongen aan gaan rennen met een tafelmes. De aanwezige leidster heeft dit naderhand met hem nabesproken en aan de kinderen aangegeven dat er niet gepest mag worden op de groep. Zoals telefonisch besproken met de directeur had dit incident voorkomen kunnen worden indien goed toezicht zou zijn geweest door beide leidsters, waarbij een dergelijke gevaarzettende situatie met een tafelmes van de groep waarmee oudere kinderen hun brood mee smeren, voorkomen had kunnen worden.

Het eerste incident in oktober betrof een situatie waarbij de zoon van de consument in de deuropening was gaan staan bij een meisje dat aan het plassen was. Hij gaf zelf aan op dat moment naar de wc te moeten. Toen de moeder van het betreffende meisje hiervan hoorde heeft zij een klacht ingediend bij de ondernemer en bij de GGD. Dit incident was reden voor de ondernemer om aan te kondigen dat het contract eenzijdig zou worden beëindigd in geval een nieuwe klacht zou komen indien zich nogmaals een incident zou voordoen binnen een periode van twee weken.

De consument meent dat sprake was van een prettige samenwerking en overlegsfeer, waarin gezamenlijk naar oplossingen zou worden gekeken. Dit is nu eenzijdig door de ondernemer beëindigd. De consument begrijpt dat druk van ouders lastig is voor het bestuur van een kinderopvang, maar dit mag nooit een reden zijn om een kind hiervan de dupe te laten zijn. De consument heeft zich ontzettend betrokken opgesteld, is continue in gesprek gebleven op een prettige manier met het management en de groepsleiding.

De consument wil benadrukken dat er nog steeds vertrouwen is dat gezamenlijk tot een goede oplossing en vervolg van de samenwerking kan worden gekomen. De consument is van mening dat er geen reden is voor een onmiddellijke beëindiging, aangezien er geen sprake is van acuut (dreigend) gevaar en verzoekt om ongedaan making van de beëindiging.

Standpunt van de ondernemer

Door de ondernemer zijn voorafgaand aan de zitting geen stukken of een schriftelijk standpunt bij de commissie ingediend. De ondernemer heeft ter zitting mondeling gereageerd op de klacht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer stelt dat sprake is geweest van meerdere incidenten, niet alleen de twee incidenten die door de consument worden genoemd. Er is inmiddels een behoorlijk dossier over de zoon van de consument. Er is een pedagogisch coach betrokken, er zijn gesprekken gevoerd tussen ouders en coach en er is intern veel overleg over het gedrag van de zoon van consument. Er zijn observaties uitgevoerd, waaruit naar voren is komen dat de zoon van de consument het moeilijk vindt om instructies op te volgen. Ook is sprake geweest van meerdere incidenten met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag (aanraken en laten zien van geslachtsdelen) alsmede geweldsincidenten. Er is hierdoor veel onrust ontstaan onder ouders. De veiligheid van de zoon van de consument kan niet langer door de ondernemer gewaarborgd worden.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De ondernemer heeft aan de consument op 8 februari 2024 een e-mail gestuurd, waarin een mondeling gesprek wordt bevestigd dat het contract voor de opvang van de zoon van de consument per direct wordt beëindigd. In deze e-mail wordt voorts een uiteenzetting gegeven van de redenen van dit besluit. Verwezen wordt naar een e-mail van 19 oktober 2023, waarin is aangegeven dat de overeenkomst zal worden beëindigd, indien opnieuw een klacht over de zoon van de consument wordt ontvangen. In februari 2024 is naar aanleiding van het incident met een tafelmes een klacht ontvangen en de ondernemer geeft aan zich genoodzaakt te zien dit serieus op te pakken.

Partijen hebben geen geschil ten aanzien van de gebeurtenis die dag daar waar de zoon van de consument met een tafelmes achter een jongen is aangerend. Verder wordt in de e-mail van

8 februari 2024 aangegeven dat in de afgelopen periode diverse klachten zijn ontvangen die zich richten op verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag van de zoon van de consument. De ondernemer stelt dat het gedrag dat de zoon van de consument vertoont een andere aanpak vereist dan de ondernemer kan bieden. Er is volgens de ondernemer continue 1-op-1 begeleiding nodig om de veiligheid van de zoon van de consument en andere kinderen te kunnen waarborgen. De ondernemer geeft aan niet meer de zorg en de veiligheid te kunnen verlenen die nodig is om de zoon van de consument en de andere kinderen optimaal te ondersteunen in de ontwikkeling.

In de e-mail van 8 februari 2024 wordt niet aangegeven wat de juridische grondslag is voor de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst. In de (Engelstalige) Algemene Voorwaarden van de ondernemer, welke deel uitmaken van de opvangovereenkomst, wordt in artikel 3 lid 2 aangegeven dat:

‘(naam ondernemer)  reserves the right to terminate a placement without notice when continuation of the agreement can no longer reasonably be expected. Termination is justified, for example, should care of the child demand unreasonable extra time and attention, hindering (naam ondernemer)’s capacity to provide adequate care to the child concerned and/or other children attending the childcare centre.’

De commissie dient de vraag te beantwoorden of voldoende vaststaat dat de zorg voor de zoon van de consument onredelijk veel tijd en aandacht vraagt dan wel dat de ondernemer door het gedrag van de zoon van de consument belemmerd werd om adequate zorg te bieden aan hem dan wel aan anderen kinderen die gebruikmaken van de opvang, zodat beëindiging van de plaatsing zonder voorafgaande kennisgeving gerechtvaardigd is.

Tijdens de hoorzitting wordt door de ondernemer aangegeven dat zich veel incidenten hebben voorgedaan in de periode tussen het ‘wc-incident’ in oktober 2023 en het ‘tafelmes-incident’ in februari 2024. Ook zijn door de ondernemer meerdere klachten van ouders over de zoon van de consument ontvangen. Door de ondernemer zijn aan de commissie geen stukken voorgelegd, waaruit deze beweringen blijken.

De consument geeft aan hiervan niet op de hoogte te zijn en juist in de veronderstelling te verkeren dat na het incident in oktober 2023 sprake was van een constructieve samenwerking met de ondernemer om de situatie aan te pakken en te verbeteren. De consument heeft daar nog bij opgemerkt dat hij na het eerste (wc) incident telkens een positieve terugkoppeling heeft gekregen van de medewerkers van de ondernemer.

Naar het oordeel van de commissie is de ondernemer tekortgeschoten in de communicatie met en de informatievoorziening aan de consument. De consument is door de ondernemer te weinig actief bij de zorgen van de ondernemer betrokken, waarbij de commissie bovendien vaststelt dat de ondernemer ook geen aantekeningen of overzicht heeft gehouden van de incidenten die zich zouden hebben voorgedaan, althans deze niet in deze procedure heeft ingebracht. Dat er zich meerdere, in ieder geval twee, incidenten hebben voorgedaan waar de zoon van de consument bij betrokken was staat voor de commissie vast, maar wat er precies is voorgevallen – met name wat betreft het ‘wc-incident’ in oktober 2023 – blijft onduidelijk. Gelet op de door de ondernemer geschetste problematiek, had het naar het oordeel van de commissie veel meer voor de hand gelegen dat de ondernemer de reeks van incidenten en problemen zou hebben vastgelegd in een dossier en dat hij de consument dienaangaande tijdig en structureel hiervan op de hoogte zou hebben gebracht. Temeer omdat het volgens de ondernemer niet gaat om slechts enkele en

op zichzelf staande incidenten, maar om ernstige gedragingen die structureel van aard zijn. De geschetste problematiek gaf daarom zeker aanleiding voor goed en regelmatig contact tussen de consument en de ondernemer. Naar de mening van de consument was hiervan ook sprake, maar kennelijk heeft de ondernemer dit toch anders ervaren en zich over deze, in haar ogen zeer zorgelijke situaties, niet uitgelaten.

Het komt de commissie voor dat druk van (een) andere ouder(s) een belangrijke rol heeft gespeeld bij het besluit van de ondernemer de opvang per direct te beëindigen.

Alhoewel de ondernemer uiteraard de belangen van de andere kinderen goed in het oog dient te houden, kan het niet zo zijn dat slechts de ontvangst van een klacht van een andere ouder (zonder dat is vastgesteld of dit een gegronde klacht betreft) reden kan zijn tot het beëindigen van de overeenkomst, zoals de ondernemer in de e-mails van 19 oktober 2023 en 8 februari 2024 heeft aangegeven. In de e-mail van 19 oktober 2023 is bovendien aangegeven dat de ontvangst van een klacht binnen een periode van twee weken nadien aanleiding zou geven de overeenkomst te beëindigen. De klacht in februari 2024 is ruim buiten deze periode ontvangen.

Wat betreft het incident in februari 2024, wat de directe aanleiding is geweest voor de ondernemer om het contract per direct te beëindigen, merkt de commissie op dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zoon van de consument was overgeplaatst naar een andere groep, bestaande uit oudere kinderen. Hij had reeds aangegeven zich hier niet op zijn gemak te voelen en niet goed overweg te kunnen met een aantal kinderen uit de groep waarin hij geplaatst werd. Hij zou op deze groep voor een paar uur proefdraaien (wenperiode), waarbij gekeken zou worden hoe dit zou gaan. Dat het incident heeft plaatsgevonden is uiteraard te betreuren en valt niet goed te praten, maar het kan voor de ondernemer niet als een volslagen verrassing zijn gekomen. Dat dit toch heeft kunnen gebeuren en er op dat moment kennelijk geen toezicht was, is naar het oordeel van de commissie ook deels aan de ondernemer te wijten. Dat sprake zou zijn een verwonding bij een ander kind, zoals ter zitting door de ondernemer gesteld, was niet eerder aan de consument meegedeeld. Ook hieruit blijkt van een onduidelijke/onjuiste dossiervorming en communicatie.

Gelet op het bovenstaande ook in onderling (tijds)verband beschouwd is de commissie van oordeel dat de ondernemer niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een beëindiging van de opvangovereenkomst per direct noodzakelijk was en de ondernemer derhalve niet gerechtigd was tot onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst over te gaan. In zoverre acht de commissie de klacht van de consument gegrond.

Ten aanzien van het door de consument gevorderde herstel van de contractuele relatie tussen partijen is de commissie van oordeel dat dit niet kan worden toegewezen. Zoals door de ondernemer is aangegeven, is er onrust bij andere ouders en kinderen op de opvang ontstaan ten aanzien van de zoon van de consument. Hoewel de consument meent dat deze onrust met name afkomstig is van één ouder en niet zodanig is dat dit een terugkeer van zijn zoon naar de opvang in de weg zou staan, is de commissie er niet van overtuigd dat een terugkeer van de zoon van de consument geen nadelige gevolgen zal kunnen hebben voor hem en/of voor andere kinderen. Onder meer door de brief die de ondernemer op 12 februari 2024 zelf heeft gestuurd aan alle betreffende ouders met betrekking tot het incident en de beëindiging van de opvangovereenkomst met de zoon van de consument is de kwestie thans breed bekend en kennelijk onderwerp van gesprek. Dit zal bij een terugkeer op de opvang eerder toenemen dan afnemen. Deze door de ondernemer in het leven geroepen omstandigheden maken dat terugkeer van de zoon van de consument op de groep niet in zijn belang is.

De commissie is op grond van het vorenstaande aldus van oordeel dat de klacht van de consument gegrond is. Het door de consument verlangde ter zake het herstel van de contractuele relatie tussen partijen wordt afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

–             verklaart de klacht van de consument gegrond en stelt vast dat de ondernemer in zijn opzegging van de overeenkomst en de communicatie jegens de consument onvoldoende zorgvuldig is geweest.

–             wijst af de vordering van de consument tot herstel van de contractuele relatie tussen partijen;.

–             bepaalt dat de ondernemer aan de consument het door de consument betaalde klachtengeld van € 25,– vergoedt.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer mr. E.A.J. Vergouwen, mevrouw E.C. Rosemünd, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 4 maart 2024.