Ondernemer schendt informatieplicht consument en moet schade vergoeden

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Informatie    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 15569/25879

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument klaagt over de opzegging van de overeenkomst tot het gebruik van een jaarplaats. De consument heeft in juni 2018 de huurovereenkomst van de vorige huurder overgenomen. Vier maanden later heeft de ondernemer de huurovereenkomst ineens opgezegd. De consument vindt dat er sprake is van dwaling, aangezien de ondernemer op het moment van aangaan van de overeenkomst wist dat de gemeente de erfpacht in 2015 al had opgezegd en dat er een geschil gaande was. De ondernemer geeft aan dat hij geen wettelijke verplichting heeft om mededeling te doen van een lopend geschil. Hij wil klanten niet onnodig afschrikken. De commissie oordeelt dat de ondernemer een informatieplicht heeft. De ondernemer had de consument moeten informeren dat de erfpachtperiode met de gemeente beëindigd was. Nu sprake is van schending door de ondernemer van de op hem rustende informatieverplichting, moet hij de schade van de consument vergoeden. De consument krijgt 25% van het betaalde jaargeld over 2018 terug. Daarnaast krijgt de consument ook de overschrijvingskosten terug, aangezien alleen de verkoper deze kosten moet betalen. De klacht is ten dele gegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de opzegging door de ondernemer van de overeenkomst met de consument inzake het gebruik van een jaarplaats op het park [naam ondernemer].

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Per 29 juni 2018 heb ik de huurovereenkomst inzake mijn jaarplaats op het [naam ondernemer] van de vorige huurder overgenomen. Daarbij heb ik de caravan met twee voortenten en inboedel overgenomen voor een bedrag van € 4.000,–. Tevens heb ik € 950,– aan overschrijvingskosten betaald aan de ondernemer.

Vier maanden later heeft de ondernemer de huurovereenkomst opgezegd. Ik ben van mening dat er sprake is van dwaling. Ik had de caravan nooit gekocht en evenmin de jaarplaats gehuurd als ik ten tijde van de totstandkoming van de huurovereenkomst met de ondernemer in juni 2018 had geweten van de gerechtelijke procedure.

Ik vorder de volgende bedragen terug:
• 25% van het betaalde stageld over 2018 — € 312,50
• Overschrijvingskosten — € 950,00
• Aankoop caravan met 2 voortenten en inboedel — € 4.000,00
• Slopen caravan en afvoer afval — € 2.722,44

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie in eerste instantie naar het uitvoerige schrijven van de gemachtigde van de ondernemer d.d. 3 april 2020, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

In de kern komt het standpunt van de ondernemer er op neer dat hij in de eerste plaats betwist dat hij nog langer als contractspartij voor de consument heeft te gelden, dan wel dat er anderszins een feitelijke en/of juridische grondslag bestaat op grond waarvan de consument enigerlei vergoeding van hem kan verlangen voor beweerdelijk geleden schade. Indien en voor zover de huurovereenkomst door opzegging geacht moet worden te zijn beëindigd, vloeit uit de toepasselijke RECRON-voorwaarden noch enige andere rechtsregel een verplichting voort om enigerlei vorm van schade (zoals door de consument verlangd) te vergoeden. Naast de kanttekeningen ter zake de aard van de schade betwist de ondernemer per onderdeel ook de hoogte daarvan.

Voorts betwist de ondernemer dat er sprake is van enige vorm van dwaling aan de kant van de consument. Hiertoe heeft de ondernemer zich onder meer op het standpunt gesteld dat in algemene zin geldt dat de ondernemer geen wettelijke (of andere) verplichting rust om van een lopend geschil mededeling te doen. De ondernemer heeft gedurende de zeer lang lopende juridische procedure en gelet op de toekomst van zijn exploitatie en de overige bestaande recreanten getracht niet onnodig onduidelijkheid dan wel onzekerheid te creëren. Het noemen van een risico dat is verbonden aan een onzekere uitkomst van een procedure leidt mogelijk onnodig tot vertrek van bestaande huurders en zeker tot het afhaken van gegadigden. De ondernemer meent dat van hem niet kan worden verlangd dat hij op voorhand dat verstrekkende, bedrijfseconomische risico ‘uit voorzichtigheid’ aanvaardt. De ondernemer had gegronde hoop en argumenten om te veronderstellen dat de erfpachtovereenkomst zou worden verlengd. De consument heeft overigens geen enkele vraag gesteld over het toekomstperspectief, de ondernemer heeft geen enkele verwachting gecreëerd.

Beoordeling van het geschil
1. De commissie komt tot de volgende beoordeling.

2. Bij brief van 21 oktober 2014 heeft de gemeente [plaatsnaam] de ondernemer bericht dat uit de afgesloten overeenkomst en de notariële akte volgt dat het recht van erfpacht regulier eindigt op 8 juli 2015 en verder dat is besloten om de erfpacht voor alle percelen aan de locatie [straatnaam] te [plaatsnaam] regulier te beëindigen per die datum. De ondernemer kon zich niet vinden in de aangekondigde beëindiging van de erfpacht en heeft die beslissing aangevochten bij de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond. De rechtbank heeft bij vonnis van 4 juli 2018 onder meer voor recht verklaard dat de tussen de gemeente [plaatsnaam] en de ondernemer (nader genoemde) erfpachtovereenkomsten alle zijn geëindigd met ingang van 9 juli 2015.

3. Bij (opzeggings)brief van 21 november 2018 heeft de ondernemer de consument geïnformeerd over voornoemde beslissing van de rechtbank en meegedeeld dat hij als gevolg van die beslissing genoodzaakt is om de overeenkomst met de consument op te zeggen met inachtneming van de geldende opzegtermijn van 3 maanden en ten laatste vóór of op 31 december 2019.

4. De consument heeft gesteld dat de ondernemer hem bij het afsluiten van de huurovereenkomst in juni 2018 had moeten informeren over het feit dat de erfpachtperiode met de gemeente [plaatsnaam] beëindigd was op 9 juli 2015 en dat hierover een gerechtelijke procedure liep. De consument heeft aangevoerd dat er sprake is van dwaling.

4.1 De ondernemer heeft aangevoerd dat op hem geen wettelijke (of andere) verplichting rustte om van een lopend juridisch geschil mededeling te doen. Bovendien huurt de consument de vaste staanplaats voor telkens één jaar. Bij het aangaan van deze huurovereenkomst is hem géén langdurige staanplaats aangeboden, evenmin is een garantie afgegeven waaruit een eventuele langdurige huurverhouding zou kunnen blijken. Het lag op de weg van de consument om dit aan te kaarten. Nu dat niet is gebeurd, kan dit niet in een later stadium aan de ondernemer worden verweten. Daarnaast heeft de ondernemer getracht niet onnodige onduidelijkheid c.q. onzekerheid te creëren, gelet op de toekomst van zijn exploitatie. De consument heeft geen enkele vraag gesteld over het toekomstperspectief, de ondernemer heeft geen enkele verwachting gecreëerd. Van dwaling kan dan ook geen sprake zijn, aldus de ondernemer.

4.2 De commissie deelt het standpunt van de consument dat op de ondernemer een informatieplicht rustte. Deze informatieplicht vloeide in dit geval in ieder geval voort uit de precontractuele goede trouw, dat wil zeggen de redelijkheid en billijkheid die partijen tegenover elkaar in acht moeten nemen in de fase voordat de overeenkomst (de huurovereenkomst) gesloten wordt. Die regels brachten naar het oordeel van de commissie met zich mee dat de ondernemer de consument bij het afsluiten van de huurovereenkomst in juni 2018 had moeten informeren over het feit dat de erfpachtperiode met de gemeente [plaatsnaam] beëindigd was op 9 juli 2015 en dat hierover een gerechtelijke procedure liep. Het ging daarbij om zodanig essentiële informatie, dat de ondernemer dit niet achter had mogen houden. Door de beëindiging van de erfpacht per 9 juli 2015 was in juni 2018 bovendien sprake van een onbevoegd door de ondernemer aangegane overeenkomst, die de ondernemer nimmer met de consument had mogen afsluiten zonder haar vooraf op de hoogte te stellen. Dit geldt temeer waar het bij een vaste staanplaats – anders dan bij een seizoenplaats – wel degelijk de bedoeling van partijen is om een langer durende contractuele verhouding met elkaar aan te gaan. Dat blijkt bijvoorbeeld al uit artikel 3 van de Recron-voorwaarden voor vaste plaatsen, waarin als hoofdregel de automatische verlenging van de overeenkomsten is neergelegd.

5. Nu sprake is van een schending door de ondernemer van de op hem rustende informatieverplichting, leidt dat in beginsel tot schadeplichtigheid van de ondernemer jegens de consument. Om daadwerkelijk tot aansprakelijkheid te kunnen concluderen, zal echter in ieder geval sprake moeten zijn van schade en van voldoende causaal verband tussen die schade en de schending van de informatieverplichting door de ondernemer. Verder rust op de consument een schadebeperkingsplicht. In het kader daarvan dient de consument, indien mogelijk, maatregelen te nemen ter voorkoming of beperking van de schade.

Bij de indiening van haar klacht heeft de consument een aantal schadeposten gevorderd.

a. 25% van het betaalde jaargeld over 2018 — € 312,50
b. Overschrijvingskosten caravan, betaald in juni 2018 — € 950,00

c. Aankoop caravan met twee voortenten en inboedel — € 4.000,00
d. Slopen caravan en afvoer afval — € 2.722,44

De commissie oordeelt ten aanzien van voornoemde schadeposten als volgt.

a. 25 % van het betaalde jaargeld over 2018

De consument heeft in dit kader een bedrag van € 312,50 teruggevorderd.

De ondernemer is van mening dat deze schadepost afgewezen moet worden. Er bestaat volgens de ondernemer geen aanleiding een deel van het jaargeld over 2018 te restitueren. De exploitatie betreft een seizoenexploitatie, van verminderd huurgenot is geen sprake noch valt in te zien op grond waarvan de consument aanspraak zou kunnen maken op restitutie van een deel van het jaargeld.

In haar uitspraak van 8 juli 2019 in de zaak van [naam derde] (zaaknummer 123972) heeft de commissie [naam derde] 25% van het betaalde jaargeld toegewezen, met de volgende motivering: “Wel ziet de commissie aanleiding om de consument te volgen in zijn standpunt (…) dat 25% van de jaarfactuur over 2018 gerestitueerd dient te worden om reden dat de consument vanaf 1 oktober 2018 geen gebruik meer heeft kunnen maken van de faciliteiten op het terrein.

De consument heeft gesteld dat zij ook recht heeft op terugbetaling van 25% van het betaalde jaargeld over 2018 vanwege onder meer de voortijdige sluiting van voorzieningen. De ondernemer heeft niet gesteld en het is de commissie ook niet gebleken dat de situatie van de consument wezenlijk verschilde van die van Van Zijl. Daarom heeft de consument naar het oordeel van de commissie in navolging van de uitspraak van 8 juli 2019 ook recht op toewijzing van 25% van het betaalde jaargeld, in casu een bedrag van € 312,50.

Overschrijvingskosten chalet

De consument vordert van de ondernemer een bedrag van € 950,– aan overschrijvingskosten terug. Dit bedrag heeft de consument in juni 2018 ten tijde van het afsluiten van de huurovereenkomst aan de ondernemer moeten betalen.

De ondernemer heeft aangevoerd dat op grond van artikel 4 van de verkoopregels eenmalig een vooraf vastgesteld bedrag moet worden betaald. Dat bedrag is vastgesteld op € 950,– per stacaravan. Dit bedrag is in rekening gebracht bij de consument, het is eenmalig en de ondernemer heeft dit bedrag niet van de vorige eigenaar ontvangen. Deze verplichting rust niet uitsluitend op de verkoper. Dat volgt ook niet uit de verkoopregels van de ondernemer.

Het gevorderde bedrag zal worden toegewezen. Dit wordt als volgt gemotiveerd. Uit de betreffende verkoopregels van de ondernemer volgt overduidelijk dat uitsluitend de verkoper de eenmalige vergoeding dient te betalen. De commissie citeert uit de van belang zijnde regels:

4. Eenmalige vergoeding Indien de recreant zijn kampeermiddel aan een derde in eigendom wenst over te dragen, dan dient aan [naam ondernemer] een vooraf vastgesteld eenmalig bedrag worden voldaan (…)

7. Verkoop Tot definitieve verkoop van een kampeermiddel met behoud van plaats mag een recreant eerst dan overgaan als hij: (…)
– de eenmalige vergoeding heeft betaald; en (…)”.

Aankoop caravan met twee voortenten en inboedel

De consument heeft een kwitantie van 29 juni 2018 gevoegd bij haar klacht, waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 4.000,– heeft betaald voor de caravan, twee voortenten en de inboedel. De kwitantie is echter niet gespecificeerd, zodat niet duidelijk is welk bedrag zij voor de afzonderlijk genoemde onderdelen op die kwitantie, waaronder de caravan, heeft betaald.

Omdat het chalet niet verplaatsbaar was en zij dientengevolge haar chalet heeft moeten laten afbreken, vordert de consument het volledige aankoopbedrag terug.

De ondernemer heeft zich op het standpunt gesteld dat de consument ten tijde van de eigendomsverwerving op de hoogte was van het feit dat het chalet niet verplaatsbaar was. Daarnaast wordt opgemerkt dat het huren van een staanplaats een tijdelijk karakter heeft. Op enig moment (bij het beëindigen van de huurovereenkomst) zal het chalet moeten worden verwijderd van het kavel.

Ten slotte heeft de ondernemer zich op het standpunt gesteld dat, los van het feit dat hij niet verplicht kan worden om de vermeende restwaarde te vergoeden, de opgevoerde restantwaarde niet reëel is.

Naar het oordeel van de commissie is met betrekking tot deze schadepost van doorslaggevende betekenis dat de consument bij aanschaf van het chalet in 2018 wist dat het chalet niet verplaatsbaar was. Ook in geval van een reguliere opzegging van de huurovereenkomst had de consument het chalet moeten afbreken, in welk geval de kosten daarvan voor rekening en risico van haar zouden zijn gekomen. In dit geval is er echter sprake van een schending van de informatieplicht door de ondernemer, ten gevolge waarvan de consument vroegtijdig, nota bene binnen anderhalf jaar na het tekenen van de huurovereenkomst met de ondernemer, het terrein van de ondernemer heeft moeten verlaten, wat betekende dat zij haar chalet vroegtijdig moest laten afbreken. Dat dit met zich bracht dat de consument veel korter dan gepland woongenot heeft gehad van haar stacaravan, neemt de commissie aan. In dit kader merkt de commissie nogmaals op dat de overgelegde kwitantie niet is gespecificeerd. Dit alles tegen elkaar afwegend, is de commissie van oordeel dat niet het volledige aankoopbedrag van € 4.000,– voor vergoeding in aanmerking komt, maar dat naar redelijkheid en billijkheid een bedrag kan worden toegekend, waarbij naast de niet gespecificeerde kwitantie tevens rekening wordt gehouden met de te verwachten levensduur van het kampeermiddel, dit gebaseerd op de relatief lage aankoopsom, en de niet-verplaatsbaarheid die reeds bij de aankoop aan consument bekend was. De commissie stelt dit bedrag vast op € 2.000,–.

Slopen caravan en afvoer afval

De consument heeft een bedrag van € 2.722,44 gevorderd in verband met het laten afbreken van haar chalet en de afvoer van afval. Van deze kosten heeft zij een offerte overgelegd van de firma Kalker van 1 februari 2019, welke offerte echter niet meer is gevolgd door een definitieve factuur. Op de offerte staat overigens vermeld dat de consument een korting krijgt van 10% op het geoffreerde bedrag bij contante betaling. Nu er geen definitieve factuur is ingestuurd, is niet komen vast te staan of de genoemde werkzaamheden daadwerkelijk tegen de geoffreerde prijs zijn uitgevoerd, en zo ja, of de consument contant heeft betaald en daarmee een korting van 10% heeft gekregen. De commissie is dan ook van oordeel dat deze post niet toegewezen kan worden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht deels gegrond is. De ondernemer zal worden opgedragen om aan de consument een bedrag te betalen van in totaal € 3.262,50, opgebouwd uit de volgende bedragen: € 312,50 / € 950,– / € 2.000,–

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht deels gegrond.

De ondernemer dient aan de consument binnen 30 kalenderdagen na verzending van deze beslissing een bedrag te betalen van € 3.262,50.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp, mevrouw mr. J.M. Huysman- Hartkamp, leden, op 3 juli 2020.