Ondernemer schort onterecht abonnement en betalingsverplichting op vanwege sluiting sportschool door corona

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Sport en Beweging    Categorie: Kosten / Overeenkomst    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 34284/42044

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument heeft een sportabonnement voor één jaar voor haar minderjarige zoon bij de ondernemer afgesloten. Op 9 mei 2020 heeft zij aangegeven dat zij het sportabonnement per 30 augustus 2020 wil beëindigen. Vanwege het coronavirus was de sportschool sinds halverwege maart gesloten. De ondernemer stelt dat zij de duur van het abonnement en de betalingsverplichting kan opschorten zodat het abonnement zoveel later eindigt als de sluiting door de coronamaatregelen duurt. Daarnaast heeft de consument geen recht op terugbetaling van contributie van maart 2020. De consument vindt dit onredelijk en wil dat het abonnement eindigt per 30 augustus 2020 en terugbetaling van de contributie over de tweede helft van maart. De commissie oordeelt dat de consument het voorstel van de ondernemer om de overeenkomst op te schorten niet hoefde te accepteren. De consument was gerechtigd om het abonnement per 30 augustus 2020 te beëindigen. Daarnaast kan niet worden vastgesteld of de ondernemer de consument een redelijk voorstel ter compensatie van de niet geleverde sportdiensten heeft gedaan. Daarom heeft de consument recht op terugbetaling van contributie over de tweede helft van maart. De klacht is gegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de mogelijkheid tot opzegging en opschorting van een abonnement na verstrijken overeengekomen duur.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft een sportabonnement voor haar minderjarige zoon bij de ondernemer afgesloten aflopende op 30 augustus 2020. Op 9 mei 2020 heeft zij het sportabonnement van haar minderjarige zoon per eerst mogelijke datum opgezegd. Het abonnement heeft een looptijd van een jaar zodat de consument de contributie per 30 augustus 2020 mocht beëindigen.

Vanwege het coronavirus is de sportschool van de ondernemer vanaf half maart 2020 gesloten. De consument is het er niet mee eens dat de ondernemer het abonnement wat betreft de maanden gedurende de periode dat de sportschool vanwege corona gesloten is doorschuift na 30 augustus 2020 en de incasso door laat lopen. Op 4 maart 2020 is de laatste incasso geweest van € 22,50 voor de volledige maand maart.

De consument wil dat het lidmaatschap eindigt per 30 augustus 2020 conform het contract en restitutie van het door haar aan de ondernemer betaalde lidmaatschapsgeld over de halve maand maart 2020.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft haar sportschool vanwege het coronavirus op last van de overheid per 16 maart gesloten en mocht per 1 juli 2020 haar deuren weer openen. De ondernemer heeft direct bij sluiting op 16 maart 2020 de abonnementen stopgezet en geen incasso’s meer verricht tot nader bericht.

De consument heeft voor haar zoon een jaarabonnement afgesloten per 30 augustus 2019 dat normaliter zou eindigen op 30 augustus 2020, voor het bedrag van € 22,50 per maand. De ondernemer accepteert de opzegging van de consument niet omdat zij een jaarabonnement heeft afgesloten waarbij zij zich heeft verplicht 12 maanden contributie te betalen en de ondernemer 12 maanden sportfaciliteiten levert. De consument moet daarom alle 12 maanden betalen waarvoor de ondernemer de faciliteiten/diensten biedt die zijn afgesproken. Zij heeft geen recht op restitutie van betaalde contributie over de tweede helft maart.

De periode waarop de overeenkomst betrekking heeft wordt gedurende de tijd dat door overmacht geen diensten konden worden aangeboden verschoven, zodat beide partijen doen wat is overeengekomen. De consument betaalt 12 maanden contributie en de ondernemer levert 12 maanden sportfaciliteiten. Beide partijen krijgen en leveren zodoende wat is overeengekomen.

Subsidiair stelt de ondernemer dat verrekening van voordeel moet plaatsvinden. Het abonnement komt neer op een totaalbedrag van € 270,– voor een jaar (12 x € 22,50 per maand), waardoor de consument een voordeel heeft genoten. Nu heeft de consument slechts € 180,– betaald voor een deel van de overeenkomst. Verrekening moet plaatsvinden van 8 maanden x het losse maandelijkse tarief van € 47,50 per maand. Dit komt neer op 8 x € 47,50 minus het betaalde bedrag van € 180,–.

Verzocht wordt de klacht ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

In geschil is of de consument het jaarabonnement per einde looptijd mocht opzeggen en de ondernemer gehouden is de door de consument betaalde contributie over de periode 16 tot en met 31 maart 2020 terug te betalen.

Partijen zijn het erover eens dat de consument bij de ondernemer een jaarabonnement heeft afgesloten voor de vaste duur van één jaar, ingaande 30 augustus 2019 en aldus eindigende op 30 augustus 2020, dat automatisch verlengd wordt tenzij de consument de overeenkomst opzegt met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Niet is in geschil dat de consument op 9 mei 2020 kenbaar heeft gemaakt dat zij dat abonnement per 30 augustus 2020 wil beëindigen.

Duidelijk is ook dat de ondernemer als gevolg van overheidsmaatregelen na de uitbraak van het COVID-19 virus de deuren van haar sportschool per 16 maart 2020 heeft moeten sluiten en per 1 juli 2020 weer kon openen. Dit betekent in dit geval dat de ondernemer gedurende de periode van sluiting van de sportschool niet haar diensten heeft geleverd zoals tussen partijen is overeengekomen en de consument daardoor geen gebruik heeft kunnen maken van het sportschoolabonnement.

Uit het standpunt van de ondernemer volgt dat zij meent dat zij de duur van de overeenkomst en de betalingsverplichting kan opschorten zodat het abonnement zoveel later eindigt als de sluiting door de coronamaatregelen duurt. Voor zover zij hiermee heeft beoogd te stellen dat zij de consument een redelijk voorstel ter compensatie van de niet door de ondernemer geleverde diensten en de door de consument niet genoten sportvoorzieningen heeft gedaan, vond de consument dit voorstel kennelijk niet redelijk. Weliswaar heeft de consument blijkens het abonnement één jaar willen sporten tegen betaling gedurende één jaar en wordt dat in dat voorstel geboden, maar de consument hoefde dit voorstel niet zonder meer te accepteren. De ondernemer heeft ook niet duidelijk gemaakt dat de consument hiertoe gehouden is.

De commissie is ter zake de periode 16 tot en met 31 maart 2020 voorts het volgende van oordeel.
Blijkens het standpunt van partijen heeft de ondernemer voor de gehele maand maart de contributie van € 22,50 van de rekening van de consument afgeschreven. Door de ondernemer is niet gesteld dat zij gedurende die tweede helft maart waarin, als gezegd, de sportschool gesloten was de consument enig alternatief heeft geboden, zoals online sporten. Evenmin kan dat uit de stukken worden opgemaakt. Daarom kan niet worden vastgesteld of de ondernemer de consument een redelijk voorstel ter compensatie van niet geleverde sportdiensten heeft gedaan.

In het licht van het voorgaande en waar de consument ten aanzien van de COVID-19-uitbraak met ingrijpende gevolgen ook geen verwijt treft, kan de commissie het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar oordelen dat de consument het abonnement na ommekomst van de overeengekomen vaste duur van één jaar per 30 augustus 2020 wilde beëindigen, nu zij dit tijdig kenbaar heeft gemaakt en zij terugbetaling van de contributie over dat deel van de maand maart waarin geen diensten door de ondernemer werden geleverd vordert.

Het voorgaande betekent dat de consument gerechtigd was het abonnement per 30 augustus 2020 te beëindigen en recht heeft op terugbetaling van contributie over de periode van 16 maart tot en met 31 maart 2020. De commissie stelt dit bedrag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op € 11,25 (50% van de maandcontributie ad € 22,50).

De ondernemer heeft nog een beroep gedaan op verrekening van voordeel tussen het totaal betaalde bedrag van € 180,- (8 x € 22,50) op het jaarabonnement van de consument en het reguliere, hogere maandelijkse tarief van 8 maanden x € 47,50. Die enkele stelling is echter onvoldoende om aan te moeten nemen dat in dit geval sprake is van voordeel dat moet worden verrekend. Daarbij wordt betrokken dat de consument hiertegen in heeft gebracht dat het door de ondernemer genoemde abonnement van € 47,50 per maand een andersoortig abonnement is met all inclusive gebruik van faciliteiten, terwijl haar zoon niet dat abonnement had, maar een abonnement van € 22,50 per maand speciaal voor kinderen/studenten met daarin enkel de toegang tot de fitnesszaal en de sanitaire ruimte. Dit is niet weersproken door de ondernemer. Evenmin zijn door de ondernemer stukken overgelegd zoals een aanmeldformulier waaruit de prijsafspraken en de eventuele korting en de daarin begrepen voorzieningen blijken. Gelet hierop kan de commissie niet zien of met het onderhavige abonnement sprake is van een voordeel/korting en zo ja, de grootte daarvan. Dit betekent dat de commissie in dit geval niet kan vaststellen of verrekening van voordeel moet plaatsvinden.

Conclusie is dat de klacht op beide onderdelen gegrond is. Het door de consument verlangde wordt toegewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De ondernemer dient een bedrag van € 11,25 aan de consument te restitueren. Betaling van dit bedrag dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Sport en Beweging, bestaande uit mevrouw mr. I.K. Rapmund, voorzitter, mevrouw N. El Ayachi, mevrouw mr. A.J.E. Weijenborg-Meiss, leden, op 27 november 2020.