Ongedateerde vervoerbewijzen verliezen hun geldigheid één jaar na een doorgevoerde tariefswijziging. De consument had zich ervan bewust moeten zijn dat de geldigheid niet onbeperkt voortduurt.

  • Home >>
  • Openbaar Vervoer >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Openbaar Vervoer    Categorie: Vervoerbewijs    Jaartal: 2016
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 95009

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de vraag of terugbetaling/omwisseling van ongebruikte vervoersbewijzen moet worden toegestaan.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt. Het standpunt van [naam ondernemer] om de gevraagde omwisseling niet toe te staan, is onredelijk.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Navraag bij o.m. de Consumentenautoriteit heeft hem op het spoor gezet van analoge regelingen voor bv. postzegels. Verder wijst hij op het bepaalde in artikel 50 van het Besluit Personenvervoer, voorzover hier van belang luidende:

    1. Indien van een nationaal vervoerbewijs met een geldigheidsduur van tenminste een week geen of slechts gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt, kan de reiziger onder overlegging van dit vervoerbewijs verzoeken om gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de vervoerprijs of om ontheffing van de, eventueel resterende, betalingsverplichting.

    2. Terugbetaling van de vervoerprijs dan wel ontheffing van de betalingsverplichting vindt slechts plaats indien:

        a. van het vervoerbewijs geen gebruik wordt gemaakt en de reiziger het verzoek om terugbetaling of om ontheffing van de betalingsverplichting indient vóór het tijdstip waarop de geldigheid aanvangt,

        b. van het vervoerbewijs slechts voor een gedeelte van de termijn van geldigheid gebruik wordt gemaakt, met dien verstande dat de terugbetaling of ontheffing slechts betrekking kan hebben op de termijn waarvoor het vervoerbewijs na overlegging nog geldig is.

De consument verlangt restitutie respectievelijk omwisseling van de tegenwaarde van de vervoerbewijzen.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt. Vervoerbewijzen zonder datum verliezen hun geldigheid één jaar na een tariefswijziging. Die termijn is verstreken.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Er kan als vaststaand van worden uitgegaan dat de consument bij brief van 17 november 2014 heeft aangegeven dat hij nog in het bezit is van een aanzienlijk aantal ongebruikte, ongedateerde vervoerbewijzen, uit het jaar 2011. Hij stelt inmiddels te hebben begrepen dat de geldigheid hiervan na een bepaalde tijd verloopt, wat in case wel tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. Niettemin vraagt hij de ondernemer “uit coulance” met inwisseling voor aanschaf van een weekend-vrij-abonnement te kunnen instemmen. Daarop is door de ondernemer met een beroep op de algemene voorwaarden niet ingestemd en het verzoek is van de hand gewezen.

De consument beklaagt zich er nu over dat het hier een onredelijk standpunt van [naam ondernemer] betreft, in welk verband van belang is dat het gaat om een tegenwaarde van ca. € 430,–. Hij verwijst naar de correspondentie ter zake.

Genoemde algemene voorwaarden, voorzover hier van belang luiden:
“…. Tenzij een beperkte geldigheid op het Vervoerbewijs is aangegeven resp. is geregistreerd, is een vervoerbewijs zonder datum……….. geldig tot één jaar na een tariefwijziging van dat Vervoerbewijs. …..”
Kort gezegd betekent dit dat ongedateerde vervoerbewijzen hun geldigheid verliezen één jaar na een doorgevoerde tariefswijziging. In het onderhavige geval is het zo geweest dat de tarieven bij de ondernemer per 1 januari 2012 zijn aangepast. Daaruit vloeit voort, en dat betwist de consument ook niet, dat de geldigheid van deze kaartjes een jaar later, dus op 1 januari 2013 was beëindigd.

Het bepaalde in het hiervoor geciteerde art. 50 van het Besluit Personenvervoer maakt dat niet anders. Uit die bepaling blijkt immers dat van terugbetaling slechts sprake kan zijn als het verzoek wordt gedaan vóór de geldigheid van het vervoerbewijs aanvangt. Daarvan is hier geen sprake omdat het hier ging om vervoerbewijzen die geldig waren vanaf de dag van uitgifte.

Evenmin kan worden gezegd dat genoemde algemene voorwaarden als “onredelijk bezwarend” zouden kunnen worden gekenschetst.

De vergelijking met postzegels gaat niet op, reeds omdat die geldigheid aldus bij wet in geregeld, hetgeen niet het geval is bij de vervoerbewijzen zoals hier.

Aan de orde is derhalve slechts nog de vraag of de ondernemer kan worden verweten onredelijk te handelen door niet uit coulance in te stemmen met vergoeding van deze tickets dan wel om de tegenwaardige te gebruiken voor de aanschaf van een weekend-vrij-abonnement.

Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Het ligt in een geval als het onderhavige op de weg van de consument om zich ervan bewust te zijn dat de geldigheid niet onbeperkt voortduurt, hetgeen oplettendheid en daadwerkelijk tijdig handelen vereist. Daarvan is in deze geen sprake, ook al omdat hij er bijna twee jaar mee heeft gewacht om de vraag aan de ondernemer voor te leggen, waarbij komt dat voor deze lange wachttijd geen adequate verklaring heeft kunnen geven. Daarbij is niet van belang of het nu gaat om terugbetaling van de aanschafprijs van de kaartjes dan wel inwisseling tegen een ander abonnement resp. verstrekking van nieuwe vervangende kaartjes, omdat het materieel effect hetzelfde is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer op 23 september 2015.