Onjuiste mededeling zorgkantoor kan niet aan zorgaanbieder worden aangerekend

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: zorgverlening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 228191/245433

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënte heeft een klacht tegen de zorgaanbieder ingediend, omdat deze zich onvoldoende zou hebben ingespannen om tot een oplossing te komen voor de financieringsproblematiek die is ontstaan met betrekking tot de zorg voor de dochter van de cliënte. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt gelet op de inspanningen die zij zich heeft getroost.
De commissie verklaart de klacht van de cliënte ongegrond.

De uitspraak

In het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Epilepsie Instellingen Nederland, gevestigd te Hoofddorp
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting
De cliënte heeft een klacht tegen de zorgaanbieder ingediend, omdat deze zich onvoldoende zou hebben ingespannen om tot een oplossing te komen voor de financieringsproblematiek die is ontstaan met betrekking tot de zorg voor de dochter van de cliënte. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt gelet op de inspanningen die zij zich heeft getroost.
De commissie verklaart de klacht van de cliënte ongegrond.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door mevrouw [naam] en mevrouw mr. [naam].

De behandeling heeft plaatsgevonden op 19 februari 2024 te Den Haag.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
De cliënte heeft een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder, omdat deze zich onvoldoende zou hebben ingespannen om tot een oplossing te komen voor de problematiek die is ontstaan in 2020 met betrekking tot de financiering van de zorg voor de dochter van de cliënte. In april 2020 is een hoorzitting geweest met het zorgkantoor, waarna is beslist dat de zorgaanbieder – met de 78 % van het Wlz-budget dat zij ontvangt – zorg voor wonen moet leveren én arbeidsmatige dagbesteding. De cliënte heeft dit met de zorgaanbieder gedeeld en verzocht samen naar een oplossing te zoeken. De zorgaanbieder heeft vooral de nadruk gelegd op wat niet mogelijk was en geen constructieve houding aangenomen om tot een oplossing te komen.

De zorgaanbieder heeft allereerst aangevoerd dat de cliënte niet kan worden ontvangen in haar klacht, omdat niet eerst de interne klachtenprocedure is gevolgd. Daarnaast heeft de zorgaanbieder aangevoerd dat de cliënte in essentie klaagt over de ontoereikendheid van het Persoonsgebonden budget (PGB). De zorgaanbieder kan in dat opzicht geen enkel verwijt worden gemaakt; de zorgaanbieder heeft geen invloed op de wijze van financiering van langdurige zorg. De zorgaanbieder heeft evenwel – waarbij het belang van de dochter van de cliënte steeds voorop is gesteld – diverse voorstellen gedaan om de kwestie op te lossen, althans beheersbaar te maken. Dit heeft echter niet tot een door de cliënte gewenst resultaat geleid. De zorgaanbieder stelt dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt en dat zorgvuldig is gehandeld.

De commissie dient allereerst de vraag te beantwoorden of de cliënte kan worden ontvangen in haar klacht. De commissie stelt vast dat de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder betrokken is geweest bij de besprekingen tussen de cliënte en de zorgaanbieder. De cliënte stelt dat haar is medegedeeld door de klachtenfunctionaris dat geen rol meer voor haar, klachtenfunctionaris, is weggelegd. De zorgaanbieder ontkent dit. De commissie kan niet vaststellen hoe precies de gang van zaken is geweest, maar zal de cliënte het voordeel van de twijfel geven en haar ontvankelijk verklaren in de klacht.

De commissie dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de zorgaanbieder in alle redelijkheid een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het oplossen van de financieringskwestie. De commissie stelt voorop dat de zorgaanbieder een zorgverleningsinstantie is en de (wijze van) financiering van de geleverde zorg buiten haar macht ligt. Zij declareert op haar beurt de geleverde zorg en heeft geen invloed op het systeem van de financiering. In dat opzicht kan de zorgaanbieder dus in het geheel geen verwijt worden gemaakt.

De commissie stelt verder vast dat de zorgaanbieder, blijkens de stukken die door de partijen zijn ingediend, een oplossing heeft gezocht voor de financiële problematiek die is ontstaan naar aanleiding van de beslissing van het zorgkantoor in 2020. In de beslissing op bezwaar van 23 april 2020 van het zorgkantoor staat dat bij het percentage dat is toebedeeld aan de zorgaanbieder (78 %) de kosten van dagbesteding zijn inbegrepen. De commissie stelt vast dat het zorgkantoor op die mededeling is teruggekomen. Het kan de zorgaanbieder niet worden aangerekend dat een onjuiste mededeling is gedaan door het zorgkantoor.

Uit de stukken blijkt verder dat de zorgaanbieder veelvuldig contact heeft gehad met de cliënte en ook met het zorgkantoor, hoewel de zorgaanbieder daartoe geenszins gehouden was. Het is de commissie niet gebleken dat de zorgaanbieder een afhoudende en niet constructieve houding heeft aangenomen. De commissie stelt tot slot vast dat de zorgaanbieder in financieel opzicht zeer coulant is geweest en geleverde zorg op het gebied van dagbesteding niet heeft gedeclareerd en in februari 2023 onder andere het voorstel heeft gedaan om niet vijf, maar vier dagdelen te declareren om de kwestie op te lossen.

De commissie is – gelet op het voorgaande en gelet op de tijd en moeite die de zorgaanbieder in het geschil heeft gestoken – van oordeel dat de zorgaanbieder in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van de cliënte ongegrond.
Het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer R. Simons, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van de heer mr. N. van Gelder, secretaris, op 19 februari 2024.