Opschortende voorwaarde in koopovereenkomst. Bewijslast bij ondernemer.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Voertuigen    Categorie: Aanbod    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: VOE05-0773

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil betreft de vraag of er op of omstreeks 9-11 maart 2005 tussen partijen een koopovereenkomst met betrekking tot een gebruikte Renault Scenic tot stand is gekomen.
 
De consument heeft in april 2005 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
 
Standpunt van de consument
 
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
In maart 2005 ben ik bij de ondernemer geweest en heb daar een proefrit gemaakt in een gebruikte auto. Deze beviel mij wel, maar hij hield wat in. Dat zou komen door vocht en de ondernemer zou dat in orde maken. Ik heb toen een koopcontract getekend onder uitdrukkelijk voorbehoud. De volgende dag heb ik weer een proefrit gemaakt en toen deed de auto het nog steeds niet goed. Toen heb ik gezegd dat ik niet tot het sluiten van een definitieve koop zou overgaan. De ontbindende voorwaarde is dus in werking getreden.
Vervolgens is de ondernemer annuleringskosten gaan claimen, maar ten onrechte.
 
Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
 
Bij de tweede proefrit hield de auto nog steeds in. Wij waren niet enthousiast. Na terugkeer werd stevig op ons ingepraat. Wij hebben er toen over gepraat hoe lang het eventueel zou duren om de auto klaar te maken, maar hebben zeker niet gezegd: maak hem maar klaar. Wij hebben overigens ook nog niet meteen gezegd dat wij de koop niet wilden sluiten. Wij wilden er even over denken en de volgende dag hebben wij gezegd dat het wat ons betreft niet door ging.
 
De consument verlangt dat wordt vastgesteld dat er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen.
 
Standpunt van de ondernemer
 
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.
 
Na de eerste proefrit heeft de consument inderdaad een voorbehoud gemaakt, maar na de tweede proefrit zei hij: maak hem maar klaar. Daar leid ik uit af dat hij tevreden was en dat de ontbindende voorwaarde dus was komen te vervallen.
De volgende dag, 11 maart 2005, kwam hij weer terug met zijn dochter en toen zei hij dat hij er alsnog vanaf wilde, wegens twijfels over de technische staat van de auto. Als hij al de dag tevoren de ontbindende voorwaarde had ingeroepen, had hij op 11 maart 2005 niet terug hoeven komen.
Wat ons betreft is de overeenkomst dus op 10 maart 2005 definitief geworden. Ik maak aanspraak op de annuleringskosten overeenkomstig de BOVAG-voorwaarden.
 
Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
 
Het ging de consument om de technische staat van de auto. Als de compressie goed was, zou hij de auto kopen. Er was dus een ontbindende voorwaarde afgesproken voor het geval de auto technisch niet goed was.
 
De verkoper Van den Brink heeft het volgende verklaard.
 
De handgeschreven tekst bovenaan de koopovereenkomst “koop gesloten als auto goed rijdt” is er direct na de eerste proefrit door mij zelf in aanwezigheid van de consument op gezet.
Na de eerste proefrit hebben wij de bougies losgemaakt en droog gemaakt. Bij de tweede proefrit deed de auto het dan ook veel beter. Er was nog één kleine schok. Na die proefrit overlegde de consument met zijn vrouw en zei toen tegen mij: maak hem maar klaar.
 
Beoordeling van het geschil
 
De commissie heeft het volgende overwogen.
 
De tekst bovenaan de overeenkomst is er door de verkoper op gezet. Deze tekst wijst eerder op een opschortende, dan op een ontbindende voorwaarde.
Dus niet:
De koop is gesloten, maar de consument kan ervan af als de auto niet goed is,
maar:
De koop gaat pas door als de auto goed is,
 
waarbij het kennelijk de bedoeling was dat de auto naar de zin van de consument goed was. Dat dit laatste de bedoeling was blijkt uit het relaas van de ondernemer, die zelf in dit verband betekenis toekent aan de uitlatingen van de consument.
 
Het gegeven dat het gaat om een opschortende voorwaarde, waarvan de ondernemer stelt dat deze in werking is getreden, brengt met zich mede dat het de ondernemer is die aannemelijk moet maken dàt die voorwaarde in werking is getreden. Concreet betekent dit dat hij aan moet tonen dat de consument heeft gezegd, dat hij de auto onvoorwaardelijk zou afnemen (door te zeggen: maak hem maar klaar, of woorden van gelijke strekking).
 
In dit opzicht staan de uitlatingen van Van den Brink en de consument tegenover elkaar. De commissie doet uitdrukkelijk geen uitspraak over de vraag wie van deze beiden het meeste geloof verdient en volstaat met de constatering dat, nu er geen andere aanwijzingen in deze of gene richting voorhanden zijn, niet gezegd kan worden dat de ondernemer erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de gestelde uitlating inderdaad door de consument is gedaan.
 
Mitsdien is er geen perfecte overeenkomst tot stand gekomen en heeft de ondernemer ten onrechte annuleringskosten in rekening gebracht.
 
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
 
Beslissing
 
De commissie verstaat dat er geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dat mitsdien de annuleringskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht.
  
Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen op 9 mei 2006.