Overlijden van patiënte is niet het gevolg van medisch handelen zorgaanbieder

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 12304/19760

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klager vindt dat door fouten en medisch falen van de zorgaanbieder de patiënte, zijn echtgenote, vroegtijdig is overleden. Dit zou volgens de klager komen door een verkeerde diagnose en het niet willen stoppen met toedienen van bloedverdunners. Volgens de zorgaanbieder is er een juiste diagnose gemaakt. Daarnaast is de klager verteld dat het stoppen met bloedverdunners kan leiden tot een herseninfarct. Het feit dat patiënte op leeftijd was, ziek was en een urineweginfectie had, zijn factoren die kunnen bijdragen aan een herseninfarct. Volgens de commissie is er geen sprake van nalatig medisch handelen. Daarnaast kan niet worden aangenomen dat de patiënte door het medisch handelen vroegtijdig is overleden. Ook staat niet vast dat de klager en zijn zoon slecht zijn behandeld door de zorgaanbieder. De commissie vindt dat de behandeling telkens gericht was op een zo goed mogelijk resultaat voor de medische toestand van de patiënte.

Volledige uitspraak

In het geschil:
[Naam klager], wonende te [woonplaats]

en

Stichting Amphia, gevestigd te Breda (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Het bureau van de commissie heeft op 26 maart 2020 aan beide partijen bericht dat de behandeling van het geschil zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan. De commissie heeft die bevoegdheid ook conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft geen van beide partijen te kennen gegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen op 30 april 2020 geïnformeerd dat de commissie op 15 mei 2020 zal beslissen over het geschil.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Onderwerp van het geschil
De klager heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft medisch falen door de zorgaanbieder in de behandeling [naam patiënte], echtgenote van klager, met haar overlijden tot gevolg.

Klager vordert immateriële schadevergoeding van € 5.000,– voor geleden emotionele schade.

Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De overkoepelende klacht van klager luidt: door fouten en medisch falen door de zorgaanbieder is patiënte vroegtijdig overleden en partner (klager) en zoon zijn slecht behandeld.
De commissie heeft de klacht onderverdeeld in de volgende klachtonderdelen:
A. verkeerde diagnose niersteen en onthouden van (door de huisarts voorgeschreven) medicatie (bloedverdunners en laxeermiddel) aan een chronisch hartpatiënt hebben geleid tot een herseninfarct en vroegtijdig overlijden van patiënte;
B. klager en zoon zijn door het door de zorgaanbieder veroorzaakte vroegtijdig overlijden en door het feit dat er niet naar de mantelzorger (klager) is geluisterd, slecht behandeld.
Klager heeft door vorenstaande emotionele schade geleden, die hij heeft geconcretiseerd in een bedrag van € 5.000,–.

Patiënte is opgenomen in het ziekenhuis van de zorgaanbieder op 28 oktober 2018. Volgens klager was de reden voor de opname een longontsteking die was opgetreden vijf dagen na toediening van de griepprik. De zorgaanbieder heeft op basis van een CT-scan van 29 oktober 2018 vastgesteld dat er sprake was van een niersteen bij de overgang van de urineleider in de blaas, die had geleid tot een urineweginfectie en bloedvergiftiging. Aangezien er sprake was van hartfalen moest er een nierdrain worden geplaatst. Patiënte gebruikte acenocoumarol (bloedverdunner) waardoor het bloed (veel) te dun was (INR>8) om zonder bloedingsrisico een nierdrain te plaatsen. De toediening van acenocoumarol is gedurende drie dagen gestopt. Op 31 oktober 2018 werd de niersteen niet meer gezien. De zorgaanbieder is er vanuit gegaan dat deze via het katheter is uitgeplast. Volgens klager was hij op 31 oktober 2018 aanwezig op de afdeling urologie van de zorgaanbieder en heeft hij gewezen op de constipatieproblemen van patiënte en dat er volgens hem geen sprake was van een niersteen. Volgens klager is er daarna opnieuw een CT-scan gemaakt en is daaruit gebleken dat de niersteen was verdwenen. Het plaatsen van een nierdrain was niet meer nodig. Er is een oplaaddosering acenocoumarol toegediend van drie tabletten. Op 2 november 2018 is patiënte aan een herseninfarct overleden. Klager is van oordeel dat de niersteen nooit heeft bestaan en dat de acenocoumarol niet gestopt had hoeven worden. Klager heeft geprotesteerd tegen de onthouding van acenocoumarol maar er is niet naar hem geluisterd, terwijl klager doordat hij reeds jarenlang mantelzorger van patiënte was veel ervaring had met haar (medische) toestand. Als de acenocoumarol niet was gestopt, zou er geen herseninfarct zijn opgetreden en was patiënte niet overleden.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Volgens de zorgaanbieder leed patiënte sinds lange tijd aan hartfalen. Er was sprake van ernstig pre-existent bestaand cardiaal lijden met ischemische cardiomyopathie, aldus [naam cardioloog 1] in zijn brief van 2 mei 2019 gericht aan de klachtencommissie. Patiënte is op 28 oktober 2018 opgenomen met een infectie, die zich in de longen leek te bevinden. Echter op basis van kweken is gebleken dat het probleem zich in de nieren bevond. Op een CT-scan van 29 oktober 2018 is de niersteen gezien. De diagnose niersteen was juist, maar de familie heeft die diagnose niet geaccepteerd. Op 31 oktober 2018 is op een CT-scan voorafgaand aan de voorgenomen plaatsing van de nierdrain gezien dat de niersteen er niet meer was. Ook is vastgesteld dat de nierfunctie was verbeterd. Besloten is de nierdrain niet meer te plaatsen en patiënte is een oplaaddosering van drie tabletten acenocoumarol toegediend. Tijdens de periode dat er geen acenocoumarol is toegediend, is er vitamine K toegediend om het bloed snel op normale dikte te krijgen. Op 1 november 2018 in de vroege ochtend bleek patiënte niet meer aanspreekbaar te zijn. Op 2 november 2018 was in de ochtend duidelijk dat er sprake was geweest van een herseninfarct waardoor 80 % van de functies van de linkerhersenhelft was uitgeschakeld. Diezelfde ochtend heeft er een gesprek plaatsgevonden door [naam arts-assistent] en [naam neuroloog] met klager en zijn zoon. [Naam neuroloog] heeft medegedeeld dat het stoppen van de toediening van bloedverdunners kan leiden tot een herseninfarct. [Naam cardioloog 2] heeft bij brief van 2 mei 2019 aan de klachtencommissie bericht dat er sprake was van een zieke patiënt met een urineweginfectie, hetgeen naast de leeftijd kan hebben bijgedragen aan het herseninfarct.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager in zijn klacht overweegt de commissie als volgt.
In het reglement van de Geschillencommissie Ziekenhuizen wordt de cliënt omschreven als de natuurlijke persoon die een geschil heeft met een ziekenhuis. In de zin van dit reglement wordt daar tevens onder verstaan de nabestaande van een overleden cliënt in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Dit maakt dat klager als nabestaande van patiënte (cliënt) en omdat de klacht ziet op de overeenkomst die is gesloten tussen de patiënte en de zorgaanbieder ontvankelijk is in zijn klacht.
Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen patiënte en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.
Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met de patiënt.
Indien voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder jegens patiënte toerekenbaar tekort is geschoten in de zorgplicht, waardoor patiënte of klager schade heeft geleden, kan de zorgaanbieder hiervoor aansprakelijk worden gesteld.

Ten aanzien van klachtonderdeel A overweegt de commissie dat aannemelijk is gemaakt dat er sprake was van een niersteen en dat deze een ernstige urineweginfectie en bloedvergiftiging heeft veroorzaakt. Dat ervoor is gekozen om een nierdrain te plaatsen om de ontstekingsbron, die tot gevolg had dat patiënte in samenhang met ernstig onderliggend lijden, in kritieke toestand verkeerde, acht de commissie navolgbaar. De commissie concludeert dat de mate van anti-stolling bij opname van patiënte (veel) te sterk was en dat deze, ook indien er geen sprake was geweest van een niersteen, korte tijd had moeten worden gestaakt. De commissie is dus van oordeel dat het gedurende enkele dagen staken van de anti-stolling om het plaatsen van een nierdrain mogelijk te maken, geëigend was voor de medische toestand van patiënte. Dat er vervolgens op 31 oktober 2018 nadat duidelijk was dat de niersteen niet meer aanwezig was en er dus geen nierdrain hoefde te worden geplaatst, is gestart met een hogere dosis acenocoumarol dan de onderhoudsdosis is conform protocol (de oplaaddosering). Volgens de commissie is er geen sprake geweest van ‘het achterhouden van anti-stollingsmedicatie’ om deze vervolgens in één keer toe te dienen ter ‘verdoezeling’ van medische fouten. De commissie is van oordeel dat er geen sprake is van nalatig medisch handelen en dat ook niet aannemelijk is geworden dat patiënte niet zou zijn overleden bij anders of geen medisch handelen, zoals door klager is gesteld. Met betrekking tot het gestelde onthouden van laxeermiddelen aan patiënte overweegt de commissie dat dit niet is vast komen te staan, maar dat indien deze middelen niet zijn toegediend, dit niet tot verslechtering van de zeer ernstige medische situatie en het overlijden van patiënte heeft geleid.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat klachtonderdeel A ongegrond is.

De commissie overweegt dat klachtonderdeel B in die zin met klachtonderdeel A samenhangt dat, nu de commissie geen medisch nalatig handelen heeft vastgesteld en evenmin heeft geconcludeerd dat patiënte door het medisch handelen vroegtijdig is overleden, de gestelde slechte behandeling van klager en zijn zoon door het medisch nalatig handelen en het vroegtijdig overlijden van de patiënte ook niet kan worden aangenomen. Ook voor het overige heeft de commissie geen slechte behandeling in de zin van het niet luisteren naar klager als ervaren mantelzorger van patiënte of onbehoorlijke communicatie kunnen vaststellen. De commissie concludeert dat de behandeling telkens gericht is geweest op een zo goed mogelijk resultaat voor de medische toestand van patiënte, maar dat die medische toestand, hoe verdrietig ook voor de familie, te slecht was om het leven van patiënte te laten voortduren.

De commissie acht klachtonderdeel B dan ook ongegrond.

Vordering tot schadevergoeding

Klager verzoekt de commissie de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding van schade ad € 5.000,–.

Voor een aanspraak op schadevergoeding is ten minste vereist dat de schuldenaar – in dit geval de zorgaanbieder – in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Reeds nu uit het voorgaande blijkt dat er geen sprake is van tekortschieten, zal ook de vordering tot vergoeding van schade worden afgewezen.

Op grond van het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klacht niet gegrond is, de vordering moet worden afgewezen en dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond en wijst de vordering af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, de heer prof. dr. J.W. Deckers, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 15 mei 2020.