Plasprobleem na operatie is niet veroorzaakt door handelen chirurg

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 60795/80524

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte heeft een schaamlipcorrectie ondergaan waarna zij een afwijking bij het plassen heeft gekregen, dit is niet meer te herstellen. Hier heeft ze ernstige geestelijke problemen door gekregen, die haar onder andere op werk in de weg zitten. Daarnaast stelt de cliënte dat de chirurg haar niet prettig heeft behandeld. De cliënte eist een schadevergoeding. Volgens de kliniek is de operatie goed en zonder problemen verlopen. Bij de controles kwam het plasprobleem naar voren en een zeer kleine afwijking in vorm van de schaamlippen. Daarom is een hersteloperatie uitgevoerd waarna de afwijking verholpen was en het plasprobleem sterk verminderd was. De kliniek stelt dat het verband tussen de plasproblemen en de operatie onvoldoende is aangetoond en niet de schuld is van de chirurg. Daarnaast heeft de chirurg de cliënte op een passende wijze behandeld. De commissie oordeelt dat omdat er geen oorzaak is gevonden voor het plasprobleem, dit ook niet te wijten valt aan de operatie en dat de chirurg aan de zorgplicht heeft voldaan. Daarnaast is het niet vast te stellen of de behandeling van de cliënte door de chirurg onprettig is geweest. De klachten worden dan ook ongegrond verklaard en de schadevergoeding afgewezen.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [woonplaats],

en

Boerhaave Medisch Centrum, gevestigd te Amsterdam,
(hierna te noemen: de kliniek)
gemachtigde: [naam], advocaat, verbonden aan [verzekeringsmaatschappij].

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 17 september 2021 te Den Haag. De behandeling heeft buiten aanwezigheid van partijen plaatsgevonden, omdat geen van hen de wens te kennen heeft gegeven om mondeling gehoord te worden.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft een volgens cliënte niet goed uitgevoerde operatie en de bejegening van cliënte.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

1.
Bij cliënte is op 9 januari 2020 een labia-correctie uitgevoerd door een aan de kliniek verbonden plastisch chirurg (hierna te noemen: de chirurg). Na de operatie plaste cliënte elke keer als zij naar de wc ging op de binnenkant van haar linkerbeen, hetgeen voor de operatie niet gebeurde. Cliënte heeft verschillende gesprekken gehad met de chirurg en andere artsen van de kliniek. Elke keer hoorde zij van de chirurg hoe het hoort te gaan tijdens en na een operatie. Tegen cliënte is gezegd dat het probleem zou overgaan nadat de zwelling was afgenomen, de hechtingen waren opgelost en de wonden waren genezen. Dat was niet het geval. De chirurg heeft erkend dat er een verschil was tussen de linker- en rechterschaamlip, maar dat het niet storend was. Cliënte heeft altijd gezegd dat haar plasprobleem door dat verschil komt. Uiteindelijk heeft cliënte een correctieve operatie ondergaan aan de rechterschaamlip. Het probleem dat cliënte op zichzelf plaste, is vervolgens niet verdwenen, maar veel minder geworden.

Het plasprobleem heeft cliënte emotioneel uitgeput. Zij kan het probleem niet loslaten of vergeten. Het plasprobleem gaat nooit meer over en daar zal cliënte de rest van haar leven mee moeten leven. Cliënte lijdt hier zowel lichamelijk als emotioneel erg onder. Op haar werk kan zij zich na toiletbezoek niet wassen, waardoor zij aan het einde van de dag stinkt. Zij ruikt het zelf en dan moeten de mensen om haar heen dat ook ruiken. Cliënte durft bij niemand meer in de buurt te komen als zij zich niet heeft kunnen wassen. Zij voelt zich daardoor ongemakkelijk en heeft geen zelfvertrouwen meer. Veel dingen die cliënte voorheen wel deed, doet zij nu niet meer, omdat zij zich niet fijn voelt als zij zich niet kan wassen nadat zij naar de wc is geweest. In verband hiermee vordert cliënte van de kliniek een schadevergoeding van € 8.000,–.

2.
Cliënte is tijdens en na de operatie alles behalve goed/netjes bejegend door de chirurg. De chirurg heeft kort voor de operatie niet met cliënte gesproken om alles nog een keer door te nemen. Cliënte kwam de operatiekamer binnen en de chirurg heeft daar nagenoeg niets tegen cliënte gezegd. Cliënte heeft de chirurg gegroet en na de operatie heeft cliënte haar een fijne dag gewenst, maar van de chirurg kwam niets. Tijdens de operatie heeft de chirurg cliënte twee verdovingen gegeven zonder een duidelijke waarschuwing. De chirurg gaf eerst de verdoving en toen zei ze “hier komt de verdoving!” Na de prikjes wilde de chirurg meteen met de operatie beginnen, maar cliënte was toen nog niet volledig verdoofd en gilde het uit van de pijn. Na het gegil van cliënte heeft de chirurg cliënte links en rechts nog verdovingen gegeven, maar zelfs toen heeft de chirurg helemaal niks gezegd. Volgens cliënte zou een geruststellend woord van de chirurg die aan het opereren is, heel normaal zijn geweest. Daags na de operatie heeft cliënte telefonisch contact gehad met de chirurg, maar deze heeft niet gevraagd hoe het met cliënte ging en of zij nog iets voelde na of van de operatie. Ook dit zou volgens cliënte wel normaal zijn geweest. Cliënte heeft niet het gevoel gehad dat de chirurg met haar meeleefde.

Standpunt van de kliniek
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Het eerste consult met cliënte heeft plaatsgevonden op 21 november 2019. Cliënte wilde een binnenste schaamlipcorrectie. Na het afnemen van de anamnese zijn de wensen van cliënte besproken. Vervolgens zijn er foto’s gemaakt en is onderzoek gedaan, waarna aan cliënte is getoond wat de mogelijkheden waren. Ook zijn aan cliënte foto’s getoond van uitgevoerde operaties. Vervolgens is een voorstel gedaan dat medisch verantwoord en meest passend was bij de wensen van cliënte. Met cliënte werd afgesproken dat de operatie zou bestaan uit een uitgebreide labia min reductie, maar op 3 januari 2020 heeft cliënte gekozen voor een standaard labia min reductie zonder hoodplastiek, waarmee de chirurg heeft ingestemd.

Op 9 januari 2020 is de operatie uitgevoerd zoals op 3 januari 2020 was afgesproken. De operatie is goed en ongecompliceerd verlopen en de chirurg heeft aan cliënte uitgelegd dat de door haar gewenste operatie was uitgevoerd. Ook is aan cliënte uitgelegd dat de zwelling normaal was en dat hersteltijd nodig had.

In januari 2020 zijn twee nacontroles geweest, waarbij is gebleken dat het herstel paste bij een normaal postoperatief beloop. Bij een consult op 28 februari 2020 heeft de chirurg bij onderzoek van cliënte, die zich zorgen maakte over de naar links afwijkende plasstraal en de asymmetrie van de schaamlippen, een lichte asymmetrie waargenomen, terwijl ook toen het herstel als passend bij een normaal beloop werd beoordeeld. Een oorzaak voor de klachten van het plassen werd niet gevonden. Op 22 mei 2020 vond opnieuw een consult plaats bij de chirurg, waarbij cliënte meedeelde dat nog steeds sprake was van een naar links afwijkende plasstraal. Tijdens een consult op 23 juni 2020 werd nog steeds een lichte asymmetrie waargenomen. Met cliënte is toen een behandelplan besproken voor een correctie van de labia. Een kosteloze herstelbehandeling is op 16 september 2020 uitgevoerd en goed en zonder complicaties verlopen. Een week na deze operatie vertelde cliënte tijdens een consult niet of nauwelijks meer tegen haar been aan te plassen. Bij onderzoek was sprake van een normaal beeld met fraaie symmetrie en nog enige zwelling.

Bij de beoordeling van de behandeling van cliënte gaat het niet om de vraag of het handelen beter had gekund, maar om de vraag of de chirurg bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het verweten handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Van belang daarbij is dat de verplichtingen die voor een hulpverlener voortvloeien uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst in beginsel niet worden aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. Ook is van belang dat het bij de waardering van het resultaat van een cosmetische ingreep om een grotendeels subjectief oordeel gaat. Aan dit subjectieve oordeel kan niet de conclusie worden verbonden dat (dus) onzorgvuldig zou zijn gehandeld. Uit het enkele feit dat cliënte niet tevreden is met het gewenste resultaat, volgt geen juridische verplichting om aan cliënte schadevergoeding te betalen.

Cliënte heeft geen stellingen ingenomen die, indien die stellingen juist zouden zijn, zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de kliniek jegens cliënte onzorgvuldig heeft gehandeld. Cliënte heeft niet concreet gesteld wat de chirurg precies verkeerd zou hebben gedaan en welk handelen of nalaten hij daarvoor in de plaats had moeten stellen. Hooguit stelt cliënte dat zij sinds de operatie problemen ervaart met plassen die zij daarvoor niet had, terwijl dit uit niets blijkt noch met stukken wordt onderbouwd. Zodoende betwist de kliniek dat jegens cliënte onzorgvuldig is gehandeld. De kliniek is zowel tijdens de ingreep als tijdens de consulten daarna zorgvuldig te werk gegaan. Bovendien meent de kliniek dat zij aantoonbaar haar uiterste best heeft gedaan om cliënte alsnog een passende (en kosteloze) oplossing aan te bieden. Het verzoek tot schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat het causaal verband met het vermeend onzorgvuldig handelen en het bewijs van de niet geconcretiseerde en onderbouwde schade ontbreken. De kliniek verzoekt de commissie de klacht en de vordering tot schadevergoeding af te wijzen.

2.
De kliniek herkent zich in het geheel niet in de door cliënte beschreven gang van zaken en de door cliënte ervaren bejegening en deze worden dan ook uitdrukkelijk betwist. Het gaat hier om een perceptie en interpretatie van cliënte. Het is een feit van algemene bekendheid dat er verschillende percepties kunnen bestaan over wat zich feitelijk heeft voorgedaan.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken het volgende overwogen.

1.
Het toetsingskader
De overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Bij de uitvoering van die overeenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de chirurg – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de chirurg die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gaat daarbij niet om de vraag of dat handelen anders of zelfs beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de hulpverlener binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

Voor een goed begrip van de hiervoor genoemde maatstaf is het van belang te weten dat die zorgplicht in beginsel niet wordt aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt: de hulpverlener is namelijk afhankelijk van en heeft geen invloed op de lichamelijke condities en reacties van de patiënt. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen, of bij zijn inspanning een fout heeft gemaakt en dus niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener.

De toetsing
Cliënte wijt haar plasprobleem aan de operatie(s). De centrale vraag in deze procedure is dan ook of de chirurg bij de operatie en de hersteloperatie een medische fout heeft gemaakt. Van belang is dan om vast te stellen of de chirurg zijn zorgplicht, bestaande uit een inspanningsverplichting, niet is nagekomen. Zoals hiervoor gezegd, is daarbij niet van belang of het handelen van de chirurg anders of beter had gekund, maar of de chirurg binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Beide operaties zijn volgens de stukken die door partijen zijn overgelegd, goed verlopen en in die stukken heeft de commissie geen aanwijzingen gevonden waaruit afgeleid kan worden dat er bij de operatie en de hersteloperatie een medische fout is gemaakt. Daarbij komt dat bij een onderzoek van cliënte een oorzaak voor haar plasprobleem niet gevonden is. Niet te objectiveren is dat het plasprobleem wordt veroorzaakt door de asymmetrie van de schaamlippen na de operatie(s). Niet uitgesloten moet worden geacht dat het probleem door de plasbuis wordt veroorzaakt. Met andere woorden: het causale verband tussen het probleem en de operaties(s) staat niet vast. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.

2.
De kliniek heeft gesteld zich niet te herkennen in de door cliënte geschetste bejegening tijdens en na de operatie en zij betwist deze. De commissie constateert dat de lezingen van partijen uiteenlopen. Geen van partijen heeft haar lezing (nader) onderbouwd. De commissie kan daardoor niet beoordelen welke van beide lezingen aannemelijk is of meer aannemelijk dan de andere. Een klacht die – zoals in dit geval – door de kliniek is betwist en slechts is gebaseerd op de lezing van cliënte, kan dan ook niet gegrond worden bevonden. Aan het niet gegrond zijn van de klacht ligt niet ten grondslag dat het woord van cliënte minder geloof verdient dan dat van de kliniek, maar dit is gebaseerd op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging klachtwaardig is, eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat. In dit geval ontbreekt die grondslag. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.

De verlangde schadevergoeding
Cliënte heeft om toekenning van een schadevergoeding verzocht. Voor toekenning van een schadevergoeding is in de eerste plaats vereist dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) of een toerekenbare onrechtmatige handeling. Hiervoor heeft de commissie overwogen dat zij de klacht van cliënte op beide onderdelen ongegrond acht. Daarmee is niet komen vast te staan of aannemelijk geworden dat de chirurg zich onvoldoende heeft ingespannen of bij zijn inspanning een fout heeft gemaakt noch dat cliënte door de chirurg is bejegend zoals cliënte heeft gesteld. Dit betekent dat de kliniek tegenover de cliënte niet toerekenbaar is tekort gekomen of toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld. Nu niet voldaan is aan een van de vereisten voor toekenning van een schadevergoeding, dient het desbetreffende verzoek van cliënte afgewezen te worden.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van cliënte in beide onderdelen ongegrond;

– wijst het verzoek van cliënte om toekenning van een schadevergoeding af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de kliniek aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist op 17 september 2021 door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer dr. J.F.A. van der Werff, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.