Reisorganisator aansprakelijk voor vergissing boekingskantoor.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Reizen    Categorie: Totstandkoming    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: REI-D-200001141

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 12 oktober 1999 via een boekingskantoor met de reisorganisator tot stand gekomen overeenkomst. De reisorganisator heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een vliegreis voor zes personen naar Eilat in Israël met verblijf in een appartement op basis van logies voor de periode van  26 december 1999 t/m 9 januari 2000.   Standpunt van klager   Het standpunt van klager luidt in hoofdzaak.   Wij boekten en betaalden de gevraagde reissom van ƒ 7.788,–. Daarvan ontvingen wij op 20 oktober de bevestiging. Twaalf dagen voor aanvang van de reis, nadat wij telefonisch hadden geïnformeerd naar het huren van een auto, kregen wij bericht dat er een verkeerde prijs was doorgegeven. Wij werden verplicht een bedrag van ƒ 1.926,– bij te betalen. Wij hadden de eerder opgegeven reissom niet als extreem laag aangemerkt. Er is dan ook geen sprake van een kennelijke vergissing. Indien wij hadden geweten dat de reis zo duur zou zijn, dan hadden wij een reis geboekt bij een andere reisorganisator, waarop wij in oktober reeds een optie hadden. Zo kort voor de Kerstvakantie kon er echter niet meer iets anders worden gevonden.  Wij hebben dan ook onder protest betaald. Er viel slechts over een eventuele korting op de autohuur te praten. Later bleek dit weer niet het geval te zijn. Daardoor ontstond vertraging, zodat wij de auto niet meer in Nederland hebben kunnen huren. Wij hebben nu in Israël een auto gehuurd. Dat kostte ons een bedrag van ƒ 300,– meer dan de ons in Nederland opgegeven prijs.   Klager verlangt een vergoeding van ƒ 2.351,–.   Standpunt van de reisorganisator   Het standpunt van de reisorganisator luidt in hoofdzaak.   In onze ogen gaat het hier om een kennelijke fout, welke ons helaas niet eerder was opgevallen. Bij het doornemen van de boeking in verband met de eventuele autohuur, viel op dat de accommodatie slechts voor één in plaats van voor twee weken was ingeboekt. Volgens de prijsbijlage in onze brochure had er voor de tweede week ƒ 476,– per persoon extra moeten worden berekend.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Aan een op de boekingsbevestiging vastgelegde som valt in principe niet te tornen, tenzij de reisorganisator kan aantonen of aannemelijk kan maken dat de reiziger heeft geweten of redelijkerwijs had behoren te weten dat de opgegeven som op een vergissing berustte. In dit geval is de reisorganisator daarin niet geslaagd.   Noch het boekingskantoor, noch de reisorganisator heeft de gemaakte fout tijdig opgemerkt. De reisorganisator heeft voorts zijn standpunt niet onderbouwd met een verklaring van het desbetreffende boekingskantoor, waaruit de gang van zaken bij boeking uit de doeken wordt gedaan. De commissie gaat dan ook uit van de juistheid van de door klager gestelde toedracht. Deze komt er in het kort samengevat op neer, dat klager heeft nagegaan of er nog een mogelijkheid was om in dit tijdvak in Israël de vakantie door te brengen, waarna er bij de reisorganisator werd geïnformeerd en dit reisaanbod onder de opgegeven som van ƒ 7.788,– uit de bus kwam; daarbij is de brochure met de bijbehorende prijsbijlage klager niet ter hand gesteld. Iemand die geen ervaring heeft met het reisaanbod naar Israël, zal bovendien inderdaad deze som voor een verblijf van veertien dagen niet bevreemden.   De gevolgen van de gemaakte vergissing kan de reisorganisator dan ook in dit geval niet op klager afwentelen en heeft hij zelf tegenover klager voor zijn rekening te nemen. Klager verlangt met goede reden terugbetaling van het onder protest bijbetaalde bedrag van ƒ 1.926,–. Voorzover de reisorganisator meent dat het boekingskantoor (mede) ten deze verantwoordelijkheid tegenover hem draagt, dient hij daarover op eigen initiatief het boekingskantoor aan te spreken. De commissie behandelt geschillen tussen reizigers en reisorganisatoren, die op basis van de boekingsvoorwaarden en de reisvoorwaarden van de ANVR tevens verantwoordelijk zijn voor fouten van het boekingskantoor.   Er wordt echter geen aanleiding aanwezig geoordeeld aan de kwestie van de autohuur betekenis toe te kennen. Deze valt buiten de overeenkomst welke ter beoordeling aan de commissie is voorgelegd. Het is verder aan klager geweest in dit verband tijdig voor aanvang van de reis knopen door te hakken, toen de klaarblijkelijke onderhandelingen over een korting op de kosten van autohuur niet vorderden.   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.   Ingevolge het reglement van de commissie moet de reisorganisator aan de commissie de hierna te noemen bijdrage in de kosten van de behandeling van het geschil voldoen.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De reisorganisator dient aan klager in totaal een bedrag van ƒ 2.051,– te voldoen. Het klachtengeld van ƒ 125,– is hierin begrepen.   Betaling dient plaats te vinden binnen één maand na verzenddatum van dit bindend advies.   Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.   De reisorganisator dient aan de commissie een bedrag van ƒ 400,– te voldoen.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Reizen, op 14 juni 2000.