Sachse-mesje breekt af in blaashals klager tijdens Sachse-procedure

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Schadevergoeding / Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 7263/19708

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Tijdens een Sachse-procedure breekt een Sachse-mesje in de blaashals van de klager. De behandelend arts probeert het mesje te verwijderen, maar hierbij ontstaat een bloeding. Als reactie daarop wordt een ballonkatheter met tractie geplaatst. Voor de klager zijn de gevolgen groot, nu hij zijn leven gebonden is aan een buikkatheter. De klager vindt dat er zeer onzorgvuldig is gehandeld, omdat er met een ondeugdelijk mesje is geopereerd en stelt daarom de zorgaanbieder aansprakelijk. De zorgaanbieder aanvaardt geen aansprakelijkheid en vindt dat het afbreken van het mesje niet wijst op onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder. De commissie oordeelt dat de operatie volgens gangbare regels is uitgevoerd. Het afbreken van een mesje tijdens een behandeling kan gebeuren zonder dat dat gelijk als een fout van de behandelaar moet worden gezien. Er is geen sprake van onzorgvuldig handelen, ook niet van een tekortkoming. De klacht is ongegrond en er wordt geen schadevergoeding toegekend.

Volledige uitspraak

In het geschil:
[Naam klager], wonende te [woonplaats]

en

Stichting VieCuri Medisch Centrum voor Noord Limburg, gevestigd te Venlo (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Het bureau van de commissie heeft op 30 april 2020 aan beide partijen bericht dat de behandeling van het geschil zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan. De commissie heeft die bevoegdheid ook conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft geen van beide partijen te kennen gegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen op 26 augustus 2020 geïnformeerd dat de commissie op 10 september 2020 zal beslissen over het geschil.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Onderwerp van het geschil
Het op zeer onzorgvuldige wijze op 26 maart 2013 uitvoeren van een Sachse-procedure bij klager door [naam dokter] van de zorgaanbieder, waardoor er volgens klager sprake is van blijvende urine- incontinentie. Klager heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder, welke de aansprakelijkheid van de hand heeft gewezen.

Klager vordert schadevergoeding van in totaal € 14.935,–, waarvan € 5.000,– bestaat uit immateriële schadevergoeding voor het leed, extra ongemakken en thuiszitten van klager.

Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 26 maart 2013 heeft [naam dokter] in het ziekenhuis van de zorgaanbieder een Sachse-procedure bij klager uitgevoerd. Bij een Sachse-procedure wordt littekenweefsel in de plasbuis ingesneden om een vernauwing in de plasbuis op te heffen. Aansluitend heeft een blaashalsresectie plaatsgevonden. Hierbij wordt via de plasbuis weefsel van de blaashals weggenomen.

Voorafgaand aan de ingrepen had klager last van frequent nachtelijk plassen en licht nadruppelen. Aan het einde van de procedure lukte het inbrengen van een ballonkatheter niet en is opnieuw via de plasbuis gekeken. Ter plaatse van de blaashals bleek een afgebroken Sachse-mesje zichtbaar te zijn. Een poging om met een tang het mesje te pakken is mislukt, waarna de bloeding ter plaatse van de vaatrijke blaashals is toegenomen. In verband met het feit dat er inmiddels door de bloeding en het spoelen een TUR-syndroom (Trans Urethrale Resectie-syndroom) ontstond, is in overleg met een collega-uroloog besloten een ballonkatheter onder tractie, ter stelping van de bloeding, achter te laten. Klager is vervolgens in verband met het opgetreden TUR-syndroom opgenomen op de Intensive Care (IC). Na de operatie was klager volledig urine-incontinent. Er zijn verschillende operaties gevolgd, waaronder een operatie in februari 2014 in Nijmegen waarbij een sfincterprothese is geplaatst. De sfincterprothese bestaat uit een bandje om de plasbuis om urineverlies te voorkomen. Volgens klager is de urinebuis uiteindelijk volledig afgesloten en moet hij gedurende de rest van zijn leven gebruik maken van een buikkatheter.

Op 17 december 2014 heeft [naam advocaat] de zorgaanbieder en [naam dokter] namens klager aansprakelijk gesteld. Volgens klager is er zeer onzorgvuldig gehandeld, omdat – in hoofdlijnen – er met een ondeugdelijk mesje is geopereerd, hetgeen volgens klager tot de urine-incontinentie heeft geleid, terwijl incontinentie niet wordt beschreven als complicatie van een Sachse-procedure. Volgens klager is de operatie niet lege artis uitgevoerd. In een brief van [naam advocaat] aan de zorgaanbieder van 24 februari 2016 voert [naam advocaat] namens klager aan dat men tijdens de operatie op 26 maart 2013 niet direct doorhad dat het mesje was afgebroken. Volgens klager kan de bloeding zijn veroorzaakt doordat men met de paktang het mesje probeerde te pakken, maar ook doordat het met kracht inbrengen van een katheter, in verband met het nog aanwezig zijn van het mesje, niet is gelukt.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder aanvaardt geen aansprakelijkheid. Het breken van het mesje wijst niet op onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder.

Volgens [naam dokter] is er een controlefoto gemaakt, waarna is overgegaan tot blaashalsresectie. Er ontstond een bloeding links onder de blaashals die met tractie is gestelpt. In de tussentijd kreeg klager een TUR-syndroom ten gevolge waarvan hij één nacht is opgenomen op de IC. Volgens de zorgaanbieder wordt na het soort operatie dat klager heeft ondergaan altijd een ballonkatheter ingebracht. Opname op de IC was het gevolg van het TUR-syndroom en niet van bloedverlies. Volgens de zorgaanbieder houdt de bloeding bij de blaashals geen verband met het blijven zitten van een deel van het Sachse-mesje. Er is dan ook geen sprake van een verband tussen de opgetreden complicatie (het achterblijven van een deel van het Sachse-mesje) en de incontinentieklachten. Klager heeft het afgebroken mesje na het verwijderen van het katheter zelfstandig uitgeplast.

De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat er bij klager sprake was van een zeer nauwe blaashals na een prostaatoperatie in 2010. Na het opheffen van de vernauwing in het blaashalsgebied (op 26 maart 2013) kunnen incontinentieklachten zijn opgetreden of verergerd, omdat de nauwe blaashals voor de ingreep als een soort sluitspier kan hebben gefunctioneerd. Na het opheffen van de obstructie kan het totale afsluitmechanisme tekort zijn geschoten. In een schrijven van 27 augustus 2018 heeft de zorgaanbieder vervolgens nog aangevoerd dat het inbrengen van een katheter vaker moeizaam gaat en dat dit ook zonder dat er een mesje is achtergebleven, een bloeding teweeg kan brengen.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende.

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen klager en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met klager.

De commissie concludeert op grond van de beschikbare medische gegevens dat de operatie op 26 maart 2013 volgens de gangbare regels is uitgevoerd. Het afbreken van een mesje tijdens een behandeling kan gebeuren zonder dat dat meteen als een fout van de behandelaar moet worden beschouwd. De keuze om na het afbreken van het mesje te proberen dit mesje te verwijderen is begrijpelijk en terecht. Dat bij de toenemende bloeding door resorptie van de spoelvloeistof, een TUR-syndroom is opgetreden, was niet te voorzien en is niet verwijtbaar. Vervolgens is ook adequaat gehandeld door een ballonkatheter met tractie te plaatsen. De commissie is van oordeel dat er geen sprake is geweest van aanwijsbaar onzorgvuldig handelen en de nadien optredende incontinentie kan dan ook niet worden toegeschreven aan zulk onzorgvuldig handelen. Er is dus naar het oordeel van de commissie geen sprake van tekortschieten door de zorgaanbieder in de nakoming van de behandelovereenkomst met klager.
Dat neemt niet weg dat er voor klager sprake is geweest van een zeer nare complicatie, waaronder het optreden van een TUR-syndroom. Deze is echter, zoals gezegd, niet veroorzaakt door onzorgvuldig handelen door de zorgaanbieder.

Vordering tot schadevergoeding

Klager verzoekt de commissie de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding van (im)materiële schadevergoeding.
Voor een aanspraak op schadevergoeding is ten minste vereist dat de schuldenaar – de zorgaanbieder – in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst. Nu reeds uit het voorgaande blijkt dat er geen sprake is van tekortschieten, zal ook de vordering tot vergoeding van schade worden afgewezen.

Op grond van voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klacht niet gegrond is, de vordering moet worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond en wijst de vordering af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, prof. dr. A.A.B. Lycklama à Nijeholt, mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mr. C. Koppelman, secretaris, op 10 september 2020.