Schadevergoeding voor infectie die ontstond in kliniek

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 117756

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De operatie aan de knie heeft plaatsgevonden in een periode dat de Inspectie op meerdere tijdstippen in de kliniek ernstige tekortkomingen op het gebied van infectiepreventie heeft vastgesteld. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de door de cliënt opgelopen infectie in zijn knie is toe te schrijven aan de omstandigheden waaronder hij is geopereerd. De kliniek moet een schadevergoeding betalen aan de cliënt.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [plaats], en Reinaert Kliniek, gevestigd te Maastricht, (verder te noemen: de kliniek).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de stukken die partijen aan haar hebben overgelegd.

De mondelinge behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 23 november 2018 te Eindhoven. Bij deze behandeling zijn verschenen:
– de cliënt, vergezeld van [naam];
– de kliniek, vertegenwoordigd door haar directeur, [naam].

Onderwerp van het geschil
De cliënt verwijt de kliniek bij de operatie van zijn rechterknie niet de zorg van een goed hulpverlener in acht te hebben genomen door instrumenten te gebruiken die niet schoon waren met als gevolg dat er een infectie in zijn knie is opgetreden, met alle consequenties van dien.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen hij tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt van de cliënt op het volgende neer.

De cliënt is op 5 september 2017 in de kliniek door een orthopedisch chirurg van de kliniek (hierna: de arts) geopereerd aan zijn rechterknie in verband met een gescheurde kruisband en een gescheurde meniscus. Op genoemde letsels na was de cliënt bij binnenkomst in de kliniek kerngezond. De gescheurde kruisband werd toen verwijderd en de gescheurde meniscus werd toen gehecht. In de avond van 5 september 2017 is de cliënt uit de kliniek ontslagen.
Gaandeweg werd de knie van de cliënt steeds pijnlijker. Op 11 september 2017 is de cliënt bij de arts op controle geweest. Op dat moment was de pijn dragelijk. Op 12 september 2017 bereikten de pijn en de ophoping van vocht in de knie een hoogtepunt en is de cliënt teruggegaan naar de kliniek.
De arts heeft toen de hechtingen en het vocht uit de knie verwijderd. Nooit eerder heeft de cliënt zo’n pijn gehad. De arts heeft een kweek genomen van het vocht voor onderzoek. Op 13 september 2017 heeft de arts aan de cliënt meegedeeld dat het bloed van de cliënt infectiewaarden bevatte, waaronder een verhoogd CRP en dat er in de kweek een infectie was gevonden, enterobacter cloacae genaamd. De knie moest direct gespoeld worden en dit is op 13 september 2017 gebeurd. Diezelfde dag is de cliënt overgebracht naar Maastricht UMC+ (hierna MUMC), waar de cliënt 22 dagen opgenomen is geweest. In deze periode is hij nog tweemaal geopereerd aan zijn knie. De opererend chirurg heeft de cliënt meegedeeld dat de kern van de infectie diep in de knie zat op de plek waar de hechtingen van de meniscus bevestigd waren en dat de infectie was opgetreden door gebruik van operatie-instrumenten die niet schoon waren. Het antibioticum dat de cliënt in de kliniek en vervolgens ook in het MUMC werd toegediend, werkte na tien dagen nog steeds niet. Er werd gesproken over dreigende orgaanschade, amputatie en bloedvergiftiging. De CRP van de cliënt was inmiddels opgelopen tot 240. De cliënt voelde zich erg ziek, had hoge koorts en was bang voor ernstige gevolgen. Er werd besloten een ander antibioticum toe te dienen, dat wel bleek te werken. De cliënt werd op 27 september 2017 uit het MUMC ontslagen, maar enkele dagen laten opnieuw opgenomen in verband met een ernstige reactie op het antibioticum. Op 18 oktober 2017 is de cliënt uit het MUMC ontslagen. Op 28 maart 2018 is in het MUMC een nieuwe kruisband in de knie van de cliënt aangebracht.

In de nieuwsmedia is de infectiepreventie bij de kliniek aan de orde gesteld. De kliniek moest met betrekking tot de infectiepreventie vóór 1 oktober 2017 aan een aantal voorwaarden van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd voldoen, omdat die preventie tijdens inspectiebezoek in mei 2017 niet op orde bleek te zijn. Tijdens een hernieuwd bezoek van 6 oktober 2017 bleek op dit punt geen verbetering ingetreden, hetgeen aanleiding was tot het opleggen van een dwangsom op 12 januari 2018 door de Inspectie. Volgens de cliënt ligt het in de rede dat de infectie, die bij hem is opgetreden, het gevolg is van het tekortschieten van de kliniek in de infectiepreventie. De kliniek heeft vóór, tijdens en na knieoperatie niet de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen. Er is sprake van een toerekenbare tekortkoming, die te wijten is aan handelingen die niet dan wel foutief werden uitgevoerd door de kliniek.

Als gevolg van die tekortkoming heeft de cliënt schade geleden, die hij heeft begroot op € 4.700,– aan materiële schade en € 7.100,– aan immateriële schade. De materiële schade bestaat onder andere uit reiskosten, ziektekosten, het eigen risico voor fysiotherapie, schade aan kleding, het huren van revalidatiemiddelen, het missen van inkomsten uit voetbal en het niet kunnen maken van overuren op zijn werk. De immateriële schade bestaat onder andere uit de 22 dagen die de cliënt wegens de infectie in het MUMC opgenomen is geweest, de ernstige angsten die hij heeft uitgestaan over het verlies van zijn been en blijvende orgaanschade. De cliënt, werkzaam bij een betaald voetbal organisatie, zal nooit meer kunnen voetballen omdat de binnenkant van zijn knie door de infectie veel schade heeft opgelopen. Het beoefenen van andere sporten is hem sterk ontraden.

Op 7 mei 2018 heeft de cliënt een gesprek gehad met de algemeen directeur en de medisch eindverantwoordelijke van de kliniek. In dat gesprek heeft de algemeen directeur erkend dat de cliënt de infectie binnen de kliniek heeft opgelopen, maar het causale verband tussen de opgelopen infectie en de tekortkomingen in de infectiepreventie betwist.

Standpunt van de kliniek
Voor het standpunt van de kliniek verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen de kliniek tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt van de kliniek op het volgende neer.

In 2017 heeft de kliniek door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd maatregelen opgelegd gekregen, onder andere in verband met het schoonmaken van het instrumentarium in een ruimte die daarvoor niet bestemd was. Direct hierna heeft de kliniek het gebruik van die ruimte beëindigd en een andere, geschiktere ruimte in gebruik genomen. Afgezien van het feit dat de kliniek het instrumentarium niet onoordeelkundig heeft gereinigd, is de werkwijze al ver vóór de ingreep bij de cliënt aangepast. De kliniek heeft het hele jaar 2017 geen andere infecties gehad dan die van de cliënt. Een oorzakelijk verband lijkt er dan ook niet te zijn.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De vaststaande feiten
De commissie gaat op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling uit van de volgende, tussen partijen vaststaande feiten.

Op 10 mei 2017 heeft de (thans genaamde) Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de Inspectie) een onaangekondigd inspectieonderzoek verricht in de kliniek. Bij dat onderzoek is de Inspectie onder meer tot de bevinding gekomen dat de centrale sterilisatie afdeling (hierna: CSA), waaronder een ruimte voor reiniging en desinfectie van instrumentarium en een inpakruimte met een autoclaaf, zich in het operatiekamercomplex bevond. In die ruimte werd hol instrumentarium doorgespoten, terwijl die ruimte niet was voorzien van een spatscherm noch van een afzuiging voor aerosolen. Dit is in strijd met de WIP-richtlijn “Luchtbehandeling in operatiekamer en opdekruimte in operatieafdeling klasse 1”, waaruit volgt dat de vuile ruimte voor schoonmaken, desinfectie en doorspuiten van holle materialen niet thuishoort op een operatieafdeling. Deze ruimte wordt ook niet benoemd in de zone-indeling van de richtlijn. De Inspectie achtte deze tekortkoming dermate ernstig dat het nemen van een maatregel in verband met gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van patiënten redelijkerwijs geen uitstel kon leiden. Op 18 mei 2017 heeft de Inspectie de kliniek op grond van het bepaalde in artikel 27, vierde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg met onmiddellijke ingang het bevel opgelegd dat geen operatie-instrumenten worden schoongemaakt, gedesinfecteerd en doorgespoten op een operatieafdeling.

Ook heeft de Inspectie op 10 mei 2017 geconstateerd dat de voorschriften met betrekking tot
kleding- en handhygiëne niet altijd werden nageleefd. Een doktersassistente droeg onder haar dienstkleding met korte mouwen burgerkleding met lange mouwen en een polssierraad/horloge. Medisch specialisten droegen buiten de operatieafdeling operatiekleding met daarover een overjas met lange mouwen en deden patiëntenzorg, terwijl de afspraak met de kliniek was: omkleden bij binnenkomst en verlaten van de operatieafdeling. Diverse flacons met handdesinfectans en desinfectans (jodium) hadden een Duits toelatingsnummer, maar geen Nederlands toelatingsnummer voor professioneel gebruik in de gezondheidszorg. Op de afdeling en de behandelkamer waren meerdere steriele en niet-steriele medische hulpmiddelen niet gescheiden van elkaar opgeslagen. De handen werden niet altijd gedesinfecteerd voor en na het aan- en uittrekken van de handschoenen.

Op 24 mei 2017 heeft de Inspectie bij een wederom onaangekondigd bezoek aan de kliniek geconstateerd dat de door de kliniek per 16 mei 2017 buiten de OK-ruimte in gebruik genomen aparte vuile-CSA-ruimte (voorheen keuken studentenwoonvoorziening) niet voldeed aan de desbetreffende richtlijnen. Laatstbedoelde ruimte was provisorisch in gebruik. In die ruimte werd onder de gootsteen een bak met een oude, vies en voor gebruik versleten rager en andere hulpmiddelen voor handmatige reiniging aangetroffen. De bak en zijn inhoud zagen er niet schoon uit en waren niet geschikt voor gebruik. De desinfectiewasmachine was niet voorzien van connectoren voor holle medische hulpmiddelen en in die ruimte was (nog) geen mogelijkheid om hol instrumentarium door te spuiten. Documenten met actuele procedures, werkwijzen voor het reinigen, desinfecteren en steriliseren van medische hulpmiddelen waren niet aanwezig.

Op 30 juni 2017 heeft de Inspectie op grond van het bepaalde in artikel 27 van de hiervoor genoemde wet aan de kliniek aanwijzingen gegeven om binnen drie maanden maatregelen te treffen, die tot opheffing van de door de Inspectie op 10 en 24 mei 2017 geconstateerde tekortkoningen moesten leiden.

Op 5 september 2017 is de cliënt in de kliniek geopereerd aan zijn rechterknie in verband met een gescheurde kruisband en een gescheurde meniscus. Diezelfde dag ’s avonds is de cliënt uit de kliniek ontslagen.

Op 12 september 2017 heeft de arts vocht uit de knie van de cliënt verwijderd en daarvan een kweek genomen voor onderzoek. Het onderzoek heeft uitgewezen dat de kweek de infectie enterobacter cloacae bevatte. De cliënt heeft deze infectie in de kliniek opgelopen.

Op 13 september 2017 is de cliënt overgebracht naar het MUMC, alwaar hij 22 dagen heeft gelegen en nog twee operaties aan zijn knie heeft ondergaan.

Op 6 oktober 2017 heeft de Inspectie wederom een onaangekondigd inspectiebezoek gebracht aan de kliniek. Daarbij is de Inspectie onder meer tot de volgende bevindingen gekomen. Ten aanzien van de in het kader van de infectiepreventie opgelegde maatregel betreffende het gebruik van dienstkleding en het dragen van polssieraden waren door de kliniek voornemens en acties benoemd, maar die acties waren (nog) niet uitgevoerd. Het protocol was niet op orde en er waren (nog) geen borgende acties uitgevoerd en ook niet gepland. De desinfectieruimte buiten de operatieafdeling voldeed op onderdelen aan de minimale eisen. Die ruimte was niet voorzien van een spatscherm noch van een afzuiging voor aerosolen. De transparante slang aan het trilbad was aan de binnenzijde zichtbaar verontreinigd en in een bakje lagen zichtbaar vieze scharen, vieze pincetten en twee steriel verpakte spuiten. In een ander bakje lagen meerdere door verontreiniging verkleurde borstels en ragers. De procedure routing CSA was niet afgerond en bevatte onduidelijkheden. Het protocol Persoonlijke Hygiëne medewerker (onder meer desinfecteren van de handen voor en na het gebruik van handschoenen) en het document klompenschoonmaakbeleid hadden een conceptstatus. Laatstgenoemd document bevatte alleen de informatie dat de reiniging van klompen was opgedragen aan een met naam bekend poetsbedrijf, maar geen beleid of instructies. Het gebruik van handschoenen stond niet in de protocollen.

Het toetsingskader
De overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten, dient aangemerkt te worden als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 446, zoals opgenomen in boek 7, titel 7, afdeling 5, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW, in het bijzonder de bepalingen van die afdeling.
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de arts – bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de arts die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De cliënt is van mening dat de kliniek de overeenkomst tussen partijen onjuist heeft uitgevoerd doordat bij zijn knieoperatie instrumenten zijn gebruikt die niet schoon waren, waardoor er een infectie in zijn knie is ontstaan. De cliënt houdt de kliniek hiervoor aansprakelijk op grond van de in artikel 7:462 BW geregelde centrale aansprakelijkheid. Indien aannemelijk is dat de arts bij de knieoperatie van de cliënt gebruik heeft gemaakt van niet (voldoende) gesteriliseerde instrumenten is daarmee gegeven dat de kliniek niet heeft voldaan aan de hiervoor genoemde, op haar rustende zorgplicht. Alsdan is voldoende aannemelijk dat de kliniek is tekort gekomen in de uitvoering van haar verplichting uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Als de tekortkoming aan de (arts van de) kliniek verweten kan worden, is de kliniek verplicht de door de cliënt als gevolg van die tekortkoming geleden schade te vergoeden.
De operatie
Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige infectie in de kliniek is ontstaan. De cliënt is op
5 september 2017 in de kliniek geopereerd en dezelfde dag ’s avonds uit de kliniek ontslagen. Indicaties voor andere mogelijke ontstaansmomenten van de infectie zijn gesteld noch gebleken. De datum van de operatie was gelegen in de periode van 10 mei 2017 tot en met 6 oktober 2017. In deze periode heeft de Inspectie op meerdere tijdstippen in de kliniek ernstige tekortkomingen op het gebied van infectiepreventie vastgesteld. De commissie acht dan ook redelijkerwijs aannemelijk dat de infectie op 5 september 2017 is ontstaan. Waar de hygiëne en de infectiepreventie tekort schieten, krijgen bacteriën als de enterobacter cloacae de kans een infectie te veroorzaken. De kliniek heeft niet gesteld en het is de commissie ook niet gebleken dat er een andere oorzaak is geweest voor de bij de cliënt opgetreden infectie. Dit een en ander rechtvaardigt het bewijsvermoeden, althans maakt voldoende aannemelijk dat de door de cliënt opgelopen infectie is toe te schrijven aan de omstandigheden waaronder hij is geopereerd. Het bestaan van een causaal verband tussen de door de Inspectie in deze periode gedetailleerd besproken gebreken in hygiëne en infectiepreventie en de opgetreden enterobacter cloacae-infectie, acht de commissie in het licht van bovenstaande onvoldoende weersproken. Aldus is aannemelijk dat de kliniek niet voldaan heeft aan de op haar rustende zorgplicht. Dit valt de kliniek als beroepsfout te verwijten. Nu uit de schadeveroorzakende gebeurtenis – de operatie met behulp van genoemde instrumenten – de fout volgt, is daarmee ook het causale verband gegeven: de infectie kon immers niet zonder een beroepsfout bij de operatie zijn ontstaan. De commissie verwerpt de niet nader onderbouwde stelling van de kliniek dat de werkwijze al ver vóór de ingreep bij de cliënt is aangepast, omdat die stelling in tegenspraak is met de bevindingen van de Inspectie. Ten overvloede merkt de commissie het volgende op. Dat slechts sprake zou zijn van één infectiegeval doet niet aan haar oordeel af. De commissie merkt daarbij op dat ook deze casus pas na melding door de Inspectie op 19 april 2018 door de kliniek als calamiteit is geregistreerd. Niet valt uit te sluiten dat andere gevallen zich aan de waarneming van de kliniek hebben onttrokken.

Op grond van de voorgaande overwegingen is de commissie van oordeel dat de kliniek toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit de geneeskundige behandelings-overeenkomst, waardoor de kliniek tegenover de cliënt schadeplichtig is geworden. De klacht van de cliënt dient gegrond verklaard te worden.

De verlangde schadevergoeding
De kliniek heeft de schade, die de cliënt stelt geleden te hebben door de toerekenbare tekortkoming van de kliniek, niet betwist. Het door de cliënt verlangde bedrag aan schadevergoeding is dan ook toewijsbaar.

Het klachtengeld
Het reglement van de commissie bepaalt dat indien de klacht van een cliënt door de commissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt bevonden, in het bindend advies tevens wordt bepaald, dat de kliniek aan de cliënt het door deze betaalde klachtengeld geheel of gedeeltelijk moet vergoeden. Nu de commissie in dit geval de klacht gegrond heeft bevonden, zal zij uitvoering geven aan deze bepaling.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht gegrond;

– bepaalt dat de kliniek een bedrag van € 11.800,– aan de cliënt dient te vergoeden ter zake
van de door hem geleden materiële en immateriële schade;

– bepaalt dat de kliniek een bedrag van € 52,50 aan de cliënt dient te vergoeden ter zake van
het door hem betaalde klachtengeld;

– bepaalt dat de kliniek de hiervoor genoemde bedragen aan de cliënt dient te voldoen binnen
14 dagen na de op pagina 1 van dit bindend advies vermelde datum van verzending.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie
behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist op 23 november 2018 door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken.