Schadevergoeding wegens abrupte beëindiging van begeleider

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Gehandicaptenzorg    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 139797/163241

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Toen de begeleider van cliënt – met wie hij een goede relatie had –  is gestopt, heeft de zorgaanbieder hem daarover niet geïnformeerd. Volgens de cliënt heeft de zorgaanbieder nagelaten om een passende oplossing te zoeken, waardoor zijn psychische en fysieke klachten zijn toegenomen. De cliënt is het vertrouwen in de zorgaanbieder kwijtgeraakt en hij wenst een immateriële schadevergoeding van € 1.000,–. De zorgaanbieder voert aan dat de van de norm afwijkende ondersteuning die de cliënt ontving was gericht op het bereiken van zelfstandigheid, maar geleidelijk aan bleek dat de cliënt behoefte had aan een langdurige zorgrelatie. De zorgaanbieder erkent dat een en ander beter met de cliënt gecommuniceerd had moeten worden. Indien voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder jegens de cliënt toerekenbaar tekort is geschoten in de zorgplicht en de cliënt daardoor schade heeft geleden, kan de zorgaanbieder hiervoor aansprakelijk worden gesteld. De commissie is van oordeel dat de wijze waarop de begeleiding is afgebroken niet professioneel is, hetgeen wel van de zorgaanbieder mag worden verwacht. Derhalve acht de commissie de klacht gegrond. De schadevergoeding wordt daarom ook toegewezen.

De uitspraak

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Stichting Prisma, gevestigd te Waalwijk

(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2022 te Breda.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Namens de zorgaanbieder waren ter zitting aanwezig [naam] (accountmanager Zorg) en [naam] (bestuurssecretaris). De cliënt werd vergezeld door [naam] (ombudsman gemeente Zundert).

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de wijze waarop de cliënt door de zorgaanbieder is bejegend.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft zich onder begeleiding gesteld van de zorgaanbieder. Hij had een goede relatie met zijn ambulant begeleider. De ambulante begeleiding is echter per 30 oktober 2019 gestopt zonder dat de cliënt daarover vooraf is geïnformeerd. Volgens de zorgaanbieder waren de begeleidingsdoelen grotendeels behaald, maar de cliënt is een andere mening toegedaan. De cliënt voelt zich zeer onheus bejegend en in de steek gelaten door de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft nagelaten om te zoeken naar een passende en zorgvuldige oplossing, waardoor zijn psychische klachten in ernstige mate zijn toegenomen en medicatie opgestart moest worden. Daarnaast ontwikkelde hij fysieke klachten. De klachtenfunctionaris heeft de klacht van de cliënt pas in een laat stadium opgepakt, waardoor de situatie is geëscaleerd. De cliënt is ontevreden over de uitkomsten. Hij is het vertrouwen in de zorgaanbieder kwijtgeraakt en hij vordert een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 1.000,–.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In de opstartfase van de begeleiding is langdurig geïnvesteerd in het opbouwen van de zorgrelatie. De cliënt had een duidelijke voorkeur om de ambulante ondersteuning op een bepaalde wijze en door een bepaalde medewerker te laten uitvoeren. Ondanks dat de gebruikelijke werkwijze is dat ten minste twee medewerkers worden aangesteld bij begeleiding in een thuissituatie en dat een sterk doelgerichte ondersteuning wordt geboden, is de zorgaanbieder, om de relatie met de cliënt goed te houden, in de wens van de cliënt meegegaan. De ondersteuning die de cliënt ontving was gericht op het bereiken van zelfstandigheid, maar geleidelijk bleek dat de cliënt behoefte had aan een langdurige zorgrelatie. De zorgaanbieder acht zich niet de aangewezen instantie om dergelijke langdurige zorg te leveren. Er is wel besproken dat de doelen grotendeels waren behaald, maar de zorgaanbieder erkent daarbij niet snel en duidelijk genoeg te hebben gehandeld. Aangezien de betrokken medewerker zich niet langer prettig voelde bij de begeleidingsrelatie die verder ging dan een professionele zorgrelatie en waarbij het contact steeds persoonlijker werd, is de begeleiding gestopt en heeft de teamleider de communicatie met de cliënt overgenomen. De zorgaanbieder erkent dat een en ander beter met de cliënt gecommuniceerd had moeten worden. Verder stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt steeds bereidheid te hebben getoond de klacht serieus te nemen en hierover met de cliënt in gesprek te gaan.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De cliënt en de zorgaanbieder hebben met elkaar een zorgovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gesloten. Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

Op grond van de zorgovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener voortvloeit uit een zorgovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Indien voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder jegens de cliënt toerekenbaar tekort is geschoten in de zorgplicht en de cliënt daardoor schade heeft geleden, kan de zorgaanbieder hiervoor aansprakelijk worden gesteld.

De commissie stelt voorop dat in deze procedure van de zijde van de zorgaanbieder onvoldoende inhoudelijke stukken zijn verstrekt. De wijze waarop en de mate waarin door de zorgaanbieder van het begeleidingstraject verslag is gelegd, voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. Hierdoor is niet gebleken welke doelen door de WMO-afdeling van de gemeente zijn gesteld en hoe men deze doelen wilde bereiken. Evenmin is gebleken dat een evaluatie heeft plaatsgevonden, op grond waarvan de voortgang van de begeleiding kan worden geduid en waaruit blijkt welke doelen wel of niet zijn behaald. De commissie acht zich hierdoor niet in staat om te beoordelen of de geboden begeleiding is verlopen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener mag worden verwacht.

Wel stelt de commissie op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, vast dat de zorgaanbieder zich niet aan het eigen protocol heeft gehouden door slechts één ambulant begeleider aan de cliënt toe te wijzen, in plaats van (minimaal) twee. Hierdoor heeft de zorgaanbieder niet kunnen voorkomen dat de zorgrelatie tussen de cliënt en de ambulant begeleider verder ging dan een louter professionele relatie. De betreffende medewerker voelde zich op een gegeven moment niet meer veilig en wilde niet meer individueel in contact treden met de cliënt. Gezien de psychische hulpvraag van de cliënt mag deze gang van zaken hem niet kwalijk worden genomen. Desondanks werd de begeleiding abrupt beëindigd zonder dat dit voldoende duidelijk met de cliënt werd besproken. De cliënt heeft als gevolg van deze bejegening een psychische terugval gehad en suïcidale gedachten ontwikkeld, waardoor hij aangewezen was op medicatie. De commissie is van oordeel dat de wijze waarop de begeleiding is afgebroken niet professioneel is, hetgeen wel van de zorgaanbieder mag worden verwacht. De zorgaanbieder is dan ook naar het oordeel van de commissie tekortgeschoten in de nakoming van de zorgovereenkomst.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Voor aanspraak op materiële schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de zorgovereenkomst. Aangezien de commissie tot de conclusie is gekomen dat van een toerekenbare tekortkoming sprake is, is zij van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding van € 1.000,– dient te worden toegewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
verklaart de klacht gegrond;

wijst de vordering tot schadevergoeding van € 1.000,– toe.

Bovendien dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw drs. Y.J.M. ten Brummelhuis MSM, mevrouw mr. O.A.M. Floris, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. N. Graumans, secretaris, op 18 mei 2022.