Schetsen van feitelijke situatie verkoop woning niet tuchtrechtelijk verwijtbaar

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals    Categorie: Informatie    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Uitspraak   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 226478/234769

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Klaagster klaagt over de verklaringen die de beklaagde heeft afgegeven over de (snelheid van de) verkoop van de woning van klaagster en haar ex-partner. De verklaringen worden namelijk tegen haar gebruikt in een gerechtelijke procedure. Anders dan klaagster is beklaagde van mening dat hij geen valse of misleidende verklaringen heeft afgegeven, omdat klaagster volgens hem een vertragende factor is geweest bij de verkoop van de woning. Naar het oordeel van de commissie is niet vast komen te staan dat de brieven van beklaagde onwaarheden bevatten. Het is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat beklaagde de feitelijke gang van zaken in een aantal brieven heeft geschetst. De klacht is ongegrond.

De uitspraak

Behandeling van de klacht
De Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals (hierna: de commissie) is op grond van artikel 3 van het reglement van de commissie bevoegd om de klacht te behandelen. De beklaagde is aangesloten bij de NVM en de commissie heeft (onder meer) tot taak om klachten te behandelen over het handelen en/of nalaten van beklaagde ten tijde van de periode van aansluiting bij de NVM dat mogelijk in strijd is met het bepaalde in de statuten, reglementen, besluiten, Erecode, gedragscode van de NVM of relevante wet- en regelgeving.

De commissie heeft kennisgenomen van de stukken die door partijen zijn overgelegd.

De mondelinge behandeling heeft op 21 februari 2024 plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen:

  • de klaagster, voornoemd,
  • de heer [naam], verkoopmakelaar bij beklaagde.

Onderwerp van de klacht
De klacht betreft de vraag of de verkoopmakelaar met zijn verklaringen een onjuist beeld over de klaagster heeft geschetst.

Standpunt van de klaagster
Voor het standpunt van de klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat erop neer dat de verkoopmakelaar van de woning van de klaagster en haar ex-man (hierna: de echtelijke woning) met zijn verklaringen een onjuist beeld over de klaagster heeft geschetst. De klaagster voert hiertoe, voor zover relevant, het volgende aan.

De verkoopmakelaar heeft valse en misleidende verklaringen afgegeven die worden gebruikt in gerechtelijke procedures tussen de klaagster en haar ex-man. De klaagster wijst de commissie op de verklaringen van de verkoopmakelaar in de brieven van 17 juli 2020 en 19 december 2022. Deze verklaringen zijn incompleet en suggereren dat de klaagster niet meewerkt met de verkoop van de echtelijke woning. De klaagster heeft echter altijd meegewerkt. De klaagster is hierdoor in de problemen gekomen. De voorzieningenrechter heeft namelijk in het vonnis van 19 december 2019 bepaald dat de klaagster op straffe van een dwangsom dient mee te werken aan de verkoop van de echtelijke woning.

Door de afgegeven verklaringen van de verkoopmakelaar is de ex-man van mening dat de klaagster dwangsommen heeft verbeurd. De ex-man heeft daarom beslag laten leggen op de rekeningen van de klaagster.

De procedurele onzorgvuldigheden van de verkoopmaker (bijvoorbeeld het niet correct invullen van de opdracht tot dienstverlening) en het nalaten van de ex-man om de opdracht tot verkoop in te vullen en andere bescheiden aan te leveren zijn echter de oorzaak van de vertraging in het verkoopproces.

Voorts stelt de klaagster zich op het standpunt dat de verkoopmakelaar haar ten onrechte niet heeft geïnformeerd over het uit de verkoop halen van de echtelijke woning.

De klaagster concludeert dat de verkoopmakelaar met zijn gedrag de NVM Erecode en de Algemene Consumentenvoorwaarden Makelaardij van NVM-Makelaars heeft geschonden.

De klaagster verzoekt de commissie:

  1. te bepalen dat de verkoopmakelaar zijn verklaringen naar waarheid corrigeert en ophoudt met het afgeven van onjuiste en suggestieve beweringen nu en in de toekomst,
  2. te bepalen dat de verkoopmakelaar noch iemand anders van het kantoor van de beklaagde zich nu of in de toekomst nog bezig houdt met de koop of verkoop van de echtelijke woning,
  3. de beklaagde te veroordelen tot betaling van de dwangsom die de ex-man kon opeisen van de klaagster op grond van de brief van 17 juli 2020 van de verkoopmakelaar.

Standpunt van beklaagde
Voor het standpunt van beklaagde verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat erop neer dat de verkoopmakelaar geen valse of misleidende verklaringen heeft afgegeven. Volgens de verkoopmakelaar is de klaagster wel degelijk een vertragende factor geweest bij de verkoop van de echtelijke woning.

Ter onderbouwing wijst de verkoopmakelaar de commissie op de volgende omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de (voorbereidingen tot) verkoop van de echtelijke woning:

  • de klaagster was slecht telefonisch bereikbaar voor het inplannen van afspraken (bijlage III),
  • de klaagster had een covidbesmetting, waardoor de geplande bezichtigingen niet door konden gaan (bijlage X),
  • de klaagster wilde geen afspraak maken met de fotograaf totdat zij antwoord had gekregen op haar mails aan de beklaagde (bijlage V),
  • de klaagster wilde geen vervolgafspraak inplannen voor het opstarten van de verkoop vanwege de covidmaatregelen,
  • de klaagster weigerde om foto’s van de echtelijke woning te laten nemen, omdat haar ex-man de vragenlijst voor de verkoop van de echtelijke woning niet juist en volledig had ingevuld (bijlage VIII),
  • de echtelijke woning was niet opgeruimd waardoor er een extra afspraak gemaakt moest worden voor het maken van foto’s (bijlage XIII).

Beoordeling van de klacht
Bij de beoordeling van het geschil laat de commissie in het midden of de klaagster wel of niet heeft meegewerkt aan de verkoop van de echtelijke woning. De commissie zal enkel het handelen van de verkoopmakelaar beoordelen.

Valse verklaringen
De commissie is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de brieven van 17 juli 2020 en 19 december 2022 van de verkoopmakelaar onwaarheden over de klaagster bevatten.

Niet in geschil tussen partijen is immers dat de klaagster een periode slecht bereikbaar was, de bezichtigingen op 15 en 18 december geen doorgang konden vinden, de klaagster de opdracht tot dienstverlening nog niet had getekend, de klaagster toegang tot de echtelijke woning weigerde wegens de coronamaatregelen en dat de verkoopmakelaar nog geen sleutel had van de echtelijke woning.

Onvolledige verklaringen
De commissie begrijpt dat de klaagster bedoelt dat de afgegeven verklaringen in deze brieven naar haar mening onvolledig zijn, omdat de verkoopmakelaar in zijn verklaring niet heeft vermeld dat, kort gezegd:

  • de klaagster hem wel de sleutel van de echtelijke woning heeft aangeboden,
  • de opdracht tot dienstverlening nog niet getekend was door de klaagster omdat deze niet volledig was en er fouten in stonden,
  • de klaagster een periode slecht bereikbaar was omdat zij toen recentelijk een ongeval heeft gehad,
  • de bezichtigingen niet door konden gaan, omdat de klaagster een covid besmetting had,
  • de fotograaf geen contact met de klaagster had opgenomen voor een vervolgafspraak.

Volgens de klaagster suggereert de verkoopmakelaar met zijn (onvolledige) verklaringen dat de klaagster niet meewerkt aan de verkoop van de echtelijke woning.

De commissie is van oordeel dat het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat de verkoopmakelaar de feitelijke gang van zaken van het verkoopproces aan de ex-man van de klaagster heeft geschetst in de brieven van 17 juli 2020 en 19 december 2022. Dat deze verklaringen door de ex-man van de klaagster worden gebruikt in gerechtelijke procedures maakt dat niet anders. Het verkoopproces is immers (mede) door de in de verklaringen genoemde omstandigheden vertraagd. De vraag of deze omstandigheden wel of niet te wijten zijn aan de klaagster dient te worden beoordeeld door de civiele rechter. De commissie benadrukt dat de klaagster hierbij de gelegenheid krijgt om context te geven aan de verklaringen van de verkoopmakelaar en om haar standpunt over de oorzaak van de vertraging naar voren te brengen. Het strekt naar het oordeel van de commissie te ver om de verkoopmakelaar te verplichten om de zienswijze van de klaagster op te nemen in zijn verklaringen.

Klaagster niet geïnformeerd
De commissie is van mening dat, ondanks de moeilijke positie van de makelaar tussen twee ex-echtgenoten in een moeizame echtscheiding, het jammer is dat de klaagster niet door de makelaar zelf op de hoogte is gesteld dat de echtelijke woning uit de verkoop is gehaald, maar dat zij hier door eigen navraag achter is gekomen. De commissie is evenwel van oordeel dat dit feit onvoldoende is om een tuchtrechtelijk verwijt aan de makelaar te maken.

Conclusie
De conclusie uit het voorgaande is dat de klacht ongegrond wordt verklaard.

Klachtengeld
Nu de klacht van de klaagster ongegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de klaagster te komen. De klaagster heeft het klachtengeld reeds aan de commissie voldaan, zodat daarover niet meer behoeft te worden beslist.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. M.J. Faasse, mevrouw mr. M.C. de Gier, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. R.H.W. Theuns-van Waasdijk, secretaris, op 21 februari 2024.