‘Slotmaanden contract na het overlijden van de recreant aan erfgenamen als onverschuldigd betaald terug naar erfgenamen. Ook kosten rechtsbijstand komen voor rekening van ondernemer, vanwege de onverzettelijkheid van ondernemer.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Algemene voorwaarden    Jaartal: 2016
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 101637

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de financiële afwikkeling van de huurovereenkomst als gevolg van het overlijden van de recreant. 

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Op 22 juli 2015 is de broer van de consument, [naam van de overleden broer] (verder ook de recreant genoemd), overleden. De consument en zijn broer [naam van de broer] zijn diens erfgenaam (verder ook de erfgenamen genoemd). De recreant was eigenaar van een chalet dat op [naam van het vakantiecentrum] stond. Na het overlijden kregen de erfgenamen van de ondernemer te horen dat er met betrekking tot de rekening van de jaarplaats 2015 nog een bedrag van € 375,50 openstond, welk bedrag zij vóór 14 oktober 2015 moesten betalen. De erfgenamen hebben dat bedrag op 14 oktober 2015 betaald. Verder wilden de erfgenamen het chalet ook verkopen, maar zij kregen van de ondernemer in eerste instantie geen toestemming om het chalet van [naam van het vakantiecentrum] af te laten halen. Pas nadat de erfgenamen juridische bijstand hadden ingeschakeld, kregen zij toestemming van de ondernemer om het chalet weg te laten halen. Na het ingewonnen juridisch advies bleek hen dat zij het bedrag van € 375,50 onterecht betaald hadden, omdat het contract door overlijden was komen te vervallen. De erfgenamen wensen terugbetaling van dat bedrag van € 375,50, betaling door de ondernemer van een bedrag van € 175,– wegens door hen gemaakte kosten van rechtsbijstand alsmede terugbetaling van het door de recreant betaalde bedrag van € 340,– voor de maanden augustus en september 2015 omdat er die maanden wettelijk gezien geen contract meer was.

Standpunt van de ondernemer

De ondernemer ziet geen reden om tegemoet te komen aan het verzoek van de erfgenamen.
De erfgenamen hebben na het overlijden van hun broer zelf gevraagd welk bedrag nog openstond aan jaarplaatskosten en aangegeven dat zij die kosten wilden betalen. Daarmee gaven ze volgens de ondernemer aan dat ze de huurovereenkomst wilden voortzetten. In het begin hebben de erfgenamen de verkoopvoorwaarden ook geaccepteerd en aan mensen de stacaravan niet verkocht. De onder-nemer is van mening dat er dan ook geen noodzaak voor de erfgenamen was om juridische kosten te maken. Als de erfgenamen ten slotte recht menen te hebben op restitutie van het stageld 2015, hadden zij de caravan ook binnen een redelijke termijn moeten weghalen en niet de laatste spullen pas eind maart 2016.

Beoordeling van het geschil

Artikel 10 lid 2 van de toepasselijke Recron-voorwaarden voor vaste standplaatsen luidt -voor zover thans van belang- als volgt:
“Indien de recreant overlijdt, hebben zijn mederecreanten -voor zover zij daartoe gerechtigd zijn- het recht de overeenkomst over te nemen (…) Indien er geen mederecreanten zijn, eindigt de overeenkomst van rechtswege zonder dat daartoe opzegging vereist is. Het staat de ondernemer vrij met een erfgenaam, die niet als mederecreant op de overeenkomst staat, al dan niet een overeen-komst te sluiten. Indien geen nieuwe overeenkomst wordt aangegaan, krijgen de erven die de verplichtingen van de overledene overnemen een redelijke termijn om de plaats leeg op te leveren. Het vooruitbetaalde jaargeld voor het resterende deel van de contractperiode wordt aan hen vanaf het moment van ontruiming gerestitueerd, tenzij ontruiming na 1 juli van het lopende contractjaar plaatsheeft (…)”.

Vaststaat dat de recreant ten tijde van zijn overlijden op 22 juli 2015 het bedrag van € 375,50, dat kennelijk betrekking had op de slotmaanden van 2015 nog niet betaald had.
Verder staat vast dat de huurovereenkomst tussen de recreant en de ondernemer op grond van artikel 10 lid 2 van de Recron-voorwaarden op 22 juli 2015 van rechtswege was geëindigd. En anders dan de ondernemer heeft betoogd, blijkt geenszins dat de erfgenamen met de ondernemer daarna een nieuwe huurovereenkomst hebben gesloten. Voor de totstandkoming van een overeenkomst is vereist dat sprake is van aanbod en aanvaarding en dus van wilsovereenstemming. De aanvaarding moet worden gekwalificeerd als een eenzijdige rechtshandeling, waarbij zich met de aanvaardings-verklaring de op het rechtsgevolg (in dit geval het ontstaan van een overeenkomst) gerichte wil moet openbaren. Voor een succesvolle aanvaarding van het aanbod is nodig dat het voor degene die reageert op een gedaan aanbod ondubbelzinnig en zonder twijfel duidelijk is wat dat aanbod is en dat zijn uitlatingen leiden tot het ontstaan van een overeenkomst. Daarvan is in dit geval geen sprake geweest. Uit de enkele betaling door de erfgenamen van het bedrag van € 375,50 dat volgens de ondernemer nog open stond van de jaarplaats 2015, kan naar het oordeel van de commissie niet de totstandkoming van een nieuwe huurovereenkomst worden afgeleid.

Nu de huurovereenkomst tussen de recreant en de ondernemer op 22 juli 2015 van rechtswege was geëindigd en er na 22 juli 2015 geen nieuwe huurovereenkomst tussen de erfgenamen en de ondernemer is ontstaan, was er geen rechtsgrond voor de betaling van het bedrag van
€ 375,50 door de erfgenamen. Dit bedrag dient de ondernemer dan ook als onverschuldigd betaald aan hen terug te betalen.

Dat geldt niet voor het door de erfgenamen ook gevorderde bedrag van € 340,–, nu de ontruiming van de plaats heeft plaatsgevonden na 1 juli van het lopende contractjaar 2015 en uit artikel 10 lid 2 van de Recron-voorwaarden volgt dat in zo’n geval geen recht bestaat op restitutie.

Ten slotte is de commissie van oordeel dat de erfgenamen ook recht hebben op het door hen gevorderde bedrag van € 175,– aan rechtsbijstandkosten. Doordat de ondernemer vast bleef houden aan zijn (onjuiste) standpunt, waren de erfgenamen naar het oordeel van de commissie wel genoodzaakt rechtsbijstand in te schakelen. De ondernemer heeft de hoogte van de kosten niet bestreden en het bedrag komt de commissie niet onredelijk voor.

De commissie oordeelt de klacht grotendeels gegrond.

Het bovenstaande leidt de commissie tot de volgende beslissing. 

Beslissing

De ondernemer dient aan de consument binnen 30 kalenderdagen na verzending van deze beslissing een totaalbedrag te betalen van € 550,50 (€ 375,50 +  € 175,–).

Daarnaast dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van
€ 52,50  aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 90,–.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie op 18 mei 2016.