Sprake van inhoudelijke klacht

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Waterrecreatie    Categorie: Ontvankelijkheid    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: WAT02-0040

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een schriftelijk tussen partijen gesloten overeenkomst tot levering van een nieuw vaartuig, welke overeenkomst is gesloten op 25 januari 2002.   De consument heeft op 15 april 2002 zijn klacht schriftelijk aan de ondernemer voorgelegd.   De consument heeft een bedrag van € 3.451,23 onbetaald gelaten en bij de commissie in depot gestort.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   De consument heeft een klachtenlijst met 35 klachten overgelegd. Kortheidshalve wordt naar deze klachtenlijst verwezen.   Verder stelt de consument dat de boot volledig is betaald, behoudens de facturen ten bedrage van € 1.106,23 (moet zijn € 1.006,23) ter zake van meerwerk.   Naar aanleiding van het deskundigenrapport stelt de consument dat de onafhankelijkheid van de deskundige geweld is aangedaan, althans dat de kans daarop is ontstaan, doordat de deskundige het deskundigenrapport uitgebreid heeft doorgenomen met de ondernemer voordat deze aan de commissie is verstuurd. De mening van de ondernemer is door de deskundige meegenomen in het deskundigenrapport. Mede gezien de calculatie door de deskundige, is de consument van mening dat de deskundige beïnvloed is door de ondernemer. De gecalculeerde arbeidsuren en -kosten zijn absoluut ontoereikend om de problemen op te lossen. De herstelkosten bedragen naar het oordeel van de consument een bedrag van minstens € 5.491,79.   Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   De consument twijfelt aan de onafhankelijkheid van de deskundige. Dat de deskundige commentaar heeft geven op de reacties van partijen op het deskundigenrapport, doet daar niet aan af. De consument had het recht om de betaling op te schorten, omdat de oplevering niet compleet was. Uiteindelijk is alleen het meerwerk niet betaald. De restant bedragen van de hoofdsom zijn contant betaald. De betalingen waren ook geen probleem. Pas nadat de consument de ondernemer in gebreke had gesteld, ontving de consument aanmaningen. Er is mondeling afgesproken dat alle technische beschrijvingen aan de consument zouden worden verstrekt. Sinds de oplevering is het schip niet meer bij de werf geweest. De consument mocht ook niet meer bij de werf komen, terwijl afgesproken was dat de consument tot augustus de tijd had om gebreken te melden bij de ondernemer, althans de ondernemer zou gezegd hebben geen werkzaamheden te willen verrichten totdat de openstaande facturen waren betaald. De consument heeft geen enkel vertrouwen meer in de ondernemer.   De consument verlangt of herstel door een derde, waar ook de garantie onder gebracht zou moeten worden of een schadevergoeding, zodat de consument zelf de problemen kan laten verhelpen. De consument heeft geen enkel vertrouwen meer in de ondernemer.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De klachten van de consument zijn ongegrond, omdat de consument bij herhaling is toegezegd dat hij recht heeft op garantie mits hij zijn betalingsverplichtingen nakomt. Op de klachten van de consument gaat de ondernemer eerst inhoudelijk in als de consument zijn betalingsverplichtingen is nagekomen. Tot die tijd kan er geen sprake zijn van een verschil van mening tussen de consument en ondernemer. Daarmee is het geschil gereduceerd tot een geschil over de niet-betaling van een factuur (artikel 16 lid 5 van de van toepassing zijnde [branche]-voorwaarden). De commissie is niet bevoegd een geschil hierover in behandeling te nemen. Verder voert de ondernemer aan dat de consument van vrijdagmiddag 12 april tot en met zondagavond 14 april 2002 een proefvaart heeft mogen maken. Daarna heeft de consument op 15 april 2002 een klachtenlijst met in totaal 18 punten aan de ondernemer gefaxt. Over al deze klachten hebben partijen overeenstemming bereikt c.q. al deze klachten zijn verholpen, behoudens de klacht over de WC-bril, omdat er een levertijd bleek te zijn. Op 27 april is het vaartuig vervolgens definitief opgeleverd. Op het moment dat de ondernemer de consument aanspreekt op betaling van het restant van het factuurbedrag, produceert de consument op 6 juni 2002 een klachtenlijst van 34 punten. Later rapporteert de consument 42 klachten. Het overgrote deel van deze klachten valt niet onder de garantiebepalingen als overeengekomen in de [branche]-voorwaarden, maar hebben betrekking op de staat en toestand waarin het vaartuig zich bevond ten tijde van de proefvaart. Deze staat en toestand heeft de consument, behoudens de klacht als vermeld in de fax van 15 april 2002, geaccepteerd.   Ten aanzien van de cabrioletkap stelt de ondernemer dat deze is gemaakt conform de wensen van de consument. De consument heeft hierover rechtsreeks contact gehad met de zeilmakerij. De ondernemer staat hier buiten.   Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   Voor zover door de fabrikanten handleidingen voor de ingebouwde apparatuur zijn verkregen, zijn deze aan de consument verstrekt. Inbouwbeschrijvingen zijn uitsluitend voor de ondernemer bestemd, die worden niet aan de consument gegeven. De RVS instaptrap en de WC-bril liggen klaar bij de ondernemer. Het isolatiemateriaal voor onder de matrassen wordt geleverd. De verf kan de consument krijgen als hij bij de ondernemer aan de wal ligt, ook al is nergens vastgelegd dat de consument daar recht op heeft.   Deskundigenrapport   De door de commissie ingeschakelde deskundige heeft blijkens zijn rapport, voor zover thans van belang, het volgende vastgesteld.   Met betrekking tot het oordeel over de 35 klachten van de consument zij kortheidshalve verwezen naar het rapport van de deskundige.   Herstel van de klachten is grotendeels mogelijk. De meeste klachten, vooral ter zake het timmerwerk, betreffen kleine onzorgvuldigheden welke op zich herstelbaar zijn. De herstelkosten met betrekking tot de klachten die voor herstel in aanmerking komen, worden door de deskundige begroot op een bedrag van in totaal € 1.490,– (de herstelkosten met betrekking tot het lekken van het bakboordraam boven de glaskast en het stuurboordzijraam boven de keuken, almede de stelknop van de uitschuifarm van het middenraam in het voorfront van de salon, zijn hierbij niet inbegrepen).   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Op grond van art. 16 lid 5 van de van toepassing zijnde [branche]-voorwaarden en art. 5 sub b van het reglement van de commissie is, kan de commissie een geschil niet in behandeling nemen indien het geschil uitsluitend betrekking heeft op de niet-betaling van een factuur en daaraan geen inhoudelijke klacht ten grondslag ligt. Op grond van het voorgaande stelt de ondernemer dat de commissie niet bevoegd is het geschil te behandelen. Het beroep op voornoemde bepalingen wordt echter gepasseerd, omdat de consument klaagt over gebreken aan het geleverde vaartuig, zodat het geschil niet uitsluitend betrekking heeft op de gedeeltelijke niet-betaling van de factuur. De commissie acht zich dan ook bevoegd het geschil te behandelen c.q. acht de consument in zijn klacht ontvankelijk.   Betreffende de kanttekeningen van de consument bij het deskundigenrapport overweegt de commissie allereerst dat de deskundige er vanwege de verharde verhouding tussen partijen niet ten onrechte voor gekozen heeft om de ondernemer na het deskundigenonderzoek te horen. Nu partijen bovendien schriftelijk hebben kunnen reageren op het deskundigenrapport en daarvan gebruik hebben gemaakt, waarna de deskundige – bij uitzondering – daarop schriftelijk heeft gereageerd, is aan het beginsel van hoor en wederhoor in dit geval voldaan. Vastgesteld wordt verder dat de kritiek van de consument zich in feite uitsluitend richt op de volgens de consument te lage begroting van de herstelkosten door de deskundige. Hierin volgt de commissie de consument niet, daar de commissie de schatting van de deskundige een reële acht. Nu bovendien uit het deskundigenrapport blijkt dat nagenoeg alle klachten van de consument door de deskundige worden onderschreven, is in ieder geval niet aannemelijk geworden dat het deskundigenrapport blijk geeft van partijdigheid ten nadele van de consument c.q. ten voordele van de ondernemer.   Betreffende het geschil over de betaling van de hoofdsom en het meerwerk wordt allereerst vastgesteld dat de consument het niet betalen van het meerwerk heeft erkend, zodat daarmee vast staat dat dit bedrag groot € 1.006,23 aan de ondernemer betaald dient te worden. Met betrekking tot de betaling van het restant van de hoofdsom heeft de consument ook erkend dit bedrag van € 2.445,– niet te hebben betaald en heeft de consument bovendien niet kunnen aantonen dat hij dit bedrag heeft betaald. Ondanks de brief van de ondernemer van 16 april 2002, waarin vermeld staat dat alle bouwtermijnen (de hoofdsom) waren betaald, had het op de weg van de consument gelegen een kwitantie van de betaling te vragen. Bij gebreke daarvan en bij gebreke van enig ander bewijs is onvoldoende aannemelijk geworden dat het restantbedrag van de hoofdsom groot € 2.445,– door de consument is betaald. Het laatstgenoemde bedrag dient alsnog aan ondernemer te worden betaald.   Ten aanzien van de klachten van de consument betreffende het vaartuig verwerpt de commissie allereerst het verweer van de ondernemer inhoudende dat de meeste klachten van de consument niet onder de garantie vallen, omdat de klachten betrekking hebben op de staat en toestand waarin het vaartuig zich bevond ten tijde van de oplevering, welke staat en toestand door de consument door oplevering is aanvaard, behoudens de voordien reeds aan de ondernemer gemelde klachtpunten. Uit de van toepassing zijnde voorwaarden blijkt namelijk dat de consument na de oplevering zich er alleen niet meer op kan beroepen dat het vaartuig gebreken vertoont die hij redelijkerwijs tijdens de inspectie of de proefvaart had kunnen ontdekken, indien de consument geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijk tot het maken van een proefvaart of een inspectie waartoe hij door de ondernemer is uitgenodigd (artikel 8 lid 3 [branche]-voorwaarden). In casu heeft de consument wel een proefvaart gemaakt, zodat de situatie waarop deze bepaling ziet zich in dit geval niet voordoet. Ten aanzien van de door de consument geconstateerde gebreken kan de consument dan ook een beroep doen op de garantie, voor zover althans de klachten gegrond worden geacht.   Betreffende de klachten van de consument volgt de commissie vervolgens het oordeel van de deskundige, nu zij geen reden heeft aan de juistheid daarvan te twijfelen. In aanvulling daarop oordeelt de commissie dat de ondernemer niet gehouden is tot levering van een aantal technische beschrijvingen (klacht 19,20 en 21). Naar de commissie begrepen heeft, heeft de ondernemer alle documenten aan de consument ter beschikking gesteld waartoe de ondernemer conform de CE-normering gehouden was. Omdat niet gebleken is dat de partijen hebben afgesproken dat ook andere documenten aan de consument overhandigd zouden worden, is de ondernemer tot niet meer gehouden. Ook de gevorderde garantiebescheiden die betrekking hebben op onderdelen van het schip (klacht 22 en 24) behoeft de ondernemer niet aan de consument te leveren, daar de garantie op onderdelen valt onder de algemene garantie op het schip en ook hier niet gebleken is dat partijen hebben afgesproken dat de betreffende garantiebescheiden aan de consument ter beschikking zouden worden gesteld. Betreffende door de consument verlangde zekerheidsstelling ten aanzien van de garantie (klacht 34) stelt de commissie vervolgens vast dat de consument geen belang meer heeft bij deze vordering nu de garantieperiode reeds op 27 april 2003, welke datum ligt na de datum van het verzenden van het bindend advies aan partijen, is verstreken. Overigens bestaat er voor een dergelijke vordering ook geen juridische basis. Op grond hiervan wordt deze klacht ongegrond verklaard. Dit zelfde oordeel geldt voor de klacht over de horren (klacht 40), nu aannemelijk is geworden dat horren bij patrijspoorten en ramen niet standaard geleverd worden en uit de overeenkomst tussen partijen niet volgt dat partijen overeengekomen zijn dat voor alle ramen c.q. patrijspoorten horren zouden worden geplaatst. Horren zijn bovendien geen zodanig essentiële onderdelen van het schip, dat de consument er zonder nadere afspraak van uit mocht gaan dat het schip met horren geleverd zou worden. Betreffende de klacht over de cabrioletkap (klacht 25) stelt de commissie vast dat de ondernemer onvoldoende heeft aangetoond dat de kleur en uitvoering van de kap uitsluitend zijn bepaald door de consument in overleg met de leverancier van de kap. De ondernemer is dientengevolge aansprakelijk voor de gebreken die door de deskundige zijn geconstateerd. Het beroep van de ondernemer op art. 5 lid 3 van de [branche]-voorwaarden gaat niet op, alleen al omdat gesteld noch gebleken is dat een garantiebewijs betreffende de kap aan de consument ter hand is gesteld. Voor zover al uit de garantievoorwaarden van de leverancier van de kap zou blijken dat de geconstateerde gebreken niet onder de garantie zouden vallen, hetgeen eveneens gesteld noch gebleken is, kan dit op grond van het voorgaande niet aan de consument worden tegengeworpen.   Hoewel de ondernemer in beginsel recht heeft om de geconstateerde gebreken te herstellen en de ondernemer zich daartoe bereid heeft verklaard, acht de commissie dat in dit geval niet opportuun, omdat uit het verhandelde ter zitting gebleken is dat partijen totaal geen vertrouwen meer in elkaar hebben. De commissie zal de ondernemer daarom verplichten tot het betalen van een schadevergoeding. In uitzondering hierop zal de ondernemer gehouden worden aan de consument te leveren het isolatiemateriaal voor onder de matrassen (klacht 6), de wc-bril (klacht 10), een nieuwe bouwplaat waarop 2002 als bouwjaar is vermeld (klacht 16), de instaptrap (klacht 23) en de verf (klacht 29). Betreffende het bouwplaatje (klacht 16) acht de commissie geen aanleiding aanwezig voor het toekennen van een vergoeding naast de levering van een nieuwe bouwplaat zoals hiervoor vermeld. De commissie volgt hetgeen de deskundige hierover in het deskundigenrapport heeft gesteld. Dat de ondernemer mogelijk al in 2001 is aangevangen met de bouw van het schip in kwestie of onderdelen daarvan is geen ongewone gang van zaken bij een scheepswerf. Bovendien heeft de consument in januari 2002 juist dit in aanbouw zijnde schip gekocht. Hierdoor ontstaat geen waardevermindering.   Bij het bepalen van de omvang van de schadevergoeding gaat de commissie uit van de door de deskundige geschatte herstelkosten, zijnde een bedrag van in totaal € 1.490,– exclusief BTW (€ 1.773,10 inclusief BTW). In aanvulling daarop wordt met betrekking tot de klachten over de lekkage bij het bakboordraam en bij het stuurboordraam (klacht 37) respectievelijk de stelknop (klacht 41) een vergoeding redelijk geacht en wordt deze vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 215,– respectievelijk € 35,– (beiden inclusief BTW). Betreffende de combi magnetron/oven wordt vastgesteld dat deze niet conform de overeenkomst geleverd is. In plaats daarvan is een magnetron geleverd. Het prijsverschil, dat naar redelijkheid en billijkheid wordt vastgesteld op € 150,– (inclusief BTW), dient door de ondernemer vergoed te worden. Ook ten aanzien van de tv-ontvanger is de ondernemer gehouden een vergoeding te betalen, nu uit het deskundigenrapport blijkt dat de geleverde analoge tv-ontvanger in de praktijk niet bruikbaar is. De ondernemer had de consument daarvoor moeten waarschuwen. Nu niet gebleken is dat de ondernemer dit heeft gedaan, dient de ondernemer de waarde van de analoge tv-ontvanger aan de consument te vergoeden. Deze waarde wordt naar redelijk en billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 415,- inclusief BTW. De consument is gehouden de analoge tv-ontvanger aan de ondernemer te retourneren. Met betrekking tot het kalibreren van het elektronische kompas (klacht 28) wordt een vergoeding van € 75,– inclusief BTW redelijk en billijk geacht, daar de ondernemer niet weersproken heeft dat dit niet is geschied.   Ten aanzien van de (on)gegrondheid van de klacht wordt allereerst vastgesteld dat de consument op grond van de koopovereenkomst strikt genomen gehouden was het restant van de hoofdsom volledig te voldoen bij de oplevering, hetgeen niet is geschied. Anderzijds heeft de ondernemer aanvaard dat het restant van de hoofdsom niet volledig bij de oplevering is betaald. Nu de ondernemer bovendien eerst tot opschorting van de garantiewerkzaamheden is overgaan, nadat hij door de consument in gebreke was gesteld betreffende de nakoming van de koopovereenkomst en het niet door de consument betaalde bedrag, nadat de consument op 6 mei 2002 alsnog een bedrag van € 6.000,– had betaald, in verhouding tot de klachten niet bovenmatig is, acht de commissie beide partijen evenredig debet aan het geschil. Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is. De commissie ziet daarom aanleiding om de door de ondernemer te betalen behandelingskosten met 50% te matigen. Bovendien acht de commissie het redelijk indien beide partijen een evenredig deel van het klachtengeld van de consument voor hun rekening nemen.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De consument betaalt aan de ondernemer een bedrag van € 3.451,23. De consument dient de analoge tv-ontvanger in goede staat aan de ondernemer terug te geven.   De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van € 2.663,10 inclusief BTW. De ondernemer levert aan de consument het isolatiemateriaal voor onder de matrassen, de wc-bril, een nieuwe bouwplaat waarop 2002 als bouwjaar is vermeld, de instaptrap en de verf.   Een en ander dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.   Partijen dienen elkaar over en weer in de gelegenheid te stellen aan de verplichtingen uit dit bindend advies te voldoen.   De commissie wijst het meer of anders verlangde af.   Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 51,05 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 75,–.   De financiële verplichtingen uit dit bindend advies zullen door verrekening plaatsvinden. Hiertoe zal het bij de commissie in depot gestorte bedrag worden aangewend. Zodra de commissie bericht heeft ontvangen van beide partijen dat de niet-financiële verplichtingen overeenkomstig de beslissing zijn nagekomen, zal het depotbedrag als volgt worden verrekend.   Een bedrag van € 2.714,15 wordt overgemaakt aan de consument. Een bedrag van € 662,08 wordt overgemaakt aan de ondernemer. Een bedrag van € 75,– verblijft aan de commissie.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie op 16 april 2003.