Tarief bij waterverbruik; raadsbesluit/algemene voorwaarden

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Water    Categorie: Tariefbepalingen    Jaartal: 2012
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ENE06-2531

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het niet naar beneden bijstellen van het door de consument te betalen voorschotbedrag voor de levering van water, alsmede het niet restitueren van het teveel betaalde bedrag.

De consument heeft op 9 oktober 2006 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Op 2 mei 2006 heb ik het formulier "overeenkomst tot waterlevering huishoudelijk gebruik" ingevuld. Daarop heb ik twee bewoners van de woning ingevuld. Tot op heden heb ik geen watermeter.
Mijn man is echter op 24 juli 2006 overleden, zodat de woning nu door één persoon wordt bewoond.
In het begeleidend schrijven van 21 april 2006 bij bovengenoemd formulier staat: "In de overeenkomst vragen wij onder meer het aantal bewoners van uw woning. Met dat gegeven maken wij een schatting. Op basis daarvan berekent de ondernemer een termijnbedrag. Dit noemen wij het voorschotbedrag".
Bij navraag bleek het volgende:
– Het voorschotbedrag blijkt te slaan op de periode nadat de watermeter geplaatst is;
– Het kwartaalbedrag dat ik nu betaal (€ 62,96) is gebaseerd op het aantal kamers van de woning;
– Het voorschotbedrag wordt niet verrekend met het werkelijk gebruik, dat pas duidelijk wordt wanneer de watermeter is geplaatst.

Uit het begeleidend schrijven blijkt niet dat met het voorschotbedrag bedoeld wordt het voorschotbedrag na het plaatsen van de watermeter. Het is een verkeerde beslissing het gebruik af te leiden van het aantal kamers in plaats van het aantal personen. Ten onrechte wordt het teveel betaalde nu niet verrekend met het werkelijke gebruik.

Ter zitting heeft de consument verder nog aangevoerd hetgeen in haar schriftelijke toelichting is vermeld, die toelichting wordt aan deze beslissing gehecht.

De consument verlangt van de ondernemer een aanpassing van het voorschotbedrag en de restitutie van het teveel betaalde.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Sinds 1854 wordt het abonnementstarief in het Amsterdamse voorzieningsgebied gehanteerd voor het huishoudelijk watergebruik. Dit tarief is gebaseerd op het aantal berekeningseenheden, dat onder meer wordt bepaald door het aantal vertrekken in een woning. Sinds 1999 wordt daarnaast – volgens het Amsterdamse raadsbesluit tot individuele bemetering van het huishoudelijk watergebruik d.d. 4 februari 1998 – het verbruikstarief gehanteerd, dat is gebaseerd op het aantal gebruikte kubieke meters drinkwater inclusief vast recht.
Tot het moment dat een watermeter is geplaatst betalen de huishoudens voor hun watergebruik volgens het eenhedentarief. De ondernemer baseert zich daarbij op artikel 14.2 van de bijgevoegde Algemene Voorwaarden, waarin staat dat het bedrijf bepaalt welk tarief van toepassing is. Conform artikel 15.2 van onze Algemene Voorwaarden worden zowel het eenhedentarief als het gemeten verbruikstarief in rekening gebracht door middel van voorschotten die jaarlijks worden verrekend. De voorschotten worden dus niet uitsluitend toegepast bij een gemeten verbruikstarief.
Volgens artikel 15.2 kan een verbruiker bij verandering van omstandigheden verzoeken om wijziging van de voorschotten. Bij het eenhedentarief betreft dit onder meer wijziging van de woningindeling. Bij het gemeten verbruikstarief gaat het om een wijziging van de gezinssamenstelling. Tot op heden is het watertarief van de consument gebaseerd op het aantal eenheden van haar woning. Aangezien daarin geen verandering is gekomen zien wij geen aanleiding de hoogte van haar voorschot te veranderen.
In woningen waar het verbruik (nog) niet kan worden gemeten is niet het afnemen maar het beschikbaar stellen van water van invloed op het in rekening brengen van abonnementsgeld via het eenhedentarief. Wij maken kosten bij het zuiveren van oppervlaktewater tot drinkwater, voor de energie die nodig is om op elk aansluitingspunt 24 uur per dag de gewenste waterdruk te kunnen leveren en voor materiaal, afschrijving van materiaal (leidingnet en meters) en personeel. Deze kosten worden gedekt door de prijs per kubieke meter of door de abonnementen waarmee de meest rechtvaardige spreiding van kosten wordt bereikt.
Ons inziens biedt het eenhedentarief op het moment van de meterplaatsing een redelijk alternatief voor het gemeten verbruikstarief, mede vanwege het feit dat aan eenpersoonshuishoudens ter compensatie 33,3% korting wordt verleend voor het berekende watergeld.
Op deze teruggave kan de consument echter nog geen aanspraak maken, aangezien zij haar woning pas sinds juli 2006 alleen bewoont.
De consument verzoekt om haar, na de meterplaatsing en de vaststelling van haar waterverbruik, restitutie te verlenen over het tot dan toe betaalde eenhedentarief. Conform artikel 14.2 van onze voorwaarden én uitgaande van het gelijkheidsbeginsel geven wij aan dat verzoek geen gevolg, mede om een onbetaalbare en onverwerkbare hoeveelheid restitutieverzoeken in de toekomst te voorkomen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie is met de consument van oordeel dat het begeleidend schrijven van de ondernemer van 21 april 2006, waarop de consument doelt, verwarrend is. De commissie neemt de argumenten waarop de consument deze stelling baseert over en maakt die tot de hare.
Dit kan echter niet leiden tot honorering van het verzoek van de consument om het voorschotbedrag aan te passen en het teveel betaalde te restitueren, omdat de tarifiëring is gebaseerd op het Amsterdamse raadsbesluit tot individuele bemetering van het huishoudelijk waterverbruik d.d. 4 februari 1998 in combinatie met de hier toepasselijke Algemene Voorwaarden van de leverancier.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie en Water op 3 januari 2007.