Tarief voor achtergrondmuziek in café niet onredelijk, klachtafhandeling kon beter

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Auteursrechten zakelijk    Categorie: Prijs    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 123840

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Een café-eigenaar vindt het tarief voor een muzieklicentie van de CBO onredelijk. De commissie komt tot een ander oordeel. Het tarief is gekoppeld aan de oppervlakte van het café. Dat is voor zo’n ruimte een goede maatstaf, omdat dit het aantal personen aangeeft dat de muziek in die ruimte kan beluisteren. Het door de CBO gehanteerde tarief voor een oppervlakte tussen de 31 en de 100 m² is niet onredelijk, ook niet ten opzichte van het tarief voor (veel) grotere of kleinere horecagelegenheden. Voor het oordeel van de commissie telt mee dat achtergrondmuziek in de horeca belangrijk is, dat het tarief tot stand is gekomen in onderhandelingen met de Koninklijke Horecabond Nederland en dat het tarief in de direct omringende landen voor horecazaken van deze oppervlaktecategorie hoger is. De commissie vindt wel dat de klachtafhandeling door de CBO onvoldoende was. Daarom moet de CBO het klachtengeld aan de indiener van het geschil terugbetalen.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op door de CBO in rekening gebrachte bedragen voor de jaren 2018 en 2019.

Standpunt van de betalingsplichtige
Het standpunt van de betalingsplichtige luidt in hoofdzaak als volgt.

Het tarief voor een muzieklicentie bedraagt voor een café met een oppervlakte tot en met 31 m² € 81,19. Voor een café met een oppervlakte van 32 tot en met 100 m² is het tarief € 519,24. Voor elke 100 m² meer, wordt € 219,85 extra gerekend.

De opbouw in deze tarifering is zeer onlogisch. Logischer zou het zijn als café’s van 32 m² tot en met 100 m² een bedrag van € 81,19 + 219,85 = € 301,04 zouden betalen voor een licentie.

Er wordt ook geen enkele transparantie gegeven waarom er geen vast bedrag per m² betaald moet worden. In de huidige tarifering zijn de hele kleine en de hele grote horeca-zaken in het voordeel ten opzichte van middelgrote (32 m² t/m 100 m²) horeca-zaken. 

Het café van de betalingsplichtige heeft een totale oppervlakte van 36,72 m² (inclusief het bargedeelte en exclusief de toiletten). Dit betekent een overschrijding van 5,72 m² van het plafond voor het laag tarief van 31 m². Als het bargedeelte niet wordt meegerekend (er komen daar immers geen bezoekers; alleen personeel) is de oppervlakte totaal 31,72 m². Dit betekent een overschrijding van 0,72 m². Kortom, een kleine overschrijding kost de betalingsplichtige € 438,05 extra (€ 519,24 – € 81,19). 

Op zowel de klacht over de tarifering als op de klacht over de minimale overschrijding van het aantal m² wordt door de CBO niet inhoudelijk gereageerd.

Ter zitting heeft de betalingsplichtige verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

– De CBO baseert de factuur op de gegevens over de oppervlakte in de exploitatievergunning. Het is eerlijker om de tarieven te baseren op de ruimtes waar de muziek daadwerkelijk te horen is.

– De meerderheid van de cafés zit in de categorie tot 100 m². De grote horecagelegenheden betalen relatief weinig.

– De betalingsplichtige vraagt zich af of het, veel lagere, tarief ‘onlinestreaming’ niet van toepassing is, omdat hij de muziek via onlinediensten laat horen. 

– De betalingsplichtige wil wel betalen, maar dan voor de daadwerkelijke m². Dat is 32,72 m².

– Er is met een laserapparaat gemeten, maar daar is geen ijkingsrapport van. 

– Ook na de toelichting ter zitting door de CBO is voor de betalingsplichtige nog steeds niet duidelijk hoe het tarief is opgebouwd. Met hoeveel personen per m² wordt er gerekend? Er zou uitgegaan moeten worden van het daadwerkelijk aantal personen dat muziek kan beluisteren. 

– “Marktbewerkingskosten” is niet anders dan een mooi woord voor ‘handhavingskosten’. De betalingsplichtige betaalt dus als ‘nette ondernemer’ voor de ‘foute ondernemer’. 

– Door de CBO is nooit eerder op zijn klachtpunten ingegaan. Het is ook ondoorzichtig, omdat “Mijn Licentie” ook een rol heeft. De klachtenprocedure is onduidelijk.

Standpunt van de CBO
Het standpunt van de CBO luidt in hoofdzaak als volgt.

Tarief algemeen

De CBO mag, zoals iedere exploitant van exclusieve auteursrechten, de tarieven zelf vaststellen, maar zoals iedere marktpartij heeft ook de CBO te maken met een markt van vraag en aanbod en vaak goed georganiseerde en krachtige vertegenwoordigers van gebruikers. De door de CBO gehanteerde tarieven zijn decennia geleden dan ook tot stand gekomen als gevolg van regelmatige onderhandelingen en gesprekken met verschillende organisaties en het is niet zo dat de CBO eenzijdig haar tarieven heeft vastgesteld. 

Het meest ideale model zou zijn als ieder gebruik kan worden afgerekend op basis van het feitelijke gebruik. Echter, in sommige gevallen – bij achtergrondmuziekgebruik als hier aan de orde – is het feitelijk ondoenlijk om elk gebruik te registreren of af te rekenen omdat dan de uitvoeringskosten, zowel voor gebruikers als voor rechthebbenden, onevenredig hoog zouden worden. Om die reden zijn er regelingen die een compromis omvatten tussen enerzijds een relatie met het feitelijk gebruik en anderzijds zo laag mogelijke administratieve lasten.

De tarieven voor het gebruik van zgn. achtergrondmuziek in de horeca zijn daar een voorbeeld van. Op grond van het tarief verleent de CBO een zogenaamde “blanket license,” dat wil zeggen een het gehele muziekrepertoire van de CBO omvattende en doorlopende licentie. Voor die toestemming is de muziekgebruiker een vaste vergoeding verschuldigd die is gebaseerd op de oppervlakte van de ruimte waarin de muziek te beluisteren is, waarbij het in principe irrelevant is in welke mate van de verleende licentie/repertoire gebruik wordt gemaakt. De CBO heeft honderdduizenden licenties en als zij zou moeten meten en verwerken hoeveel gebruik er wordt gemaakt van de licentie, zouden de kosten van de licentie veel hoger uitkomen. Daarnaast zou de licentie dan dermate gedetailleerd worden, dat ook hier weer allerlei discussies zouden ontstaan.

Tarief Mechanische Achtergrond muziek Horeca

Voor het gebruik van achtergrondmuziek in de horeca hanteert de CBO het Tarief Mechanische Achtergrondmuziek Horeca. lngevolge dit tarief wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal vierkante meters van de onderneming of locatie waar de bezoekers/ klanten de muziek kunnen horen.

De CBO merkt op dat de betalingsplichtige uitgaat van een tarief tot 31 m² en een tarief vanaf 32 tot en met 100 m². Dat moet echter “30 m²” en “31 tot en met 100 m²” zijn.

De opbouw van de staffels is zeer logisch. Het basistarief is het bedrag van 100 m². Vanaf daar geldt voor iedere 100 m² een opslag van € 219,85. Het basistarief is altijd iets hoger dan de opslag die daarop volgt. Dit is vanwege het feit dat administratief gezien de kosten voor het verwerken voor alles gelijk is en daarmee de eerste staffel hoger uitkomt (plus voor sommige segmenten, de grotere toegevoegde waarde voor muziek). Het wordt administratief niet duurder als men een licentie afneemt voor een groter oppervlakte, dus betaalt men de toeslag alleen voor het grotere bereik.

De 30 m² staffel is de uitzondering die in 2011 is overeengekomen met de markt om de zeer kleine ondernemer tegemoet te komen. Dit bedrag is zeer laag en staat haaks op de kosten die de CBO moet maken. De betalingsplichtige kan dus niet opeens gaan rekenen vanaf het punt waarvoor de uitzondering is gemaakt. Om de administratieve last aan de kant van de ondernemer te beperken en de kosten aan de kant van de CBO te beperken is in tariefstelsels een staffel altijd het uitgangspunt. Dat is efficiënter (voor beide partijen dus goedkoper), duidelijker en beter te handhaven (geen discussie over iedere m²).

Billijkheid tarief (artikel 25 WTCBO)

Gelijke behandeling van gelijke gevallen

Alle in Nederland gevestigde horecazaken dienen volgens het toepasselijke tarief Mechanische Achtergrondmuziek Horeca aan de CBO een vergoeding te betalen voor de openbaarmaking van achtergrondmuziek. Er zijn daarop geen uitzonderingen van toepassing. Evenals zusterorganisaties in bijvoorbeeld België en Duitsland hanteert de CBO sinds jaar en dag de oppervlakte van de horecagelegenheid als parameter voor de berekening van de verschuldigde licentievergoeding.

SABAM: tarief bij oppervlakte van 1 t/m 100 m² = € 610,10 (zonder korting) en € 530,52 (met korting)

GEMA: tarief bij oppervlakte van 1 t/m 100 m² (bij 7 dagen per week) = € 670,50 (zonder korting) en € 558,73 (met korting)

Waarde van het gebruik in het economisch verkeer.

De oppervlakte van de horecagelegenheid met de muziekdichtheid (het potentieel bereik/geschatte aantal personen per vierkante meter) is een nauwkeurige maat voor de bepaling van de omvang van het publiek. Als oppervlakte is in de onderhandelingen met marktpartijen (KHN) ooit gekozen voor de bruto oppervlakte omdat deze bekend is via de drank- en horecawetvergunning. ln de prijsstelling is daarbij rekening gehouden dat er sprake is van een bar gedeelte en eventuele looppaden. Omdat een controle mogelijk is via de drank- en horecawetvergunning, is dat voor beide partijen een eenduidige onafhankelijke meting, waardoor er niet steeds per ondernemer een discussie uit kan volgen hoe groot de onderneming is.

De CBO is van oordeel dat de in rekening gebrachte vergoeding een juist evenwicht creëert tussen het belang van de componisten, tekstdichters en uitgevers om een 

vergoeding voor de openbaarmaking van een hun muziekwerken te ontvangen en het belang van de gebruiker om deze muziekwerken onder redelijke voorwaarden te kunnen openbaar maken. Uit het gegeven dat het tarief tot stand is gekomen na onderhandeling met deze brancheorganisaties, kan worden afgeleid dat sprake is van maatschappelijk draagvlak.

Aard en de omvang van het gebruik

De CBO verleent jaarlijks honderdduizenden licenties. De omvang van dit collectief beheer brengt mee dat er ten behoeve van de incasso en de repartitie een beleidsmatige afweging wordt gemaakt tussen kosten en baten. Zoals gezegd, wordt voor openbaar gebruik van muziek een “blanket license” verleend. Bij de vaststelling van de tarieven wordt onder meer rekening gehouden met de rol die de muziek heeft.

Ter zitting heeft de CBO verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

– Het tarief voor de zeer kleine ondernemer was oorspronkelijk het tarief voor de draagbare transistor radio. In 2011 is dat in de onderhandelingen op wens van de Horeca- sector ‘ingeruild’ voor een tarief voor zeer kleine ondernemers. Het was eigenlijk bedoeld voor de snackbar-achtige ondernemers, waar muziek een minder grote rol speelt dan bij cafe’s, maar uiteindelijk wordt het onderscheid alleen gemaakt op basis van de oppervlakte. De CBO wilde voor de zeer kleine ondernemer eigenlijk het tarief voor 100 m² minus een bedrag van 219,85, maar uit de onderhandelingen is een lager tarief gekomen. Het is ook beperkte groep ondernemers die hiervoor in aanmerking komen. 

– Alleen de CBO heeft zo’n tarief voor de zeer kleine ondernemer. Andere Collectieve Beheerorganisaties in Nederland en vergelijkbare Collectieve Beheerorganisaties in de ons omringende landen hebben dat niet. Daar geldt ook voor de zeer kleine ondernemer het basistarief. 

– Het tarief voor ‘online streamen’ is bedoeld voor online diensten die via een website muziek streamen (muziek service providers). Spotify e.d. is gewoon een muziekbron. In de gebruikersovereenkomst van Spotify staat overigens dat de dienst niet zakelijk gebruikt mag worden. 

– Het basistarief is hoger dan de stappen erna, omdat de marktbewerkingskosten bij elke ondernemer hetzelfde zijn. Niet iedereen meldt zich zelf aan. Die basiskosten bedragen dus circa € 300,–. De € 219,85 is voor het muziekgebruik. De vaste kosten zijn niet alleen handhavingskosten, maar ook andere vaste kosten zoals de kosten voor de distributie aan de rechthebbenden, administratiekosten, overheadkosten. De CBO mag maar 15% kosten maken om gelden te innen en te distribueren. 

– Het tarief is een historisch resultaat en een resultaat van onderhandelingen met de markt. De horeca ondernemingen zijn te divers voor een wetenschappelijke onderbouwing naar ‘zoveel personen per m²’. Het onderhandelingsresultaat is om te differentiëren ‘van groot naar klein’. Daarbij is er wel rekening mee gehouden dat de bezoekersintensiteit anders is dan in bijvoorbeeld een winkel. 

– De tarieven in Nederland zijn lager dan in het buitenland; zeker de tarieven met korting. 

– ‘Mijn licentie’ is een wens vanuit de markt, zodat ondernemers maar 1 factuur krijgen.

– De klachtafhandeling had beter gekund. Er zal met het Service Centrum voor Auteurs en Naburige rechten contact worden opgenomen, zodat klachten over het stelsel die bij hen binnenkomen worden doorgestuurd naar de CBO. 

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Bevoegdheid van de commissie

Artikel 4 lid 1 van het reglement van de commissie luidt als volgt: 

“De commissie is op grond van de wet bevoegd geschillen als genoemd in artikel 3, eerste lid te behandelen.” 

Artikel 3 lid 1 van het reglement van de commissie luidt als volgt: 

“De commissie heeft tot taak de beslechting van geschillen in de zin van artikel 22 van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten tussen CBO’s die bij de stichting zijn aangesloten en betalingsplichtigen over de billijkheid van de hoogte en de toepassing van door of namens de CBO’s op grond van de Auteurswet of de Wet op de naburige rechten op of na 1 juli 2013 in rekening gebrachte vergoedingen. Zij doet dit door in een dergelijk geschil een uitspraak te doen of door een schikking tussen partijen te bevorderen.” 

Artikel 22 lid 1 Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten (oud), thans artikel 23 lid 2, luidt als volgt:

“Onze Minister kan een geschillencommissie aanwijzen voor de beslechting van geschillen tussen collectieve beheersorganisaties en betalingsplichtigen over de billijkheid van de hoogte en de toepassing van door collectieve beheersorganisaties in rekening gebrachte vergoedingen, met uitzondering van geschillen over de hoogte van de in de artikelen 15c, 16c en 16h van de Auteurswet bedoelde vergoedingen.” 

De betalingsplichtige maakt bezwaar tegen de door de CBO aan hem in rekening gebrachte vergoeding voor het ten gehore brengen van muziek in zijn horecagelegenheid, omdat het tarief daarvan naar zijn opvatting niet billijk is. Op grond van de voorgaande geciteerde bepalingen is de commissie bevoegd het geschil daarover met de CBO te behandelen.

Toetsingskader

Artikel 25 Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten luidt thans als volgt: 

“De geschillencommissie toetst bij de beoordeling of de hoogte en de toepassing van een in rekening gebrachte vergoeding billijk zijn in ieder geval aan de criteria van artikel 2l, tweede lid.” 

Artikel 2l lid 2 Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten luidt als volgt:

“Licentievoorwaarden zijn gebaseerd op objectieve en niet-discriminerende criteria. Een collectieve beheersorganisatie is niet verplicht licentievoorwaarden die zijn overeengekomen met een gebruiker die een online dienst aanbiedt, als precedent te gebruiken voor andere onlinediensten, indien deze onlinedienst nog geen drie jaar voor het publiek in de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte beschikbaar is. Rechthebbenden ontvangen een passende vergoeding voor het gebruik van de rechten. Tarieven voor exclusieve rechten en rechten op vergoeding zijn billijk in verhouding tot onder meer de economische waarde van het gebruik van de rechten in het handelsverkeer, gelet op de aard en reikwijdte van het gebruik van op grond van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten beschermd materiaal, en in verhouding tot de economische waarde van de door de collectieve beheersorganisatie verstrekte dienst. Collectieve beheersorganisaties stellen de betrokken gebruiker in kennis van de criteria die voor het bepalen van die tarieven zijn gebruikt.” 

De Memorie van Toelichting bij de wijziging (Kamerstukken II, 2014/15, 34 243 nr. 3) vermeldt daarbij:

“Artikel 25 bepaalt welke criteria de geschillencommissie in ieder geval hanteert bij het beoordelen of sprake is van een billijke vergoeding. Artikel 25 is aangepast zodat de geschillencommissie bij de toetsing van de billijkheid van de hoogte en de toepassing van de in rekening gebrachte tarieven in ieder geval toetst aan de criteria die zijn vastgelegd in artikel 2l, tweede lid. Dit artikellid implementeert artikel 16, tweede lid, richtlijn. Daarin is opgenomen dat rechthebbenden een passende vergoeding moeten ontvangen voor het gebruik van rechten en dat tarieven voor exclusieve rechten op vergoeding billijk moeten zijn in verhouding tot onder meer de economische waarde van het gebruik van rechten in het handelsverkeer, gelet op de aard en reikwijdte van het gebruik van rechten en andere materie, en in verhouding tot de economische waarde van de door de collectieve beheersorganisatie verstrekte dienst. De opsomming van de toetsingscriteria blijft niet-limitatief. Dit geeft de geschillencommissie de ruimte om andere criteria te betrekken bij de vraag of een vergoeding billijk is (overweging 31).”

Beoordeling van het geschil

De betalingsplichtige heeft voor de periode 1 juni tot en met 1 december 2018 in eerste instantie een factuur ontvangen van de CBO ter hoogte van € 302,89 (exclusief BTW). Na ontvangst van de klacht van de betalingsplichtige is dat gecorrigeerd tot een bedrag van € 201,94 (exclusief BTW), omdat abusievelijk geen rekening was gehouden met de korting die een betalingsplichtige ontvangt wanneer hij zich uit eigen beweging bij de CBO aanmeldt en direct de daaropvolgende factuur betaalt. Voor het jaar 2019 heeft de betalingsplichtige een factuur ontvangen van € 350,68 (exclusief BTW). De facturen zijn door het Service Centrum voor Auteurs en Naburige rechten (hierna: SCAN), online handelend onder de naam “mijnlicentie.nl”, verstuurd. Met de factuur van SCAN werd ook de licentievergoeding van een andere CBO in rekening gebracht. 

Met de CBO is de commissie van oordeel dat het meeste ideale model is als ieder gebruik van (in dit geval) muziek wordt afgerekend op basis van het feitelijke gebruik. De commissie onderschrijft verder het standpunt van de CBO dat het in situaties als de onderhavige, waar (continu) achtergrondmuziek gedraaid wordt op een bepaalde locatie, het feitelijk ondoenlijk is om het feitelijk gebruik te registreren en af te rekenen. De administratieve lasten voor de CBO en de betalingsplichtige zouden dan onevenredig zwaar zijn. Dat de CBO voor situaties als de onderhavige om die reden een tariefstelsel hanteert waarbij niet op basis van het feitelijk gebruik wordt afgerekend, maar op basis van een grofmaziger criterium, acht de commissie op zichzelf dan ook niet onbillijk. 

De CBO heeft de vergoeding die zij in rekening heeft gebracht bij de betalingsplichtige gebaseerd op het door haar vastgestelde Tarief Mechanische Achtergrondmuziek Horeca. Voor het afspelen van achtergrondmuziek in andere bedrijfslocaties dan horeca-gelegenheden heeft de CBO andere tarieven vastgesteld. Door voor achtergrondmuziek bijzondere tarieven te gebruiken en daarbij rekening te houden met verschillende soorten bedrijfslocaties houdt de CBO rekening met een verschil in aard en reikwijdte van het gebruik van muziek in deze situaties, alsmede met een verschil in economische waarde van dat gebruik. 

In het Tarief Mechanische Achtergrondmuziek Horeca is de hoogte van de vergoeding die door de CBO in rekening wordt gebracht afhankelijk van de oppervlakte van de ruimte waar de muziek te beluisteren is. In het kader van een horecagelegenheid acht de commissie dat een juist uitgangspunt, omdat de oppervlakte van zo’n ruimte inderdaad gerelateerd is aan het aantal personen dat de muziek kan beluisteren. Het tarievenstelsel houdt in die zin rekening met de reikwijdte die het afspelen van muziek in horeca-gelegenheden van verschillende omvang heeft. 

De CBO gaat voor het vaststellen van de licentievergoeding uit van de bruto-oppervlakte van de horecagelegenheid zoals die blijkt uit de drank- en horecawetvergunning van de betalingsplichtige. De commissie kan dat billijken, nu dat een objectief criterium is. Deze handelwijze maak het daadwerkelijk opmeten van de oppervlakte van de horecazaak in beginsel onnodig, wat kostenbesparend werkt. Mocht een betalingsplichtige het niet eens zijn met de in de drank- en horecawetvergunning opgenomen oppervlakte van zijn horecazaak, dan bestaat alsnog de mogelijkheid de mogelijkheid een meting te laten uitvoeren. Naar aanleiding van de klacht van de betalingsplichtige is dat ook gebeurd. Deze handelwijze biedt een goed evenwicht tussen lage uitvoeringskosten en (zo nodig) maatwerk per horecagelegenheid. 

Het Tarief Mechanische Achtergrondmuziek Horeca van de CBO ging voor het jaar 2018 uit van de volgende staffels: 

– bij een oppervlakte t/m 30 m² is de vergoeding € 81,19 (excl. BTW)

– bij een oppervlakte vanaf 31 t/m 100 m² is de vergoeding € 519,24 (excl. BTW)

– voor iedere 100 m² meer geldt een opslag van € 219,85 (excl. BTW)

Voor het jaar 2019 gold eenzelfde staffel met geïndexeerde prijzen. Bovengenoemde prijzen zijn exclusief de maximale korting van 33,3% die verleend wordt bij vrijwillige aanmelding en directe betaling van de factuur van de CBO. 

Hieronder zal worden uitgegaan van de prijzen voor 2018, maar voor 2019 geldt hetzelfde, nu voor dat jaar het stelsel hetzelfde is, zij het met geïndexeerde prijzen.

Bij de betalingsplichtige is een vergoeding in rekening gebracht op basis van bovenstaande staffel, waarbij de CBO is uitgegaan van een oppervlakte van zijn horeca-zaak tussen de 31 en de 100 m². In dat geval bedraagt de te betalen vergoeding op jaarbasis en zonder korting € 519,24. De commissie kan zich voorstellen dat dit niet als een gering bedrag wordt ervaren, maar naar het oordeel van de commissie is het geen onbillijk bedrag. De commissie heeft daarbij meegewogen dat: 1) het te gehore brengen van achtergrondmuziek in de horeca van evident belang is als sfeermaker en in die zin mede het publiek bepaalt dat naar de horecagelegenheid komt; 2) het tarief tot stand is gekomen in onderhandelingen met de Koninklijke Horecabond Nederland, die als voldoende representatief voor de Horeca-sector gezien kan worden; en 3) het tarief in de ons direct omringende landen voor deze oppervlaktecategorie hoger is, zoals door de CBO voldoende is aangetoond. Met de CBO is de commissie van oordeel dat een wetenschappelijke onderbouwing van de tarieven, zoals de betalingsplichtige dat kennelijk wenst, niet van de CBO verlangd kan worden. Daarvoor zijn de verschillen in de horecasector te groot en speelt met name ook mee dat de hoogte van de tarieven een onderhandelingsresultaat is. 

De commissie begrijpt dat het belangrijkste klachtpunt van de betalingsplichtige is dat hij ten opzichte van kleinere en grotere horecagelegenheden te veel moet betalen. De CBO heeft naar het oordeel van de commissie echter voldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrag van € 519,24 (voor 2018) in feite het basistarief is voor achtergrondmuziek in de horeca. In dat tarief zit een component voor het muziekgebruik zelf, dat wordt uitbetaald aan de rechthebbenden, en een kostencomponent. Dat laatste omvat niet alleen handhavingskosten, maar ook andere vaste kosten van de CBO, zoals administratie-kosten, overheadkosten en de kosten voor de uitbetaling van de vergoedingen aan de rechthebbenden. Omdat de vaste kosten bij elke betalingsplichtige min of meer hetzelfde zijn, is een opslag van € 219,85 voor iedere 100 m² verklaarbaar en niet onbillijk. In die opslag zijn namelijk geen vaste kosten meer verwerkt en de opslag betreft in feite alleen een extra vergoeding voor het muziekgebruik zelf.

Het tarief voor een horecazaak kleiner dan 31 m² is weliswaar niet op gelijke wijze verklaarbaar, maar daarvan heeft de CBO voldoende aannemelijk gemaakt dat dit relatief zeer lage tarief een resultaat is geweest van onderhandelingen met de horecasector. Het was wens van Koninklijke Horeca Nederland om de zeer kleine horecazaken en in het bijzonder snackbars, waarin het muziekgebruik een minder grote rol speelt dan in cafés, tegemoet te komen met een extra laag tarief. Hoewel de commissie zich voor kan stellen dat de betalingsplichtige het verschil met het tarief voor horecazaken groter dan 30 m² relatief groot acht, is dat verschil in voorgaande zin verklaarbaar. Dat er een bijzondere tegemoetkoming is gekomen voor de ‘zeer kleine ondernemer‘ maakt ook niet dat het tarief waaronder de betalingsplichtige valt onbillijk is. 

Wat betreft de meting van de oppervlakte van de horecazaak van de betalingsplichtige stelt de commissie vast dat ook bij de meting door de ondernemer zelf de oppervlakte van zijn horecagelegenheid boven de 30 m² is, ook indien daarin bepaalde ruimtes van het pand niet worden meegerekend die door de CBO in haar maatstaf voor de bruto oppervlakte wel worden meegerekend. Of de CBO al dan niet met een geijkt apparaat heeft gemeten, heeft in dat licht verder geen belang. 

De CBO heeft ter zitting voldoende toegelicht dat het tarief voor ‘online streamen’ alleen bedoeld is voor de online diensten die via een website muziek streamen. Dat tarief is derhalve niet van toepassing bij het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in horecagelegenheden, ook niet als dat via een online muziekdienst, zoals bijvoorbeeld Spotify, gebeurd. De online muziekdienst is alleen een van de mogelijke bronnen van de muziek die ten gehore wordt gebracht. De muziekbron is echter irrelevant voor het tarief dat van toepassing is.

De betalingsplichtige heeft zich ook beklaagd over de klachtafhandeling door de CBO. De commissie is van oordeel dat deze inderdaad onvoldoende is geweest, zoals door de CBO ter zitting feitelijk ook is erkend. De betalingsplichtige is nooit op de juiste klachtprocedure gewezen en heeft feitelijk nooit een (volledig) inhoudelijk antwoord op zijn klachten ontvangen, waar hij daar daar wel uitdrukkelijk om heeft gevraagd. De commissie verwijst verder naar haar beslissing van 16 december 2019 waarin de betalingsplichtige in zijn klacht ontvankelijk is verklaard. Omdat de klachtafhandeling door de CBO onvoldoende is geweest, is de commissie van oordeel dat het geschil door de betalingsplichtige op goede gronden aan de commissie is voorgelegd. De commissie acht het daarom billijk dat de CBO aan de betalingsplichtige het aan de commissie betaalde klachtengeld vergoedt. 

Op grond van bovenstaande komt de commissie tot oordeel dat de klacht van de betalingsplichtige ongegrond is voor zover deze ziet op de billijkheid van het tarief. De CBO is echter wel gehouden het door de betalingsplichtige betaalde klachtengeld te vergoeden. 

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de betalingsplichtige verlangde wordt afgewezen. 

De CBO dient het klachtengeld ad € 60,50 aan de betalingsplichtige te vergoeden. 

Aldus beslist door de Geschillencommissie Auteursrechten, bestaande uit de heer prof. mr. P.H. Blok, voorzitter, mevrouw mr. P. Keuchenius en de heer mr. D.K. Aanen, leden, op 28 februari 2020, waarbij de heer mr. S. van Arkel als secretaris fungeerde.

Wordt het geschil niet binnen drie maanden nadat afschrift van de (…) uitspraak van de commissie aan partijen werd verzonden bij de rechter aanhangig gemaakt, dan wordt hetgeen in de uitspraak is vastgesteld na het verstrijken van deze termijn geacht te zijn overeengekomen tussen partijen, in de vorm van een bindend advies.

(artikel 22 Reglement Geschillencommissie Auteursrechten)