Toestemming kind niet gelijk aan toestemming consument

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ENE06-0266

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de omvang van het in rekening gebrachte elektriciteitsverbruik.
 
De consument heeft een bedrag van € 2.164,98 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
 
De consument heeft in mei 2005 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
 
Standpunt van de consument
 
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
 
In 2003 kocht ik een woning op nummer 129. Dat was een slooppand. Ook op nummer 128 staat een oud pand. In mei 2004 werd nummer 129 gesloopt en nadat in juni 2004 een bouwaansluiting was aangebracht, gingen de bouwwerkzaamheden in augustus 2004 van start. In mei 2005 ben ik in de woning gaan wonen. De meter die op 30 juni 2004 is opgehangen, was afkomstig van het pand op nummer 128. Daar is die meter afgenomen op 26 mei 2004. In mei 2005 kreeg ik een afrekening, waarbij omstreeks 14.300 kWh aan elektriciteit in rekening werd gebracht. Dat is volstrekt onmogelijk. Als gezegd ben ik pas in mei 2005 daar gaan wonen. Dat betekent dat het zou moeten gaan om stroom die verbruikt is door de aannemer in de afbouwfase, welke duurde van januari tot april 2005.
Maar gelet op de door deze gebruikte apparaten, kan dat hooguit om omstreeks 2200 kWh gaan. Tijdens de bouw zijn er diverse meters gebruikt. Daar worden wij nu de dupe van. Sinds ik in dat pand woon heb ik een verbruik van, omgerekend, 4000 kWh per jaar, wat mij normaal lijkt.
 
Ik kan niet anders dan concluderen dat er een verkeerde beginstand is genoteerd. Overigens maak ik ernstig bezwaar tegen de handelwijze van de ondernemer die kosten in rekening brengt en afsluitingen doorvoert, daarbij zich toegang verschaffend tot mijn woning waarin enkel mijn achtjarig dochtertje aanwezig was.
 
Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
 
Het is niet zo dat er verschillende meters zijn gebruikt. Daar ben ik overigens pas na geruime tijd achter gekomen. De op 30 juni 2004 geplaatste meter – ik vind het wel heel erg toevallig dat dit nu net de meter was die van nummer 128 afkomstig was – is eerst in een hokje geplaatst als bouwmeter en later is diezelfde meter het huis in gebracht. Ik heb mij later zitten bedenken dat bij de aansluiting als bouwmeter fouten gemaakt kunnen zijn. In die meter zitten spoelen in een bepaalde verhouding. Als dat verkeerd is aangesloten, kan die meter mogelijk harder zijn gaan lopen. Ik woon in een dorp. Ik woonde heel dicht bij de bouw; de aannemer is een buurman. Het is niet voorstelbaar dat anderen illegaal stroom bij ons hebben afgetapt. Dat zie ik bij ons in de buurt niet gebeuren, evenmin als wietplantages of zo. Ook als er heteluchtkanonnen zijn gebruikt, dan nog kom ik niet aan dit verbruik.
Toen het ijken ter sprake kwam, begreep ik dat ik de kosten zou moeten betalen als zou blijken dat die meter toch goed was, en dat in de praktijk slechts bij hoge uitzondering de meter defect blijkt te zijn.
 
Alles bijeengenomen blijf ik toch met het gevoel zitten dat ik het erg onrechtvaardig zou vinden als ik zou moeten betalen voor elektriciteit welke onmogelijk verbruikt kan zijn. Wat het afsluiten van mijn woning betreft: in een dorp als het onze moet het mogelijk zijn dat een kind van acht jaar een kwartier of half uurtje alleen thuis blijft. Juist in die periode zijn de mensen van de ondernemer langs gekomen en hebben de boel afgesloten. Toen mijn vrouw thuis kwam zat mijn dochtertje boven in het donker te huilen. Mijn vrouw belde mij en ik heb direct mobiel naar de ondernemer gebeld. Daar begreep men toch ook wel dat dit niet kon en tweeëneenhalf uur later is de energie weer aangesloten.
 
De consument verlangt verlaging van de rekening.
 
Standpunt van de ondernemer
 
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.
 
Toen de meter uit het slooppand 128 werd afgenomen, is de eindstand genoteerd. De vorige bewoners hebben daarmee ook ingestemd.
Toen vervolgens enkele weken later diezelfde meter werd geplaatst op nummer 129, is de beginstand genoteerd. Degene die toen de beginstand noteerde, had niet de beschikking over de werkbon betreffende het afnemen enkele weken eerder. Wij hebben achteraf gecontroleerd of die standen met elkaar overeen stemden en dat was het geval. De elektriciteit moet dus toch tijdens de bouw zijn afgenomen.
 
Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
 
Wij hebben bij de stukken ook de eindafrekening van de vorige bewoner overgelegd. Overigens geldt daarvoor, dat als de beginstand van die eindafrekening geschat zou zijn, dat niet kan blijken uit deze, doch hooguit uit de daaraan voorafgaande rekening. Uit de beginstand op deze eindafrekening vallen dus niet zonder meer conclusies te trekken. Ik was heel blij dat wij in onze administratie zowel de bon van het afnemen als de bon van het plaatsen, een maand later, hebben kunnen traceren. De standen worden altijd door de monteur direct bij het verwijderen of plaatsen genoteerd. Het is dus niet mogelijk dat de monteur die de meter plaatste, als beginstand zou hebben genoteerd de eindstand welke een maand eerder was opgeschreven: de monteur die de meter plaatste had niet eens toegang tot die gegevens.
 
De procedure in ons bedrijf is aldus, dat als er enkel een jong kind thuis is, onze mensen niet naar binnen gaan. Daar is dus iets misgegaan. Ik maak bezwaar tegen het nieuwe verweer, dat de meter mogelijk verkeerd aangesloten is geweest. In dit stadium kan de consument dat niet meer aanvoeren.
 
Beoordeling van het geschil
 
De commissie heeft het volgende overwogen.
 
Bij een normale koop van hand tot hand, in een winkel, kan de koper aanstonds zien wat hij koopt en hoeveel hij daarvoor betaalt. Bij goederen als de onderhavige echter is dat niet mogelijk en wordt achteraf afgerekend. Daarbij dient de geleverde hoeveelheid te worden vastgesteld door middel van een meter. Dergelijke meters worden – per serie – periodiek getest door onafhankelijke instellingen.
Ofschoon in beginsel – bij verschil van mening – op de leverancier de bewijslast rust van de geleverde hoeveelheid goederen, kan ervan worden uitgegaan dat dit bewijs bij zaken als de onderhavige geleverd kan worden door de meter. Dat is het uitgangspunt van de algemene voorwaarden, dat is de vaste beleidslijn van de commissie en dat is ook redelijk, gelet op de genoemde periodieke typekeuringen, op het feit dat (grote) afwijkingen hoogst uitzonderlijk zijn en op het feit dat een andersluidend uitgangspunt ruimte zou geven voor dusdanige, ook volstrekt ongegronde, verweren van consumenten (waarmee de commissie in dit geval uitdrukkelijk niet bedoelt te stellen dat dit ook voor de onderhavige consument op zou gaan!), dat de meter als bewijsmiddel voor de omvang van de levering, praktisch waardeloos zou worden.
 
Dit beginsel lijdt uitzondering indien na ijking blijkt dat de meter niet deugt. In de praktijk blijkt dit zo zelden het geval te zijn, dat het niet onredelijk is dat ondernemers bedingen slechts bereid te zijn de meter te laten ijken, als dat gebeurt op kosten van ongelijk (zoals ook is neergelegd in de algemene voorwaarden). Dat consumenten, terugschrikkend voor de vrij hoge kosten van ijking, er dan voor kiezen van ijking af te zien, is alleszins begrijpelijk, doch laat het uitgangspunt zoals beschreven in de voorgaande alinea ongewijzigd.
De commissie heeft in het verleden, in hoogst uitzonderlijke gevallen, geoordeeld dat in weerwil van de registratie, de ondernemer daaraan in redelijkheid niet mocht vasthouden indien het ging om dusdanige hoeveelheden dat het praktisch onmogelijk was dat een dergelijk verbruik zou zijn gerealiseerd.
 
De consument stelt dat deze situatie zich voordoet, maar de commissie deelt dit standpunt niet. Het gaat om het verbruik in een periode van 11 maanden, van mei 2004 tot april 2005. Deze periode kan worden verdeeld in twee subperioden: juni tot december en januari tot april. De consument stelt dat het verbruik praktisch geheel moet zijn gerealiseerd in de tweede subperiode. De commissie neemt zonder meer aan dat de consument in deze mededeling volstrekt te goeder trouw is, doch zekerheid dat er in de eerste subperiode geen of vrijwel geen stroom is of kan zijn afgenomen, bestaat zeker niet. Voor de tweede subperiode geldt, dat niettegenstaande de berekeningen van de aannemer, er onvoldoende objectief overzicht bestaat omtrent het verbruik in die periode. Voorts geldt, dat evenmin valt uit te sluiten dat er stroom is weggelekt, welke stroom wel door de meter was gegaan. Tenslotte geldt, dat diezelfde meter het thans goed doet, zodat ook zulks geen aanwijzing geeft voor een afwijking in de registratie destijds.
 
Op grond van de bevindingen van de ondernemer met betrekking tot de genoteerde standen, eerst bij het afnemen van de meter op het vorige adres, en vervolgens het plaatsen van de meter op het nieuwe adres, welke bevindingen zijn gestoeld op door verschillende monteurs opgemaakte werkbriefjes, moet uitgesloten worden geacht dat er een verkeerde beginstand is genoteerd.
 
Terecht heeft de ondernemer er bezwaar tegen gemaakt, dat de consument eerst op de zitting met een aanvullend verweer is gekomen omtrent een mogelijke verkeerde aansluiting. De consument is daarbij overigens niet verder gekomen dan het opperen van mogelijkheden; concrete aanwijzingen omtrent het verkeerd aansluiten van de meter zijn door hem niet gesteld. De klacht van de consument omtrent het binnentreden is gegrond, in zoverre dat dit in strijd is met het eigen beleid van de ondernemer en overigens de commissie van oordeel is dat algemene fatsoensnormen met zich mede brengen dat vreemden een woning, waarvan de deur goedgelovig wordt opengedaan door een vrij jong kind – een handeling waarvan men zich wensen zou, dat deze ook heden ten dage nog probleemloos kan worden verricht – niet binnen gaan, zelfs al is het met “toestemming” van het kind. Overigens zijn de kwalificaties van de consument, die dit optreden als arrogant, slinks, intimiderend en laf betitelt, of het optreden vergelijkt met dat van een ordinaire inbreker, volstrekt misplaatst. Nergens blijkt uit dat de medewerkers zich jegens het bewuste kind zouden hebben misdragen of zich zelfs maar onvriendelijk zouden hebben opgesteld.
 
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is, afgezien van de klacht omtrent het binnentreden. Deze leidt echter niet tot toewijzing van het verzochte.
 
Beslissing
 
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
 
Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag van € 2.164,98 als volgt verrekend.
 
Het depotbedrag wordt uitbetaald aan de ondernemer.
 
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie en Water op 24 april 2006.