Verschil tussen opzeggen lopende overeenkomst en annuleren. Opzegging bij prijsverhoging

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Waterrecreatie    Categorie: HISWA-voorwaarden Huur en Verhuur Lig- en/of Bergplaatsen    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: WAT-990009

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit de overeenkomst d.d. 3 mei 1998 tot huur van een ligplaats voor de speedboot van de consument over de periode 1 april tot 1 oktober 1998 voor het bedrag van ƒ 650,–, bestaande uit ligplaatskosten van ƒ 500,– en een milieutoeslag van ƒ 150,–.   De consument heeft zijn klacht op 27 januari 1999 schriftelijk aan de ondernemer voorgelegd.   De consument heeft een bedrag van ƒ 275,– niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak.   Op 2 januari 1999 heeft de ondernemer een factuur gezonden voor de ligplaats in het seizoen 1999 ten bedrage van ƒ 700,–, bestaande uit ligplaatskosten van ƒ 500,–, een milieutoeslag van ƒ 175,– en administratiekosten van ƒ 25,–. Deze factuur is ten opzichte van het vorige seizoen met ƒ 50,– verhoogd: de milieutoeslag is ƒ 25,– hoger en de administratiekosten van ƒ 25,– waren voorheen niet berekend. De ondernemer heeft deze verhoging te laat doorgegeven, namelijk niet binnen 3 maanden voor het begin van de nieuwe huurperiode, zoals is voorgeschreven in artikel 10 lid 3 van de [branche]-voorwaarden. Naar aanleiding van deze verhoging heeft de consument op 6 januari 1999 laten weten dat hij in het seizoen 1999 geen gebruik meer van de ligplaats wil maken.   De ondernemer heeft op 12 januari 1999 een creditnota van ƒ 425,– gestuurd. Dit betekent dat nog een bedrag van ƒ 275,– open staat, bestaande uit 50% van de nieuwe huurprijs ad ƒ 250,– en de administratiekosten ad ƒ 25,–. De consument is van mening dat hij geen kosten verschuldigd is omdat hij tijdig heeft opgezegd. Volgens artikel 10, derde lid, van de [branche]-voorwaarden was hij immers gerechtigd de overeenkomst binnen 15 dagen na kennisname van de huurverhoging op te zeggen.   De verhoging is geen gevolg van een wijziging van belastingen, heffingen e.d. als bedoeld in artikel 10 lid 3, aangezien uit navraag bij de gemeente blijkt dat de verhoging niet aan de gemeente wordt afgedragen. Volgens de ondernemer wordt de milieuheffing afgedragen aan andere instanties, doch de consument acht dat onaannemelijk. Daarbij zouden reeds de administratiekosten een verhoging zijn op grond waarvan de huurder binnen 15 dagen na kennisgeving kan opzeggen.   De consument verlangt dat de overeenkomst voor het seizoen 1999 ongedaan wordt gemaakt en dat hij geen 50% van de huursom hoeft te betalen.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak.   –  Er is geen sprake van een huurverhoging; voor de ligplaats is zowel in 1998 als in 1999 ƒ 500,– berekend. Wel is de milieutoeslag met ƒ 25,– verhoogd. Dit is echter een gevolg van een wijziging van belastingen, heffingen e.d. als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de [branche]-voorwaarden. De milieuheffingen worden namelijk afgedragen aan waterschappen, WOB, PNEM etc. De administratiekosten van ƒ 25,– zijn voorheen niet berekend omdat de consument geen nota hoefde.   Nu de consument heeft geannuleerd tussen drie maanden en twee weken vóór de aanvang van de huurperiode, is hij ingevolge artikel 5 lid 2 van de [branche]-voorwaarden 50% van de huurprijs van het komende seizoen verschuldigd.   De ondernemer heeft ter incassering van de factuur een deurwaarderskantoor ingeschakeld en een rechterlijke procedure aangespannen bij [de kantonrechter], doch deze procedure is inmiddels ingetrokken.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Allereerst merkt de commissie op dat de [branche] Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur Lig- en/of Bergplaatsen twee verschillende regelingen bevatten voor het opzeggen van huurovereenkomsten:   Artikel 5 (annulering), waarop de ondernemer zich beroept; Artikel 10 (duur en verlenging), waarop de consument zich beroept.   Artikel 5 heeft betrekking op de situatie dat voor de eerste maal een overeenkomst is gesloten en de consument zich wenst terug te trekken. De consument is in dat geval bij te late opzegging (minder dan 3 maanden voor de aanvang van de huurperiode) annuleringskosten verschuldigd, waarvan de hoogte afhankelijk is van het moment van opzegging. Zoals blijkt uit artikel 5 lid 1 is deze regeling alleen van toepassing indien het gaat om een eerste overeenkomst. Artikel 10 betreft de voortzetting van lopende overeenkomsten. In dat geval geldt dat de consument bij te late opzegging (minder dan 3 maanden voor de aanvang van de nieuwe periode) aan een nieuwe periode gebonden is; de oude overeenkomst wordt in dat geval geacht op dezelfde voorwaarden te zijn voortgezet. Zoals blijkt uit artikel 5 lid 4, is artikel 10 van toepassing indien tussen de ondernemer en de consument reeds gedurende een langere tijd (één of meer periodes) een overeenkomst heeft bestaan.   In dit geval heeft tussen de ondernemer en de consument in het afgelopen jaar reeds een overeenkomst bestaan. De commissie is daarom van oordeel dat artikel 10 van toepassing is.   Ingevolge de eerste zin van artikel 10 lid 3 dient de ondernemer een wijziging van de huursom door te geven binnen 3 maanden voor de aanvang van de nieuwe periode, zijnde in dit geval vóór 1 januari 1999. De ondernemer heeft de verhoging pas op 2 januari 1999 doorgegeven, derhalve inderdaad te laat.   Dit neemt niet weg dat de consument, indien er sprake is van een wijziging van de huursom, ingevolge de tweede zin van artikel 10 lid 3 gerechtigd is de overeenkomst binnen 15 dagen na ontvangst van dat bericht op te zeggen. In dit geval heeft de consument de overeenkomst opgezegd op 6 januari 1999, derhalve binnen 15 dagen nadat hij van de verhoging in kennis was gesteld. Dit betekent dat de consument de overeenkomst tijdig heeft opgezegd, zodat hij voor de nieuwe periode geen kosten verschuldigd is.   Volgens de derde zin van artikel 10 lid 3 bestaat deze opzegmogelijkheid niet ‘indien de huursom wordt gewijzigd naar aanleiding van een lastenverzwaring aan de zijde van de verhuurder als gevolg van een wijziging van belastingen, heffingen en dergelijke die mede de huurder betreffen’. Daarmee wordt gedoeld op externe kosten, derhalve kosten die door externe instanties, zoals de overheid, rechtstreeks aan de ondernemer worden berekend en die door de ondernemer worden doorberekend. De commissie acht het niet aannemelijk dat het hier gaat om een verhoging die rechtstreeks is doorberekend. Een milieuheffing wordt immers doorgaans door de gemeente in rekening gebracht ofwel via de onroerende zaakbelasting, ofwel via de rioolheffing. De commissie is daarom van oordeel dat deze verhoging niet valt onder bovenbedoelde externe kosten. De administratiekosten vallen evenmin onder deze externe kosten. Dit betekent dat de consument gerechtigd was de overeenkomst op te zeggen, zonder kosten verschuldigd te zijn.   De commissie acht het argument van de ondernemer dat er geen sprake is van een huurverhoging omdat de ligplaatskosten zelf gelijk zijn gebleven, onjuist. De betreffende verhoging valt wel degelijk onder een wijziging van de huursom als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de [branche]-voorwaarden.   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.   Beslissing   De consument is de door de ondernemer gezonden factuur ter zake van de ligplaats in 1999 niet verschuldigd.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten verschuldigd van ƒ 325,– en dient hij het klachtengeld ad ƒ 150,– aan de consument te vergoeden.   De commissie bepaalt dat het door de consument gedeponeerde bedrag van ƒ 275,– zal worden terugbetaald aan de consument.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie op 16 november 1999.