Voorwaarden drinkwater. Vastrecht voor brandblusvoorziening

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Water    Categorie: Tariefbepalingen    Jaartal: 2012
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: OPN-D02-0039

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de jaarafrekening van het waterverbruik over het jaar 2000.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument heeft zijn klacht omstandig toegelicht met uitgebreide correspondentie die hij met de ondernemer en de gemeente ### heeft gevoerd.
In hoofdzaak is zijn standpunt dat met ingang van 1 januari 2001 ten onrechte door de ondernemer vastrecht in rekening wordt gebracht (destijds ƒ 24,– per jaar) voor brandblusvoorzieningen, zulks in verband met de aanleg en het onderhoud van de infrastructuur voor openbare nutsvoorzieningen wat volgens hem een overheidstaak is.

De verlaging van de kubieke meterprijs van ƒ 0,08 weegt daar niet tegenop, omdat die is gebaseerd op een gemiddeld verbruik van circa 160 kubieke meter per jaar, terwijl de consument, die juist zuinig met watergebruik omgaat, een gemiddeld gebruik heeft van circa 80 kubieke meter. De consument is dus ook nog duurder uit dan voorheen.

De consument vindt het principieel onjuist dat extra kosten van de brandweer, die via de gemeentelijke belastingen moeten worden geïnd, door het waterleidingbedrijf worden geïncasseerd. Door de heffing van het vastrecht van 1 januari 2001 is hij erachter gekomen dat in het verleden ook dergelijke voorzieningen aan hem in rekening werden gebracht, maar dat die in de kubieke meterprijs werden verrekend. Omdat dat pas onlangs aan het licht is gekomen wil hij de ten onrechte geïnde gelden van ƒ 0,15 per kubieke meter voor 1 januari 2001 terugbetaald zien. Tenslotte ontkent de consument dat hij een overeenkomst heeft met de ondernemer en dat hij niet aan de Algemene Voorwaarden van de ondernemer is gebonden.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Ook de ondernemer heeft reeds uitvoerig verweer gevoerd, laatstelijk bij brief van 20 juni 2002.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Voordat de waterleidingbedrijven zijn geprivatiseerd, vormden de nutsbedrijven en de verschillende gemeenten één organisatorisch en financieel geheel. Alle nutsvoorzieningen en alle gemeentelijke voorzieningen werden door de gemeente doorberekend aan de individuele burgers van de betreffende gemeenten.

Sinds 1990 zijn alle waterleidingbedrijven geprivatiseerd en verzelfstandigd. Deze tendens was overigens al eerder ingezet, maar in 1990 is in het zuidoostelijk deel van de provincie Zuid-Holland het laatste gemeentelijke waterbedrijf ondergebracht in een NV (NV WZHO). De gemaakte kosten voor voorzieningen met betrekking tot de levering van drinkwater en de daarmee samenhangende kosten zijn vanaf dat moment door de betreffende waterleidingbedrijven aan de burger in rekening gebracht.
Brandblusvoorzieningen omvatten de voorzieningen die getroffen zijn ten behoeve van de brandweer om hen in staat te stellen op adequate wijze een optredende calamiteit te bestrijden. Deze voorzieningen bestaan uit (een overdimensionering van) leidingen en aansluitpunten (brandkranen).

De openbare brandblusvoorziening is derhalve een openbare voorziening. Deze voorziening bestaat er voor iedereen. Het is een collectieve voorziening die binnen iedere gemeente aanwezig is en door de ondernemer binnen haar verzorgingsgebied wordt aangelegd en onderhouden. Voor de aanleg en instandhouding worden door de ondernemer kosten gemaakt. De kosten voor de overdimensionering van de benodigde leidingen zijn altijd rechtstreeks aan de individuele burger doorberekend. Vroeger werd dat gedaan door de gemeente en sinds de privatisering is dat gedaan door het waterleidingbedrijf. De onderneming en haar rechtsvoorgangers hebben dit tot 1 januari 2001 gedaan door verrekening van deze kosten in de kubieke meterprijs van ƒ 0,15 per kubieke meter. De kosten terzake de brandkranen worden apart door de ondernemer in rekening gebracht aan de gemeente en dit geldt zowel voor de (eenmalige) kosten voor het plaatsen, als voor het onderhoud. In deze zaak gaat het om de aanleg- en onderhoudskosten met betrekking tot de overdimensionering van de leidingen voor de brandblusvoorzieningen.
Sinds 1 januari 2001 hanteert de ondernemer een nieuw prijsstelsel. Voorheen werden de kosten voor de overdimensionering en het onderhoud in de kubieke meterprijs verrekend. Na zorgvuldige afweging is besloten tot aanpassing van het prijsstelsel over te gaan. Daaraan liggen de volgende beslissingen ten grondslag:
a. Vaste kosten zijn vast. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de vaste kosten (de kapitaalslasten leidingnet) niet als variabel geboekt moeten worden. De kosten terzake de openbare brandblusvoorzieningen zijn vast en niet variabel. Dat betekent dat de kosten worden toegerekend aan het vaste gedeelte en niet langer worden verrekend in de variabele kubieke meterprijs.
b. Transparantie van kosten is wenselijk en daarom is er voor gekozen deze kostenpost nu expliciet in de factuur te noemen. Op die manier draagt de ondernemer bij aan het bereiken van de doelstelling dat duidelijk wordt gemaakt dat de kosten gedragen worden door degene voor wie de kosten worden gemaakt.

De aanpassing van het prijsstelsel heeft ertoe geleid dat de kosten voor de brandblusvoorzieningen nu aan iedere afnemer van drinkwater door middel van een vast bedrag in rekening worden gebracht waar tegenover logischerwijs een verlaging van de variabele prijs per kubieke meter staat.
Het vaste bedrag is gebaseerd op het verbruik van een gemiddeld huishouden dat neerkomt op 160 kubieke meter per jaar. Dat leidt tot een prijsverlaging van het variabele tarief van ƒ 0,15 per kubieke meter tegen een vaste jaarlijkse bijdrage van ƒ 24,–. De bedragen zijn door het KIWA gekwantificeerd en de uitgangspunten zijn geverifieerd door het Nederlands Economisch Instituut (NEI). De berekening is gemaakt op basis van de collectiviteit. Uitgangspunt is de gemiddelde afnemer. Met afwijkingen naar boven en afwijkingen naar beneden is geen rekening gehouden. In de situatie van de consument, die een minder dan gemiddeld verbruik heeft, pakt dit weliswaar voor hem financieel wat minder gunstig uit, maar in andere gevallen zal de omgekeerde situatie zich voordoen.
Alle gemeenten binnen hun verzorgingsgebied, ook de gemeente ### waarin consument woont, zijn aandeelhouder van de ondernemer. In de algemene vergadering van aandeelhouders van de ondernemer zijn dus alle betrokken gemeenten vertegenwoordigd. In hun hoedanigheid als aandeelhouder behartigen zij het algemeen belang. In juni 2000 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders een beslissing genomen omtrent de openbare brandblusvoorzieningen. Bij de beraadslagingen daarover is zorgvuldig gekeken naar de wijze waarop de kosten verbonden aan de brandblusvoorzieningen moeten worden afgerekend. Uiteindelijk is besloten voor een vaste heffing per aansluiting. Aan de ondernemer is de uitvoering daarvan opgedragen. Voorts is besloten de heffing afzonderlijk zichtbaar te maken op de nota.

De ondernemer is van mening dat de stelling van de consument dat het zuiverder zou zijn indien de facturen met betrekking tot de brandblusvoorzieningen door de gemeente waren verstuurd, in het kader van de ingediende klacht niet kan worden gevolgd. De algemene vergadering van aandeelhouders heeft een beslissing genomen en deze beslissing is door de ondernemer uitgevoerd. Financieel maakt het voor de consument overigens niet uit wie deze kosten aan hem in rekening brengt. De ondernemer is van mening dat de klacht moet worden afgewezen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In deze zaak staat de vraag centraal of de ondernemer aan haar afnemers een vaste brandblustoeslag in rekening mag brengen voor de aanleg- en onderhoudskosten met betrekking tot de overdimensionering van de leidingen voor de brandblusvoorzieningen en zo ja of het bedrag van ƒ 24,– per jaar met ingang van 1 januari 2001 redelijk is.
Tussen de consument, die sedert medio 1990 afnemer is van (de rechtsvoorganger van) de ondernemer en de ondernemer bestaat een overeenkomst waarop de Algemene Aansluitvoorwaarden van het Drinkwater van de ondernemer van toepassing zijn. Deze Algemene Voorwaarden zijn gebaseerd op de modelvoorwaarden Drinkwater van de HEWIN. De consument is als gebruiker daaraan gebonden.
De algemene vergadering van aandeelhouders van de ondernemer, waarin alle betrokken gemeenten (ook de gemeente Ridderkerk waarin de consument woont) zijn vertegenwoordigd, heeft de bevoegdheid de tarieven, alsmede bedragen voor vastrecht vast te stellen. Aandeelhouders (lees de gemeente) behartigen het publieke belang. Tot januari 2001 hebben de aandeelhouders besloten de kosten van brandblusvoorzieningen voor ƒ 0,15 in het variabele tarief per kubieke meter te berekenen en de ondernemer deze bedragen te laten innen. Ook toen hadden de aandeelhouders daartoe de bevoegdheid. Met ingang van 1 januari 2001 is besloten tot meer transparantie in de opbouw van de tarieven te komen en zijn de kosten verbonden aan de brandblusvoorzieningen via een vaste heffing per aansluiting vastgesteld. Gebleken is dat dit besluit op zorgvuldige wijze is genomen en dat de aandeelhouders hun bevoegdheid niet hebben overschreden.
De hoogte van het vastrecht (dat wil zeggen dat uitgegaan wordt van een gemiddeld verbruik van circa 160 kubieke meter per jaar) is niet onredelijk, nu op basis van het collectiviteitbeginsel de kosten in rekening zijn gebracht.
De commissie is dan ook van oordeel dat de vaststelling van het vastrecht van genoemde brandblusvoorzieningen op goede gronden is genomen, dat de tarieven door middel van de brochure "Uw waternota, prijzen 2002" en in de brochure "De prijs van water, prijzen voor de consument per 1 januari 2001" duidelijk zijn aangegeven en aan de consumenten bekend zijn gemaakt. Voorts acht de commissie het tarief van ƒ 24,– per jaar niet buitensporig. De consument is aan dit tarief gebonden en dient het vastrecht dus te betalen. Hetzelfde geldt voor de kosten van brandblusvoorzieningen die voor 1 januari 2001 in de variabele kubieke meterprijs van het door de ondernemer geleverde water waren verdisconteerd. Recht op terugbetaling komt de consument niet toe.

De conclusie is dat de klacht niet gegrond is.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven op 31 juli 2002.