Wel of geen nieuw verblijf, huur moet volgens overeengekomen termijn betaald worden

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 33085/36843

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument is een huurcontract aangegaan met de ondernemer. Toen de consument het contract wilde verlengen, bleek de stacaravan per 1 augustus 2020 al aan een ander verhuurd te zijn. De consument stelt dat het zijn hoofdverblijf is, waardoor hij met spoed een nieuw verblijf heeft gezocht. Een nieuw verblijf is gevonden per 1 juli 2020, echter geeft de ondernemer aan dat de consument tot 1 augustus 2020 de huur moet betalen. De consument vindt dit onredelijk, aangezien hij anders dubbel betaald. De ondernemer geeft aan dat de consument op grond van de Recron-voorwaarden de huur moet betalen over de volledige periode waarvoor de huurovereenkomst is aangegaan, in dit geval tot 1 augustus 2020. Daarnaast is het niet mogelijk dat de consument de caravan als hoofdverblijf gebruikt, aangezien de ondernemer een recreatiepark is waarbij permanente bewoning niet mogelijk is. De commissie oordeelt dat de ondernemer gelijk heeft en dat de consument op grond van de geldende Recron-voorwaarden de huur tot 1 augustus 2020 moet betalen. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de huur over de maand juli 2020, voortvloeiende uit de huurovereenkomst inzake de huur van een stacaravan op het terrein van de ondernemer.

De consument heeft een bedrag van € 1.195,– niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Bij het aangaan van het huurcontract (lange periode) is verteld dat verlengen mogelijk was. Bij mijn verzoek tot verlengen bleek het verblijf echter onverwacht verhuurd per 1 augustus 2020. Aangezien het mijn hoofdverblijf is, ging ik met spoed op zoek naar een nieuw verblijf. Dit heb ik per 1 juli 2020 gevonden. De ondernemer vraagt betaling van de huur tot 1 augustus 2020. Dit vind ik niet redelijk, omdat ik door de onverwachte verhuur door de ondernemer snel op zoek moest naar een ander onderkomen en daardoor beperkte opties had.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument tekent op 10 december 2019 een huurovereenkomst voor het huren van een stacaravan vanaf 25 januari tot 31 juli 2020. Op eerstgenoemde datum betrekt de consument de gehuurde stacaravan en op 1 april 2020 stuurt hij een e-mail waarin hij vraagt of het mogelijk is om zijn verblijf na 31 juli 2020 te verlengen.

Op 1 april 2020 mailen wij de consument terug dat al onze verhuurcaravans (5 in totaal) zijn verhuurd na 31 juli 2020 en dat verlenging dus niet mogelijk is.

Op 11 mei 2020 vraagt de consument wat de opzegtermijn is van de gehuurde caravan, aangezien hij wellicht eerder wil vertrekken. Wij hebben hem laten weten dat er ingevolge de RECRON-voorwaarden geen opzegtermijn is, aangezien er voor een bepaalde periode, namelijk van 25 januari tot 31 juli 2020, een huurovereenkomst is en er volgens die voorwaarden geen restitutie mogelijk is. Ingevolge de eerdergenoemde voorwaarden is de consument bij tussentijdse beëindiging namelijk de volledige huursom verschuldigd over de periode waarvoor hij de stacaravan heeft gehuurd, zo is ons ook bevestigd door de RECRON.

De consument claimt dat de door hem gehuurde caravan zijn hoofdverblijf is, maar hiervan kan nooit sprake zijn, aangezien wij een recreatiepark zijn en er van (permanente) bewoning geen sprake is.

Wij verzoeken de commissie om de huursom voor de maand juli, te weten een bedrag van € 1.195,–, aan ons toe te wijzen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 3 van de RECRON-voorwaarden eindigt de huurovereenkomst van rechtswege na de verstrijken van de overeengekomen periode zonder dat daartoe opzegging is vereist. Ingevolge artikel 8 van de RECRON-voorwaarden (voortijdig vertrek van de consument) is de recreant de volledige prijs voor de overeengekomen tariefperiode verschuldigd.

Vaststaat dat de consument een stacaravan heeft gehuurd bij de ondernemer voor een bepaalde periode, te weten van 25 januari tot 31 juli 2020. Nadat de consument de ondernemer had gevraagd of hij zijn verblijf in de caravan kon verlengen en hij daarop een ontkennend antwoord had ontvangen, is hij op zoek gegaan naar een andere accommodatie. Die heeft hij naar zijn zeggen gevonden per 1 juli 2020. In het licht daarvan vindt de consument het niet redelijk dat hij de huur over de maand juli 2020, voortvloeiende uit de huurovereenkomst met de ondernemer inzake de huur van een stacaravan op het terrein van de ondernemer, nog moet betalen.

Gelet op de eerdergenoemde artikelen van de RECRON-voorwaarden heeft de ondernemer zich naar het oordeel van de commissie terecht op het standpunt gesteld dat de consument de huur dient te betalen over de volledige periode waarvoor hij met de ondernemer een huurovereenkomst is aangegaan. Dat de consument per 1 juli 2020 een ander onderkomen heeft gevonden, maakt dat niet anders.

Op grond van het voorgaande zal de klacht ongegrond verklaard worden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond, zodat het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.

Het bedrag van € 1.195,– komt aan de ondernemer toe.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp, mevrouw mr. J.M. Huysman-Hartkamp, leden, op 12 november 2020.