Zorgaanbieder had eerste contactpersoon moeten raadplegen voor informed consent

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 54829/71767

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte was opgenomen in het ziekenhuis van de zorgaanbieder en volgens de klager heeft de zorgaanbieder tijdens de behandeling niet zorgvuldig en goed gehandeld. Zo werd er gebrekkig gecommuniceerd met de familie en klager, was er geen overleg met de klager over het behandelbeleid en de verwachtingen en is de zorgaanbieder tekort geschoten in de verpleegkundige zorg aan de cliënte. De klager eist een schadevergoeding. Volgens de zorgaanbieder is er wel zorgvuldig gehandeld in de behandeling van de cliënte en is er dagelijks, duidelijk met de familie en de klager gecommuniceerd over het verloop van de behandeling. De commissie oordeelt dat de cliënte al een zwakke gezondheid had toen ze werd opgenomen en dat de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld in de behandeling. Wel is de zorgaanbieder tekortgeschoten in de communicatie met de klager en de familie. Aangezien de cliënte niet zelf in staat was om informed consent te geven, had de zorgaanbieder de klager, als eerste contactpersoon, moeten raadplegen. De klacht is ten dele gegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Klager], nabestaande van [cliënte]

en

Admiraal De Ruyter Ziekenhuis B.V., gevestigd te Goes
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 13 januari 2022 te Den Haag.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. Namens de zorgaanbieder waren aanwezig [naam], internist, en [naam].

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de medische behandeling aan cliënte en het gebrek aan communicatie met de familieleden.

Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Van 28 augustus 2019 tot en met 13 september 2019, is cliënte opgenomen geweest op de afdeling interne geneeskunde. De klachten van klager gaan over gebrekkige informatie en overleg met klager over het behandelingsbeleid en de verwachtingen, tekortkomingen in de verpleegkundige zorg aan cliënte gedurende de opname, als volgt:

– Gedurende de opname van cliënte was er nauwelijks overleg met en/of uitleg aan de familie. Dag en nacht was klager aanwezig dus er waren voldoende mogelijkheden om een gesprek te voeren;
– Al aan het begin van de opname had klager het gevoel dat de hoop op verbetering van de lichamelijke gezondheid van cliënte vrijwel direct was opgegeven. Er is medegedeeld dat cliënte niet meer beademd en/of gereanimeerd zou worden als haar lichamelijke problemen zouden toenemen. Er is geen uitleg en/of overleg geweest over deze beslissing. Klager heeft het meenemen van de familie in het proces, om te komen tot dit besluit, ernstig gemist.
– Meerdere malen zijn er door klager zorgen uitgesproken over de lichamelijke problemen van cliënte en hoe ze behandeld werd. Die zorgen zijn geuit aan verpleegkundigen op de afdeling en aan artsen die visite kwamen lopen bij cliënte. Helaas kreeg klager zelden een helder antwoord en werd steevast verwezen naar [internist 1] die als hoofdbehandelaar het behandelbeleid bepaalde. Helaas sprak klager [internist 1] nooit persoonlijk om uitleg aan hem te vragen en/of te overleggen over andere mogelijkheden.
– Ondanks het uitspreken van zijn zorgen over het behandelbeleid, met name het blijven toedienen van vocht per infuus, bleef acht dagen veel vocht toegediend. De lichamelijke conditie van cliënte ging zienderogen achteruit. Ze kreeg ernstig oedeem in benen, armen, rug, flanken en buik. Klager is ervan overtuigd dat, door toediening van het vele vocht per infuus, cliënte cardiaal is gedecompenseerd, ernstige problemen kreeg met haar longen waardoor uiteindelijk ook problemen zijn ontstaan met haar nieren en lever. Zijn mening wordt ondersteund door de conclusie in het obductierapport waarin staat dat de directe aanleiding voor het overlijden van cliënte de forse vochttoediening was, temeer daar cliënte ook COPD had.
– Klager zag dat het steeds slechter ging met cliënte en heeft meerdere malen zijn zorgen geuit en zijn twijfels uitgesproken of de gestarte behandeling wel de juiste was voor cliënte. Er veranderde niets aan het behandelbeleid. Ook werd klager niet geïnformeerd over hoe het met cliënte ging, niet door artsen maar ook niet door verpleegkundigen van de afdeling.
– Cliënte was erg ziek, had veel lichamelijke problemen en verkeerde in een slechte lichamelijke conditie. Daarnaast was cliënte erg verward; had een delier door de lichamelijke problemen die waren ontstaan. Plotseling werd er gezegd dat ze zou worden ontslagen uit het ziekenhuis. Klager begreep niets van deze mededeling. Klager zag cliënte alleen maar slechter worden en helemaal niet in staat om naar huis te gaan.
– De mededeling dat cliënte zou worden ontslagen werd klager verteld door een verpleegkundige van de afdeling. Tot die tijd had klager nog steeds geen uitleg van/en of overleg gehad met een arts over de slechte gezondheid van cliënte.
Dat was het moment waarop klager een gesprek heeft geëist met [internist 1] In dit gesprek heeft klager zijn zorgen en klachten geuit. In klagers beleving was [internist 1] onverstoorbaar omdat hij niet inhoudelijk reageerde op deze zorgen en de klachten. Hij voelde zich niet aangesproken. Klager vindt dit getuigen van onvoldoende professionaliteit. Als hoofdbehandelaar was hij verantwoordelijk voor de behandeling van cliënte én verantwoordelijk voor de beslissing om cliënte te ontslaan uit het ziekenhuis. Klager vindt dat degene die verantwoordelijk is voor beslissingen ook verantwoordelijk is voor het geven van uitleg over die beslissingen. Ook bij het ontslag van cliënte is klager niet meegenomen in het proces waarin tot een besluit is gekomen om cliënte met ontslag te sturen.
– Pas na dit gesprek is er een longfoto en echo van haar bovenbuik gemaakt. Klager vindt het erg zorgelijk dat hij zélf heeft moeten uitleggen hoe cliënte achteruitging. Ondanks de slechte uitslagen van de onderzoeken is na een aantal dagen cliënte alsnog naar huis gestuurd. Ten tijde van het ontslag was cliënte in een zeer slechte lichamelijke conditie. Een maand later is cliënte weer opgenomen en op 9 oktober 2019 is ze overleden. Klager is ervan overtuigd dat door een verkeerd behandelbeleid het lichaam van cliënte onherstelbare schade heeft geleden en dat cliënte uiteindelijk daardoor vroegtijdig is overleden.

Op 10 juli 2020 heeft klager een gesprek gehad met de klachtenfunctionaris, [internist 1] (hoofdbehandelaar en internist) en [internist 2] (internist). Dit gesprek vond plaats als vervolg op zijn klachten met betrekking tot de behandeling, beleid, zorg en communicatie tijdens opname van cliënte in het ziekenhuis.
Tijdens dit gesprek heeft klager sterk het gevoel gekregen dat [internist 1] als hoofdbehandelaar geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de zorg en behandeling van cliënte omdat alle visites aan cliënte door andere dienstdoende artsen zouden zijn gedaan. Omdat [internist 1] verwijst naar zijn collega artsen en niet helder zegt welke rol hij zelf had in het behandelingsplan van cliënte – terwijl hij dit behandelingsplan heeft opgesteld – voelt klager zich niet serieus genomen in zijn klachten.

Op 10 juli 2020 heeft [internist 1] klager een brief geschreven, waarin hij stelt dat er medisch goed gehandeld is en dat het overlijden van cliënte eerder het gevolg is van onderliggend lijden dan van een verkeerd medisch beleid. Klager betreurt het zeer dat er geen (h)erkenning wordt uitgesproken over het verkeerde medische beleid waardoor cliënte uiteindelijk is overleden en dat er in de schriftelijke reactie nauwelijks wordt ingegaan op de tekortkomingen die klager heeft ervaren in de communicatie met [internist 1] gedurende de ziekenhuisopname van cliënte.

Klager verzoekt zijn klachten gegrond te verklaren en betaling van € 5.000,– als zijnde een schadevergoeding voor materiële en immateriële schade.

Ter zitting heeft klager zijn klachten nader toegelicht.
Klager wist bij de opname van cliënte dat zij op dat moment een zeer slechte gezondheid had. Dat er een niet-reanimeren beleid zou worden gevoerd bij ernstige verslechtering van de gezondheidssituatie, zoals hartfalen, was voor klager volstrekt duidelijk. Het probleem was echter dat er met betrekking tot de behandeling in het geheel geen beleid werd gevoerd anders dan het toebrengen van vocht om uitdroging te voorkomen. Klager neemt het de zorgaanbieder kwalijk dat geen enkele arts de behandelingsverantwoordelijkheid heeft genomen. Dagelijks stonden er nieuwe artsen aan het bed van cliënte die geen medisch inhoudelijke vragen konden beantwoorden en slechts doorverwezen naar [internist 1] als zijnde de eindverantwoordelijke die het beleid had uitgezet. Klachten van klager over het infuusbeleid – cliënte raakte overvuld, zichtbaar door oedeem en vocht dat uit wonden liep – werden niet opgevolgd. Pas op dag 8 werd na lang aandringen een longfoto gemaakt en een echo van de bovenbuik waaruit bleek dat cliënte overvuld was, waarna vocht afdrijvende middelen zijn toegediend om cliënte meer in evenwicht te brengen. Klager verwijt de zorgaanbieder dat deze niet met een klinische blik naar cliënte heeft gekeken maar zich uitsluitend heeft gericht op het toebrengen van vocht.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

1. Verweer met betrekking tot tekortkomingen in de communicatie over de behandeling van cliënte en het niet door de zorgaanbieder ingaan op de klachten die klager gedurende de opnameperiode heeft geuit.

Vooropgesteld dient te worden dat arts [internist 1] nooit op enige manier de intentie heeft gehad als ongeïnteresseerd of niet betrokken over te komen.
Klager geeft aan dat nauwelijks overleg is geweest tussen de zorgverlener(s) en de familie gedurende de opname van de cliënte en niet is geïnformeerd over de medische conditie van cliënte en eventuele verbeteringen of verslechteringen. De zorgaanbieder betreurt dat klager en zijn familie dit als zodanig hebben ervaren. Echter, het is voor de zorgaanbieder niet begrijpelijk dat klager zich op dit standpunt stelt. Iedere dag is bij cliënte een internist langs geweest en is ook de familie geïnformeerd over de toestand van cliënte, zo blijkt uit de aantekeningen in het medisch dossier van de internisten gedurende opname periode. De zorgaanbieder heeft juist meer tijd aan cliënte en haar familie besteed dan normaliter aan een patiënt wordt besteed. Klager lijkt te veronderstellen dat arts [internist 1] gedurende de hele opnameperiode hoofdbehandelaar is geweest van cliënte. Deze aanname is onjuist. De afdeling interne geneeskunde heeft het beleid dat de internist die de visites loopt en daarmee fysiek op de afdeling aanwezig is, de hoofdbehandelaar is. Daarbij wordt getracht om eenzelfde internist één week lang op de afdeling te zetten, zodat deze internist die week alle visites loopt en dus deze week ook de hoofdbehandelaar is van de opgenomen cliënten op de afdeling. Zodra een wisseling plaatsvindt in hoofdbehandelaarschap wordt dit ook als zodanig geregistreerd in het medisch dossier van de cliënten. De arts [internist 1] is niet gedurende de gehele opname hoofdbehandelaar geweest van cliënte. Klager heeft over uitleg over het behandelbeleid en mogelijkheden voor andere behandelingen in ruime mate kunnen overleggen met de betreffende internist die de visite heeft gelopen en tevens hoofdbehandelaar was op dat moment. Wel was het zo dat in de betreffende opnameperiode klager redelijk veel verschillende internisten heeft gezien omdat, vanwege nascholingsverplichtingen van de internist die op afdeling was ingepland, het die week planning-technisch niet mogelijk was om eenzelfde internist een week op de afdeling te zetten. De zorgaanbieder kan begrijpen dat het voor klager niet duidelijk is geweest wie de hoofdbehandelaar is geweest. De zorgaanbieder had hier duidelijker in moeten communiceren naar klager en zijn familie toe en daarvoor worden dan ook excuses gemaakt.
Met betrekking tot de mededeling dat cliënte wellicht ontslagen zou worden uit het ziekenhuis stelt klager dat deze mededeling zeer plots kwam. De verpleegkundige van de betrokken afdeling zou hebben aangegeven dat cliënte ontslagen zou worden. Als reactie op deze mededeling heeft klager aangegeven dat vanwege de vele lichamelijke problemen, slechte lichamelijke conditie en delier van cliënte hij het niet verantwoord achtte cliënte te ontslaan. Klager geeft aan op dit punt nog steeds geen informatie van de betrokken arts te hebben ontvangen over de behandeling van cliënte. Op dag zeven van de opname van cliënte is in de grote visite gesproken over cliënte. Hieruit kwam voort dat de situatie van cliënte ernstig was en de zorgaanbieder niets meer voor cliënte kon doen. Op basis van hetgeen uit de grote visite is voortgevloeid is met de familie gesproken over de transfer voor de nazorg.
Conform het overleg met klager heeft een daadwerkelijk ontslag geen doorgang gevonden. Als gevolg van de mededeling van ontslag heeft klager een gesprek met de behandelend arts gehad op dag acht. Dit was op dat moment arts [internist 1], omdat hij de afdeling overnam in afwezigheid van zijn collega internist die op dat moment nascholingsverplichtingen had. Klager heeft dit gesprek niet als fijn ervaren nu de betrokken arts volgens zijn interpretatie niet inhoudelijk reageerde op de zorgen en zich niet aangesproken voelde voor het verantwoordelijk zijn voor de behandeling van cliënte. Vanwege het onvoldoende geven van uitleg en toelichting op de keuzes in het behandelbeleid en het ontslag, stelt klager dat sprake is van onvoldoende professionaliteit. Niet alleen is dit gesprek niet fijn verlopen voor klager; ook de arts heeft dit gesprek als niet prettig ervaren. De arts heeft een aanvallende houding van de familie ervaren waarbij het niet goed mogelijk was tot een goed gesprek te komen. Arts [internist 1] is echter wel ingegaan op de zorgen van de familie en heeft een psychiater ingeschakeld en een X-thorax aangevraagd.

2. Verweer met betrekking tot medisch onzorgvuldig handelen.

De zorgaanbieder stelt dat geen sprake is geweest van een onjuist behandelbeleid en dat daarmee ook geen sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen.
De Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van de hulpverlener voor zijn handelen door hem te verplichten altijd te handelen als goed hulpverlener. Dit kan betekenen dat wanneer een bepaalde handeling medisch zinloos wordt geacht, de arts deze handeling niet mag uitvoeren omdat dit anders strijdig is met het zijn van een goed hulpverlener. Wanneer dit het geval is, wordt dit met de patiënt en indien nodig met de familie besproken en vastgelegd in het medisch dossier van de patiënt. Cliënte kwam bij de zorgaanbieder binnen met bekende ernstige COPD. Op medische gronden was het mogelijk om een niet-reanimeren en niet-beademen beleid af te spreken.
Klager geeft aan dat hij en zijn familie meerdere malen zorgen hebben geuit over het behandelbeleid van cliënte. Het is juist dat na het gesprek met klager op dag 8 van de opname een longfoto is gemaakt en een echo van de buik. Er is daarmee gehoor gegeven aan de zorgen van klager. Naar aanleiding van het zien van de longfoto is gestart met het toedienen van Lasix, omdat vocht geconstateerd werd. Lasix is een vochtafdrijver. Door toediening van dit geneesmiddel is cliënte iets meer in evenwicht gebracht, maar het onderliggend lijden van cliënte was hiermee niet verholpen. Klager lijkt te stellen dat indien hij en zijn familie niet de zorgen over de hoeveelheid vocht had geuit, de foto en echo nooit gemaakt zouden zijn. Met de informatie achteraf is het natuurlijk niet met zekerheid te zeggen hoe gehandeld zou zijn als de foto en echo niet gemaakt zouden zijn. Echter, gezien het ziektebeeld van cliënte is het goed mogelijk geweest dat de foto en echo een dag later ook gemaakt zouden zijn. Klager is ervan overtuigd dat door toediening van het vocht per infuus cliënte cardiaal is gedecompenseerd en ernstige problemen aan haar longen kreeg waardoor uiteindelijk ook problemen met nieren en lever zijn ontstaan. Klager stelt dat in het obductierapport staat dat de forse vocht toediening de directe aanleiding was voor het overlijden van cliënte, onder meer omdat cliënte COPD had. Kortweg wordt door klager gesteld dat door het behandelbeleid gedurende de opnameperiode onherstelbare schade aan het lichaam van cliënte is toegebracht waardoor cliënte vroegtijdig is overleden. De interpretatie van klager is echter niet juist. In het obductierapport wordt gesproken van een multi orgaan falen bij een cor pulmonale. Doordat het hart moeite heeft met het pompen van vocht als gevolg van de hoge weerstand in de longen hield het lichaam vocht vast en is de doorbloeding van andere organen verminderd met als gevolg falen van meerdere organen zoals nieren en lever. Er wordt niet gesproken over het feit dat vocht toediening de directe aanleiding is geweest voor haar overlijden. Het is ook niet aannemelijk dat een eventueel te veel vocht per infuus tijdens de eerdere opname een relatie heeft met het overlijden tijdens de tweede opname. Uit het obductierapport blijkt juist dat het onderliggend lijden, de ernstige COPD, met als gevolg falen van verschillende organen de doodsoorzaak is geweest.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van klager ongegrond te verklaren en zijn verzoek om schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij haar werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspannings-verplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de patiënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De commissie vat de klachten van klager als volgt samen.
1. Er is sprake geweest van een opeenstapeling van tekortkomingen in de behandeling van cliënte;
2. De zorgaanbieder is tekortgeschoten in de communicatie met klager over de behandeling en de zorg van cliënte en heeft de klachten van klager niet serieus genomen.

Klachtonderdeel 1:
De commissie overweegt dat cliënte met een zeer broze gezondheid in het ziekenhuis is opgenomen. Ter zitting heeft de commissie vastgesteld dat er voor wat betreft het niet-reanimeren beleid geen onduidelijkheid is ontstaan aan de zijde van klager. Klager heeft gesteld dat sprake is geweest van een opeenstapeling van tekortkomingen in de behandeling van cliënte die er uiteindelijk toe heeft geleid dat cliënte vroegtijdig is overleden.
Op basis van de door beide partijen overgelegde stukken en hun standpunten over en weer heeft de commissie niet kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een onzorgvuldig handelen met betrekking tot de behandeling van de cliënte. De commissie heeft vastgesteld dat cliënte leed aan een ernstige vorm van COPD en dat zij daarnaast bekend was met hartfalen. Uit het obductierapport leidt de commissie af dat cliënte is overleden aan de gevolgen van multiorgaanfalen (nieren, lever en hart) bij cor pulmonale, gepaard gaande met respiratoire insufficiëntie. De commissie is ambtshalve bekend dat de enkele toediening van vocht niet de oorzaak kan zijn geweest van dit falen.
De commissie verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel 2:
Ingevolgde de Wet Geneeskundige behandelingsovereenkomst, dient een zorgaanbieder de cliënt te informeren over de medische behandeling en is voor deze medische behandeling toestemming van een cliënt vereist, het zogenaamd informed consent. Nu cliënte vanwege haar psychische gesteldheid niet zelf in staat was om in te stemmen met de behandeling, lag het naar het oordeel van de commissie in de rede dat de zorgaanbieder, voor de medische behandeling van cliënte, klager als eerste contactpersoon raadpleegde. Dit betekent dat de communicatielijn met klager kort diende te zijn. Hij diende immers het informed consent te geven voor de behandeling nu cliënte daartoe zelf niet in staat was. De zorgaanbieder heeft ter zitting gesteld dat met klager regelmatig is gesproken over de behandeling. Klager heeft dit echter gemotiveerd weersproken: dit contact bestond slechts uit het delen van laboratoriumgegevens, aldus klager.

De commissie is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de zorgaanbieder in de communicatie met klager toerekenbaar is tekortgeschoten en in deze niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een professioneel handelende zorgaanbieder. Immers, zorgaanbieder heeft klager geen, althans onvoldoende, duidelijkheid verschaft over 1. de vraag wie nu eindverantwoordelijk was voor de behandeling van cliënte en over 2. de vraag welk behandelbeleid was uitgezet. Uit een en ander volgt dat van een vereist informed consent geen sprake is/kan zijn geweest. De zorgaanbieder heeft de signalen en vragen van klager, kennelijk door toedoen van de grote roulatie van artsen aan het bed van cliënte, niet adequaat opgepakt en opgevolgd, terwijl dit van haar verwacht mocht worden.
De commissie oordeelt dit klachtonderdeel derhalve gegrond.

Vordering tot schadevergoeding in de vorm van een genoegdoening
Klager heeft een bedrag van € 5.000,– gevorderd vanwege immateriële schade.
Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst en dat er een causaal verband is tussen deze tekortkoming en de schade die klager heeft geleden.
De commissie heeft hiervoor geoordeeld dat de zorgaanbieder toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de behandelovereenkomst voor zover het de communicatie met klager betreft (informed consent). Van een causaal verband tussen deze tekortkoming en de door klager gestelde schade is de commissie echter niet gebleken; daargelaten dat de gestelde schade op geen enkele wijze is geconcretiseerd en onderbouwd.
Hoewel de commissie begrip heeft voor de omstandigheid dat klager, als gesteld, veel verdriet heeft gehad in de periode dat cliënte in haar laatste levensfase in het ziekenhuis heeft verbleven en gefrustreerd is geraakt over het gebrek aan communicatie, vormt dit rechtens geen grondslag voor toekenning van de gestelde vordering.
De commissie wijst de vordering tot schadevergoeding derhalve af.

Daar de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard zal de commissie de zorgaanbieder, onder verwijzing naar artikel 21 van het van toepassing zijnde reglement, veroordelen tot vergoeding aan klager van het door hem betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 77,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie

– oordeelt dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst waar het gaat om communicatie met klager en het ontbreken van informed consent;
– wijst het anders of meer gevorderde af;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot vergoeding van het klachtengeld van € 77,50 dat klager voor de behandeling van het geschil aan de commissie heeft voldaan. Betaling dient binnen één maand na verzenddatum van deze uitspraak te geschieden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. P.W.M. de Wolf MSM, voorzitter, mevrouw mr. dr. M.J. van Dam, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 13 januari 2022.