Zorgaanbieder komt afspraak na, cliënt heeft geen redelijk belang meer bij uitspraak

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Gehandicaptenzorg    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: niet-ontvankelijkverklaring   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 51899/81214

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt klaagt over zijn plaatsing in een groepswoning bij de zorgaanbieder. Bij de vorige zorgaanbieder had hij een eigen appartement. De cliënt heeft nu veel last van de andere bewoners en daarom heeft hij bij de zorgaanbieder aangegeven dat hij op een appartement wil wonen. Volgens de zorgaanbieder was de cliënt op de hoogte dat er geen appartementen beschikbaar waren bij de zorgaanbieder en toch heeft de cliënt ermee ingestemd om bij de zorgaanbieder te komen. In december 2020 hebben partijen afgesproken dat wanneer het mogelijk is, de cliënt in een appartement wordt geplaatst. De cliënt heeft toen laten weten zijn klacht in te trekken. Een maand later heeft de cliënt aangegeven de klacht toch te willen doorzetten. Nu blijkt dat in februari 2021 een appartement bij de zorgaanbieder is vrijgekomen en dat de zorgaanbieder de gemaakte afspraak is nagekomen door het betreffende appartement aan de cliënt ter beschikking te stellen. De commissie oordeelt dat de cliënt geen redelijk belang meer heeft bij een uitspraak van de commissie. De commissie verklaart de cliënt niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Prinsenstichting, gevestigd te Purmerend
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2021 te Amsterdam.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De cliënt werd bijgestaan door [naam] (gedragsdeskundige). Namens de zorgaanbieder zijn verschenen: [naam] (regiomanager) en [naam] (gedragsdeskundige).

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de behandeling van de cliënt door de zorgaanbieder en de schade die de cliënt stelt te hebben geleden door toedoen van de zorgaanbieder

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt is op 7 oktober 2019 door zijn vorige zorgaanbieder tegen zijn wil op een locatie van de zorgaanbieder geplaatst. Hij woonde daar in een kamertje, op een groep. Dit past niet bij hem. De cliënt had niet volledig zijn zelfstandigheid. Hij moest elke ochtend zijn tag vragen en deze in de avond weer inleveren. In de nacht zat hij opgesloten.
De cliënt kon ook niet zijn eigen leven inrichten en woonde op de groep met jongeren die problemen hebben. Zo kreeg één van de medebewoners vaak alarm en hadden de jongeren regelmatig ruzie met elkaar.

De cliënt heeft toen meteen zijn verhaal gedaan bij de zorgaanbieder en ook daarna herhaaldelijk aangegeven dat hij niet tevreden was over zijn woonsituatie. Er was een terugkeergarantie afgesproken met de vorige zorgaanbieder; de cliënt mocht binnen zes weken kijken of de locatie van de zorgaanbieder bij hem paste. Zo niet, dan mocht de cliënt terugkeren naar de vorige zorgaanbieder. Deze afspraak is niet nagekomen. De zorgaanbieder vond dat geen oplossing.

De zorgaanbieder heeft lang voet bij stuk gehouden dat de cliënt op de locatie paste. Er is veel tijd en energie verloren gegaan met zinloze gesprekken. De cliënt heeft aan zijn verblijf in de groep op de locatie van de zorgaanbieder psychische schade overgehouden. Hij was bij de zorgaanbieder gekomen om aan zichzelf te werken en hij volgt ook therapie. Zijn ervaringen op de locatie van de zorgaanbieder heeft hij echter moeilijk kunnen verwerken.

De zorgaanbieder had de cliënt een appartement beloofd; dat heeft hij pas in februari 2021 gekregen. De cliënt heeft tijd nodig om te herstellen. Helaas ervaart hij in het appartement ook problemen. In de nachtelijke uren zit zijn buurman de hele nacht te gamen. Hij heeft hiervan al meerdere meldingen gemaakt bij de nachtdienst, maar de buurman weet van geen stoppen. De cliënt is doodop hiervan en heeft door de situatie opgekropte woede-uitbarstingen, frustraties, pijn, verdriet, spanningen en stress. Zijn behandeling is in gevaar. Hij loopt daarin vast en weet niet hoe hij hieruit moet komen. Zijn therapeut heeft aangegeven dat hij een trauma heeft overgehouden aan de situatie op de groep. De cliënt voelt zich machteloos en ervaart geen plezier meer in het dagelijks leven. De cliënt zou graag zijn behandeling willen stopzetten en zelfstandig, zonder begeleiding, gaan wonen.

De cliënt verzoekt de commissie hem een vergoeding van € 5.000,– toe te kennen voor de door hem ten gevolge van het handelen en/of nalaten van de zorgaanbieder geleden schade.

Standpunt van zorgaanbieder
Voor het standpunt van zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Van oktober 2019 tot februari 2021 heeft de cliënt in een groep op een locatie van de zorgaanbieder gewoond. Voor die tijd woonde hij in een woning van een andere zorgaanbieder, zelfstandig met begeleiding. De cliënt woont vrijwillig bij de zorgaanbieder. Voorafgaand aan zijn verhuizing naar de zorgaanbieder, heeft hij laten weten dat hij graag in een appartement wilde wonen.
Er was in oktober 2019 geen appartement beschikbaar. Dat hebben medewerkers van de vorige zorgaanbieder hem verteld. Tegelijkertijd hebben zij hem ook uitgenodigd om samen te werken aan de behandeling die hij nodig heeft, onder meer om trauma’s – die hij heeft overgehouden aan dingen die hij in het verleden heeft meegemaakt – te verwerken. De cliënt heeft toen zelf besloten deze uitnodiging aan te nemen. Sindsdien heeft de cliënt behandeling op de groepswoning gehad.

Na verloop van tijd kwam de wens om op een appartement te wonen, weer op. Na veel gesprekken, een interne klachtprocedure en een melding bij de commissie in september 2020, is in december 2020 een afspraak met de cliënt gemaakt. Deze afspraak is door hem getekend op 17 december 2020. Op het moment van de afspraak was er geen appartement bij de zorgaanbieder beschikbaar. Afgesproken is dat de zorgaanbieder de cliënt op een appartement zou plaatsen, zodra dit vrij zou komen. De zorgaanbieder is deze afspraak nagekomen op 13 februari 2021, zodra het kon. Sindsdien woont de cliënt in een appartement van de zorgaanbieder, met voldoende behandeling en begeleiding.

Naar aanleiding van de afspraken in december 2020 heeft de cliënt de door hem bij de commissie ingediende klacht ingetrokken. Inmiddels is hij daarop zonder nadere toelichting of onderbouwing teruggekomen.
De zorgaanbieder heeft er begrip voor dat de cliënt graag zo zelfstandig mogelijk wil deelnemen aan de samenleving, maar is van mening dat hij daarbij wel veel behandeling en begeleiding nodig heeft.

Beoordeling
De commissie overweegt het volgende.

Op grond van artikel 5 van het Reglement van de commissie dient de commissie ambtshalve te toetsen of de cliënt ontvankelijk is in zijn klacht. Artikel 5 van het Reglement bepaalt – voor zover van belang – als volgt:
1. De commissie verklaart de cliënt in zijn klacht ambtshalve niet ontvankelijk:
(….)
e. indien hij geen redelijk belang heeft bij een uitspraak van de commissie.

De commissie stelt vast dat de cliënt zich heeft beklaagd over zijn plaatsing in een groepswoning bij de zorgaanbieder. In de door hem ingediende klacht heeft hij aangegeven dat hij graag op een appartement wil wonen.
De zorgaanbieder heeft onweersproken gesteld dat de cliënt voor zijn komst naar de zorgaanbieder in een woning van een andere zorgaanbieder woonde, zelfstandig met begeleiding, en dat medewerkers van die zorgaanbieder hem vóór zijn verhuizing naar de zorgaanbieder hebben verteld dat er bij de zorgaanbieder op dat moment geen appartement beschikbaar was. Onweersproken is verder dat de cliënt zelf heeft besloten om toch naar (een groepswoning van) de zorgaanbieder te verhuizen, zodat dit een en ander vaststaat.
Vast is komen te staan dat in december 2020 tussen partijen is afgesproken dat de zorgaanbieder de cliënt in een appartement zou plaatsen, zodra dit beschikbaar zou komen. Naar aanleiding van de gemaakte afspraak heeft de cliënt de commissie op 14 december 2020 bericht dat hij zijn klacht introk. Vervolgens heeft hij de commissie op 15 januari 2021 laten weten dat hij zijn klacht toch graag wilde doorzetten.
Vast staat ten slotte dat in februari 2021 een appartement bij de zorgaanbieder is vrijgekomen en dat de zorgaanbieder de gemaakte afspraak is nagekomen door het betreffende appartement aan de cliënt ter beschikking te stellen.
Gelet hierop is de commissie van oordeel dat de cliënt geen redelijk belang meer heeft bij een uitspraak van de commissie en dat hij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klacht.
De commissie merkt ten overvloede op dat ook als de commissie de klacht wel in behandeling zou hebben genomen, zij de door de cliënt gevorderde schadevergoeding zou hebben afgewezen, omdat deze door de cliënt niet op deugdelijke wijze is onderbouwd.

De cliënt heeft ter zitting nog aangevoerd dat hij ook in het appartement van de zorgaanbieder niet op zijn plek zit en dat hij graag zelfstandig wil gaan wonen, zonder enige vorm van begeleiding. Het is echter niet aan de commissie om hierover te oordelen en te beslissen.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve beslist de commissie als volgt.

Beslissing
De commissie verklaart de cliënt niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg, bestaande uit mevrouw mr. P.W.M. de Wolf MSM, voorzitter, en mevrouw drs. Y.J.M. ten Brummelhuis MSM, mevrouw mr. O.A.M. Floris, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 24 juni 2021.