Zorgaanbieder neemt voldoende hygiënische maatregelen om verspreiding bacterie tegen te gaan

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: zorgverlening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 234693/249892

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De klacht betreft het besluit van de zorgaanbieder om cliënte stoelgang te laten hebben in haar woon-/slaapkamer, in plaats van de voor dit doel ingerichte sanitaire ruimte. Gemaakte afspraken hierover worden volgens klager aantoonbaar niet nagekomen en er wordt onvoldoende meegedacht om gezamenlijk tot een oplossing te komen die zowel voor cliënte als voor de verzorgenden prettig is. De commissie begrijpt dat het voor cliënte en haar bezoek vervelend en ongemakkelijk is dat de stoelgang in de woonkamer plaatsvindt. Echter zij is van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de badkamer te klein is om de cliënte op verantwoorde wijze behulpzaam te zijn. De twee zorgmedewerkers die cliënte daarbij moeten helpen, vanwege haar immobiliteit en overgewicht, kunnen hun werkzaamheden in deze beperkte ruimte niet naar behoren uitvoeren gezien de grootte van de
postoel in combinatie met de Sara Stedy, die moet worden gebruikt om cliënte te tillen en tevens dient als voetensteun voor cliënte.

De uitspraak

In het geschil tussen

[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Livio, gevestigd te Enschede
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd cliënt vertegenwoordigd door [naam] en zijn echtgenote.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam], VVer, [naam], verpleegkundige, [naam], bedrijfsjurist, en [naam], klachtenfunctionaris.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april 2024 te Utrecht.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
De commissie overweegt als volgt. Op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Standpunt van klager
Sinds 2016 woont cliënte in een appartement in het woonzorgcentrum van de zorgaanbieder. Afgelopen jaar heeft zij erg moeten inleveren met betrekking tot haar mobiliteit. In deze periode is zij voor transfers in haar appartement, bijvoorbeeld voor toilet- en douchebezoek, volledig afhankelijk geworden van verzorgenden die haar met behulp van een opstahulp (Sara Stedy) verplaatsen. De laatste maanden is het voor cliënte, mede door haar overgewicht en afgenomen spierkracht, fysiek te zwaar geworden om op het toilet te gaan zitten en is er in goed overleg besloten om voor de stoelgang een verrijdbare postoel te gebruiken in plaats van het toilet. Het blijkt echter dat een aantal verzorgenden de postoel niet in de sanitaire ruimte gebruiken, maar dat stoelgang op de postoel in de woonkamer plaatsvindt. Dit ondanks eerder gemaakte afspraken dat dit niet zou gebeuren.

Klager heeft aan de zorgaanbieder herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat dit onwenselijk is omdat:
1. Zowel voor cliënte als voor haar visite het plaatsvinden van stoelgang in de woonkamer als ongemakkelijk en onprettig voelt, mede omdat na de stoelgang de ruimte weer als woonkamer wordt gebruikt en ventilatie niet aanwezig is;
2. De stoelgang in de woonkamer onhygiënisch is omdat deze niet is ingericht als sanitaire ruimte, onder meer vanwege het ontbreken van niet absorberende oppervlaktes. Verder wordt de woonkamer niet extra goed schoongemaakt;
3. Cliënte draagster is van de BRMO-bacterie, waardoor stoelgang in de woonkamer, waar ook onbeschermde visite en verzorgenden komen, risico verhogend is voor besmetting.

Ondanks verschillende gesprekken die hierover zijn gevoerd met de EVV’er en de leidinggevende Zorg (LZ) is uiteindelijk toiletgang in de woonkamer eenzijdig en structureel opgenomen in het zorgplan. Naar aanleiding van een bemiddelingsgesprek met de EVV’er, de LZ en een klachtenfunctionaris is besloten om een pilot te houden naar de haalbaarheid om cliënte met een aangepaste postoel weer in de sanitaire ruimte stoelgang te kunnen laten hebben. Het verloop van de pilot is nooit inzichtelijk gemaakt omdat gegevens ontbreken. Klager is alleen geïnformeerd dat het beleid omtrent stoelgang in de woonkamer ongewijzigd zou blijven. Argumenten die herhaaldelijk worden aangevoerd zijn dat transfers van cliënte lichamelijk te inspannend zijn voor de verzorgenden en dat de beperkte ruimte in haar appartement toiletgang in de sanitaire ruimte onmogelijk maakt. Na nieuwe bemiddeling van de klachtenfunctionaris heeft de zorgaanbieder klager laten zien hoe de toiletgang in de sanitaire ruimte praktisch in zijn werk gaat. Hierbij is duidelijk geworden dat het mogelijk is en dat zelfs tot op heden verzorgenden haar alleen naar de toiletruimte brengen en haar kunnen verzorgen.

Standpunt zorgaanbieder
Cliënte is erg beperkt in haar mobiliteit en voor transfers afhankelijk van de Sara Stedy, een actieve tillift. Zij heeft af en toe freeze-momenten en is dan extra valgevaarlijk. Vooralsnog is onduidelijk waar die
freeze-momenten vandaan komen. Mede gelet op haar overgewicht en beperkte mobiliteit, is het voor cliënte niet meer mogelijk gebruik te maken van het toilet. Daartoe is besloten voor de stoelgang gebruik te maken van een verrijdbare postoel en de Sara Stedy. Vanwege haar postuur zijn beide hulpmiddelen breder dan gemiddeld (komend uit de obese-lijn). Omdat de oorspronkelijke postoel erg lastig te manoeuvreren was in de kleine badkamer is in overleg met klager een postoel met grotere wielen ingezet. Deze postoel is weliswaar gemakkelijker de badkamer in te rijden, maar kan voor de stoelgang van cliënte in de badkamer niet worden gebruikt. De ruimte in de badkamer is te beperkt om zowel de postoel te plaatsen als de zorgverleners de benodigde ruimte te bieden.
Voor de stoelgang wordt de Sara Stedy door cliënte als voetensteun gebruikt en die past niet mét de postoel én de twee zorgverleners, die cliënte moeten helpen, in de badkamer. Als cliënte zou komen te vallen of onwel zou worden, is het feitelijk onmogelijk om haar uit de badkamer te krijgen en kan ook geen c.q. onvoldoende adequate zorg ter plekke worden verleend. Er is één zorgverlener die van mening is dat zij cliënte alleen en zelfstandig kan verzorgen en die zorgverlener helpt haar ook in de badkamer. Dit is echter tegen het advies van de ergotherapeut en de Arbowetgeving in, omdat deze werkwijze te belastend is voor het lichaam van werknemers.

Er zijn geen mogelijkheden om de badkamer te vergroten. De verhuurder van het gebouw weigert zijn medewerking te verlenen aan het verrichten van aanpassingen, zoals bijvoorbeeld het weghalen van de toiletpot. De zorgaanbieder begrijpt dat stoelgang in de woon- en slaapkamer suboptimaal is, echter het is de enige realistische optie.

Overwegingen van de commissie
Niet ter discussie staat dat cliënte gezien haar beperkte mobiliteit en overgewicht is aangewezen op een tillift, de Sara Stedy, en bij het opstaan en zitten geholpen moet worden door twee zorgmedewerkers. Zij heeft een extra brede postoel. Bij gebruik van de postoel gebruikt cliënte de Sara Stedy als voetensteun. De meeste dagen moet cliënte tussen de 6 en 10 keer op de postoel worden geholpen, hetgeen een verhoogde zorgvraag oplevert voor het zorgteam. Het woonzorgcentrum is gevestigd in een verouderd gebouw, de badkamer is klein en aanpassingen in het gebouw worden door de verhuurder niet toegestaan.

De commissie begrijpt dat het voor cliënte en haar bezoek vervelend en ongemakkelijk is dat de stoelgang in de woonkamer plaatsvindt. Echter zij is van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de badkamer te klein is om cliënte op verantwoorde wijze behulpzaam te zijn. Daarbij overweegt de commissie dat de zorgaanbieder gehouden is de regels van de Arbowet met betrekking tot de fysieke belasting van haar werknemers te respecteren. Dit betekent dat twee zorgmedewerkers cliënte moeten helpen bij de stoelgang.

Naar het oordeel van de commissie is voldoende aannemelijk geworden dat deze twee zorgverleners hun werkzaamheden 6 tot 10 keer per dag niet naar behoren kunnen uitvoeren, omdat de badkamer te klein is om de postoel in combinatie met de Sara Stedy en twee zorgmedewerkers te herbergen. Dat één zorgmedewerkster deze Arbo-regel niet naleeft doet aan het vorenstaande niet af. Omdat de verhuurder van het gebouw weigert toestemming te geven tot aanpassingen in de badkamer is er, naar het oordeel van de commissie, geen andere mogelijkheid dan de oplossing die de zorgaanbieder heeft gevonden door de postoel tijdens de stoelgang achter een kast te positioneren om zoveel mogelijk de privacy van cliënte te waarborgen en het bezoek niet onnodig te confronteren met de stoelgang van cliënte.

Klager heeft nog gesteld dat minder hygiënemaatregelen kunnen worden genomen in de woonkamer vanwege het ontbreken van niet-absorberende oppervlaktes, zeker in verband met de bacterie die cliënte bij zich draagt. De zorgaanbieder neemt, naar het oordeel van de commissie, voldoende hygiënische maatregelen om verspreiding van de bacterie tegen te gaan. Daarbij merkt de commissie op dat ter zitting duidelijk is geworden dat cliënte ook in de woonkamer wordt afgedroogd na het douchen en aangekleed omdat ook hiervoor de badkamer te klein is.

Alles overziende is de commissie van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheid zou hebben gehandeld. De commissie concludeert dan ook dat de zorgaanbieder in deze kwestie niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Gezien het vorenstaande zal de commissie de klacht ongegrond verklaren. Derhalve wordt als volgt beslist.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.
Het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw mr. N. Jacobs, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 4 april 2024.