Zorgaanbieder niet gehandeld zoals had gemoeten; cliënte krijgt € 1000 schadevergoeding

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Vrijgevestigde GGZ praktijken    Categorie: bejegening / Schadevergoeding    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 199740/213051

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De klacht betreft de verstoring van een behandelrelatie tussen de zorgaanbieder en cliënte, vanwege een intieme relatie die de zorgaanbieder is aangegaan met een ex-patiënte die nog wel deelnam aan de door hem ingestelde lotgenotengroep waar cliënte ook deel van uitmaakte. Daarnaast klaagt cliënte over het ontbreken van haar notities in het medisch dossier.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder de zorgvuldigheidsnorm heeft overtreden door de ex-patiënte, met wie hij een relatie had, te laten blijven deelnemen aan de lotgenotengroep, waardoor de zorgaanbieder een onveilige situatie heeft gecreëerd voor cliënte. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor de inhoud van een medisch dossier. Cliënte kan niet eisen dat haar eigen notities in het medisch dossier worden opgenomen.

De uitspraak

In het geschil tussen
mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënte)
en
Psychologiepraktijk Olij, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Vrijgevestigde GGZ praktijken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2023 te Den Haag.
Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. De zorgaanbieder werd ter zitting bijgestaan door de heer mr. [naam].

Beoordeling
De klacht van cliënte luidt kort samengevat als volgt:
Cliënte is vanaf 23 november 2016 onder behandeling geweest van de zorgaanbieder. Naast de therapie nam cliënte vanaf 2019 deel aan een lotgenotengroep die door de zorgaanbieder was opgericht en waarvoor hij zijn praktijkruimte beschikbaar had gesteld. In deze groep werd gesproken over de therapie en kwamen (intieme) persoonlijke ervaringen aan de orde. Op 20 augustus 2021 vertelde de zorgaanbieder aan cliënte dat hij sinds een jaar een relatie had met een vrouw, een ex-patiënt, uit deze lotgenotengroep. Deze vrouw wilde de lotgenotengroep niet verlaten. De zorgaanbieder kon dit niet van haar eisen, omdat het een autonome groep was. Vanaf dat moment heeft cliënte zich niet meer veilig gevoeld in deze groep. In de gesprekken die in de groep hebben plaatsgevonden, heeft cliënte informatie gedeeld, die zij, als zij had geweten van deze relatie, nimmer zou hebben gedeeld in de groep en deze vriendin van de zorgaanbieder. Gebleken is voorts dat de zorgaanbieder privéinformatie over cliënte met zijn vriendin heeft gedeeld. Cliënte wilde de therapie erg graag bij de zorgaanbieder afronden. Echter, vanwege deze relatie met de ex-patiënt, was ook haar verhouding met de zorgaanbieder veranderd die zich uitte in een gebrek aan steun en weerklank van de zorgaanbieder jegens cliënte. Cliënte heeft zich gedwongen gevoeld om de therapie te beëindigen, omdat de vriendin de groep niet wilde verlaten. Na beëindiging van de therapie heeft cliënte geen vorm van nazorg gekregen en heeft zij daardoor een terugval gekregen.
Voorts stelt cliënte dat de zorgaanbieder haar medisch dossier niet volledig heeft bijgehouden. In het dossier ontbreken de aanvullende aantekeningen van cliënte die zij heeft gemaakt over de periode 20 augustus 2021 t/m 24 december 2021.
Ter zitting heeft de zorgaanbieder gesteld dat hij geen zorgvuldigheidsnormen heeft geschonden. Toen hij een relatie kreeg met deze vrouw, die op dat moment geen patiënte meer van hem was, heeft hij met zichzelf geworsteld hoe hij dit aan cliënte moest kenbaar maken. Op het moment dat deze relatie meer stabieler was heeft hij cliënte geïnformeerd. Hij heeft geprobeerd om de behandelrelatie in stand te houden met cliënte, maar dat is ondanks meerdere gesprekken met cliënte helaas niet gelukt. De zorgaanbieder heeft in februari 2019 het initiatief genomen op verzoek van een patiënt om de lotgenotengroep op zetten bestaande uit (ex-) patiënten, een soort zelfhulpteam. Hij heeft inhoudelijk geen enkele bemoeienis gehad met de groep. Hij heeft alleen een ruimte beschikbaar gesteld in zijn praktijk. Er is geen sprake geweest van een geldelijke vergoeding van de deelnemers aan hem. De groep was autonoom. Hij kon daarom ook niet tegen zijn partner zeggen dat zij de groep moest verlaten.
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie als volgt.
Op grond van de zorgovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De commissie zal de klachten van cliënte, afgezet tegen het hierboven geschetste toetsingskader, beoordelen.
De commissie vat de klachten van cliënten als volgt samen:
1.De zorgaanbieder heeft de zorgvuldigheidsnorm overtreden door haar in een onveilige situatie te plaatsen in de lotgenotengroep en in de therapie;
2.De zorgaanbieder heeft haar medisch dossier niet op orde, omdat daarin notities van cliënte ontbreken.

Klacht 1. Overtreding zorgvuldigheidsnorm.
Vast staat dat de zorgaanbieder op enig moment een relatie heeft gekregen met één van de deelneemsters van een lotgenotengroep, waarvan ook cliënte deel uitmaakte. De behandelrelatie met de zorgaanbieder is door deze affaire verstoord geraakt waardoor cliënte zich genoodzaakt voelde om deze te beëindigen.
Het instellen van een lotgenotengroep kan een goede aanvulling zijn op een individuele therapie. Zoals cliënte ook ter zitting heeft gesteld, had zij veel baat bij het deelnemen aan deze groep. De commissie is echter van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat deze lotgenotengroep een autonome groep is geweest waarmee de zorgaanbieder geen enkele bemoeienis heeft gehad. Daarbij overweegt zij dat de zorgaanbieder het initiatief heeft genomen tot het oprichten van deze groep en ook de leden van de groep bij elkaar heeft gebracht, namelijk zijn eigen (ex-)patiënten. Voorts heeft hij zijn praktijkruimte aan deze groep gefaciliteerd. Ter zitting is komen vast te staan dat de zorgaanbieder beschikbaar is geweest voor crisisopvang en ook heeft bemiddeld toen bleek dat er een onenigheid was binnen de groep. Dit alles maakt dat er wel degelijk sprake is geweest van een professionele relatie van de zorgaanbieder met de groep.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder, vanuit zijn professionele verantwoordelijkheid, of direct zijn relatie met zijn vriendin had moeten verbreken of zijn vriendin per direct had moeten dwingen de groep te verlaten. Door dit na te laten, heeft de zorgaanbieder voor de cliënte een onveilige situatie gecreëerd waardoor zij gedwongen is geweest de therapie, die zij jarenlang als heel waardevol heeft beschouwd, te beëindigen. Dit is de zorgaanbieder des te meer te verwijten nu ook is komen vast te staan dat de zorgaanbieder op enig moment privéinformatie over cliënte met zijn vriendin heeft gedeeld. De commissie is van oordeel dat er door de zorgaanbieder een zorgvuldigheidsnorm is overschreden.
Gelet op het vorenstaande is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld, zoals een redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Zij zal deze klacht gegrond verklaren.

De commissie is van oordeel dat een zorgaanbieder zelf mag bepalen of hij informatie die hij krijgt van een cliënt in een medisch dossier mag opnemen. Een patiënt kan geen eisen stellen met betrekking tot het toevoegen van eigen documenten aan een medisch dossier. Gelet hierop is de commissie van oordeel dat dit tweede klachtonderdeel niet gegrond is.

Schadevergoeding.
Cliënte heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor de immateriële schade die zij heeft geleden; een bedrag van € 5000,-.
Voor aanspraak op immateriële schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Van een toerekenbare tekortkoming is hier, zoals hiervoor overwogen, sprake geweest. Cliënte heeft naar het oordeel van de commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat voor haar voortzetting van de therapie, gelet op de verstoorde relatie, niet meer mogelijk was. Cliënte heeft geen nazorg gekregen en heeft een terugval gekregen. Gelet hierop acht de commissie een immateriële schadevergoeding op zijn plaats.

De commissie stelt deze vergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast op een bedrag van € 1.000,-.
Nu de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, zal de commissie, onder verwijzing naar artikel 20 van het reglement, de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding aan cliënte van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart klacht 1 (overtreding zorgvuldigheidsnorm) gegrond;
– verklaart klacht 2 (dossiersamenstelling) ongegrond;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 1000,- aan cliënte binnen twee weken nadat hij deze beslissing heeft ontvangen
– veroordeelt de zorgaanbieder tot vergoeding van het klachtengeld ad € 52,50 aan cliënte;
– wijst het anders of meer gevorderde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Vrijgevestigde GGZ praktijken, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. T. Knap, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 23 oktober 2023.