Zorgaanbieder schiet niet te kort in de zorgverlening, ondanks klachten gemachtigde

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 7706/14179

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte dient te revalideren bij de zorgaanbieder. De gemachtigde van cliënt klaagt over de kwaliteit van de zorgverlening door de zorgaanbieder. Zo zouden er te weinig behandelingen zijn geweest die zich richten op de revalidatie. Ook waren er communicatieproblemen en problemen met betrekking tot de mondhygiëne en diëtiek van cliënte. Daarnaast zijn niet alle zorguren gemaakt en was de kwaliteit van de zorg niet optimaal. De zorgaanbieder heeft gereageerd op de klachten van de gemachtigde van cliënte. Alleen lopen de standpunten op bepaalde punten erg uiteen, waardoor de commissie niet kan vaststellen of de zorgaanbieder met betrekking tot de zorgverlening onzorgvuldig heeft gehandeld. Hierdoor slagen enkele klachtonderdelen niet. De commissie kan niet tot de beslissing komen dat de zorgaanbieder voor wat betreft de geleverde GRZ niet heeft gehandeld volgens de professionele maatstaven. Er is geen sprake van een toerekenbare tekortkoming door de zorgaanbieder.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënte] wonende te [plaats] en gemachtigde: mevrouw [naam] dochter van cliënte
en Stichting Fundis, gevestigd te Gouda (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken. De behandeling heeft plaatsgevonden op 6 januari 2020 te Rotterdam. Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De cliënte werd ter zitting vertegenwoordigd door haar dochter, mevrouw [naam]. Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door mevrouw [naam], directeur, mevrouw [naam], coördinator, de heer [naam], specialist ouderengeneeskunde en de heer [naam], fysiotherapeut.

Onderwerp van het geschil
De gemachtigde heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. Het geschil betreft de kwaliteit van de zorgverlening.

Standpunt van de gemachtigde
Voor het standpunt van de gemachtigde verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 26 september 2018 heeft cliënte een hersenbloeding gekregen met als gevolg halfzijdige verlamming, ernstige afasie en beperkte cognitie. Op 18 oktober 2019 is zij na ontslag vanuit het ziekenhuis voor revalidatie opgenomen in een instelling van de zorgaanbieder. De gemachtigde heeft een aantal klachten met betrekking tot de zorgverlening aan de commissie voorgelegd en onderbouwd met een beschrijving van incidenten.

De klachten komen in hoofdzaak neer op:
1. Te weinig behandelingen gericht op revalidatie;
2. Communicatieproblemen en problemen rondom mondhygiëne en diëtiek;
3. De zorguren zijn niet gemaakt;
4. De kwaliteit van de zorg laat te wensen over: te weinig verschonen i.v.m. incontinentie, hardhandig vastpakken, te weinig zorg-/controlemomenten gedurende de dag, onvoldoende reageren op oproep, raisergebruik zonder toezicht.

Klacht 1: In overleg met de fysiotherapeut is een opzitschema gemaakt dat de verpleging moest uitvoeren. De verpleging heeft niet gehandeld volgens dit schema. De gemachtigde is vanwege taalproblemen twee keer betrokken geweest bij de behandeling van cliënte door de logopedist. De derde keer is de gemachtigde niet meer benaderd. Gezien de taalbarrière en de afasie waaraan cliënte lijdt, vraagt de gemachtigde zich af of deze behandeling door de logopedist zinvol is geweest. Als er eerder intensieve begeleiding was aangeboden, was de revalidatie van cliënte sneller gegaan.

Klacht 2a: voeding: Cliënte is van Turkse afkomst. Regelmatig gebruikt ze het woordje ‘né’, in de zin van ‘wat bedoel je’. De verpleging vatte dit op als ‘nee’ en nam dan de maaltijden weer mee. Regelmatig heeft gemachtigde de verpleging hierop moeten wijzen. Verder werden de maaltijden naast cliënte gezet zonder haar daarbij te helpen met eten. Cliënte heeft heel veel moeite met slikken en heeft afasie en kan niet zelfstandig eten. Ook kreeg ze vaak pas tegen 11.00 uur haar ontbijt. Cliënte weigerde op een gegeven moment te eten. Gemachtigde heeft toen het eten verzorgd en dat at cliënte in haar bijzijn wel op. Cliënte zit nu in een andere instelling en heeft geen problemen meer met het eten dat door deze instelling wordt verzorgd.

Klacht 2b: mondzorg. Het gebit van cliënte is tijdens het verblijf niet goed schoongemaakt. Zij bleek ernstig ontstoken tandvlees te hebben. Gemachtigde en haar zus hebben cliënte op 4 januari 2019 naar een dichtbij zijnde tandarts meegenomen. De zorgaanbieder was bekend met dit bezoek maar vervolgens staat dit nergens geregistreerd. In het patiëntendossier wordt alleen het tweede bezoek, van 12 januari, vermeld.

Klacht 3: De verzorging heeft dagelijks een communicatieschrift bijgehouden, waarin de zorg per dag is beschreven. De uren die in dit schrift zijn vastgelegd, komen niet overeen met de uren die aan de zorg zouden moeten worden besteed. De gemachtigde vordert van de zorgaanbieder een vergoeding van € 25.000, – voor de psychische en fysieke schade die haar moeder en zijzelf hebben geleden als gevolg van het handelen van de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënte verbleef in de Geriatrische Revalidatiezorg (hierna: GRZ) van 18 oktober 2018 tot 14 januari 2019. Er is vóór de opname en gedurende de opname in totaal tweemaal door een revalidatiearts beoordeeld/getrieerd of cliënte met Medisch Specialistische Revalidatie (hierna: MSR) kon revalideren. De revalidatieartsen waren hier eenduidig over: cliënte was te laag belastbaar voor MSR maar wel geïndiceerd voor GRZ.

Klacht 1: De zorgaanbieder heeft zich ingespannen om binnen de kaders van de GRZ de beste revalidatiezorg en behandeling te bieden en zelfs een hogere intensiteit aan behandeling en begeleiding geboden dan binnen de financiering gebruikelijk en passend is. Dat er een GRZ indicatie was afgegeven door het ziekenhuis en dat de verwachting van dochter een hoog intensieve revalidatie was, heeft bijgedragen aan de problematiek. Cliënte heeft gedurende haar opname gemiddeld 7,9 uur per week revalidatiezorg ontvangen. Er kan worden afgeweken van het opzitschema. Dit schema wordt gemaakt op basis van een inschatting van het herstel van cliënte. Afhankelijk van haar fysieke gesteldheid per dag kan het schema door de verpleegkundigen worden bijgesteld. Het is absoluut niet zo dat een patiënt urenlang zonder toezicht in een rolstoel wordt gezet. In dit verband wijst de zorgaanbieder erop dat de in dienst zijnde verpleging geschoold is op minimaal niveau 4, regelmatig bijscholingen krijgt en dat er geen personeelstekorten zijn. De logopediste is intensief bij cliënte betrokken geweest en heeft ook dochter betrokken bij behandeling van slikproblematiek, eetobservaties en bij het in kaart brengen en behandelen van de afasie. Er zijn afspraken met cliënte en dochter gemaakt en oefeningen meegegeven.

Klacht 2a: voeding
Cliënte at niet op alle momenten ondanks dat haar wel regelmatig eten en drinken werd aangeboden. Omdat cliënte veel eten van de familie kreeg, leek zij op de momenten dat haar een maaltijd werd aangeboden minder eetlust te hebben. Omdat de voedingsintake niet optimaal verliep, is cliënte gedurende de opname onder behandeling geweest van een diëtist zodat gewicht en eiwitintake goed beoordeeld konden worden gedurende de opname. Door taalbarrière en afasie was directe communicatie met cliënte niet optimaal, hierom, en omdat de familie veel eten meebracht, is de dochter uitgebreid betrokken bij de educatie over eiwitten en eiwitrijke voedingsmiddelen.

Klacht 2b: mondzorg: De noodzakelijke reguliere mondzorg wordt op de afdeling gestimuleerd, zowel in de ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen) in de ochtend als in de avond voor het naar bed gaan. De dochter wilde dat de zorgaanbieder bij weigeren, het gebit van cliënte onder dwang zou verzorgen. Er wordt echter bij de instelling niet onder dwang verpleegd. Bij de reguliere mondzorg zijn er tijdens het verblijf geen tandheelkundige problemen dan wel problemen op het gebied van de mondhygiëne geconstateerd. Op verzoek van de dochter is er wel een verwijsbrief opgesteld op 6 december 2018 voor een tandartsbezoek dat op 12 januari 2019 heeft plaatsgevonden. Tandartszorg valt niet onder de GRZ. In principe worden tandartsafspraken via familie gemaakt.

Klacht 3: uren
De verpleging houdt een communicatieschrift bij waarin dagelijks verslag wordt gedaan van de zorgverlening. Hoewel deze verslaglegging uitgebreid is, kan dit schrift niet worden gezien als het medisch dossier. Het is een middel om in grote lijnen te communiceren. In het patiëntendossier worden de uren wel bijgehouden, zowel de directe als de indirecte behandeltijd.

Klacht 4: zorgverlening.
De zorgaanbieder wijst de klacht over het zelfstandige gebruik van de raiser zonder toezicht door cliënte van de hand. De raiser is een sta-op hulpmiddel voor transfers van de ene naar de andere positie. Hij is verrijdbaar zodat transfers met de cliënt over (kleine) afstanden mogelijk zijn. De raiser is voor cliënten ongeschikt om zelfstandig te bedienen, hulp van een derde is altijd noodzakelijk. Het is praktisch onmogelijk om een apparaat als de raiser zelfstandig te bedienen. Daarmee is het uitgesloten, zeker gezien de afhankelijkheid van cliënte, dat zij de raiser zelfstandig heeft kunnen bedienen. Cliënte was wisselend incontinent en werd frequent verschoond. Zij werd dagelijks na ADL naar het toilet begeleid wat meestal mictie en defecatie opleverde. Bij volledige incontinentie wordt minimaal tweemaal per dienst en op indicatie het incontinentiemateriaal gecontroleerd en zo nodig verschoond. De zorgaanbieder herkent zich niet in de klacht ten aanzien van de wrede handelingen van het personeel, de bekwaamheid van het personeel en de blauwe plekken en het reageren op de bel. Door het gebruik van de antistollingsmedicatie had cliënte milde hematomen. Het ontstaan van hematomen is een veel voorkomende bijwerking van antistollingsmedicatie. Op de momenten dat er familie aanwezig is, komt de verpleging minder vaak controleren. Dit betekent niet dat er geen toezicht is als de familie niet bij een patiënt is.

Beoordeling van het geschil
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk wordt dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht.

De commissie overweegt als volgt.

De commissie stelt vast dat de verwachtingen die de gemachtigde had met betrekking tot de revalidatiezorg van haar moeder, te weten een intensieve behandeling gericht op het herstel van haar moeder, niet strookten met de door het ziekenhuis geïndiceerde GRZ die door de zorgaanbieder aan haar moeder diende te worden verleend. De zorgaanbieder was gehouden die zorg te leveren die valt binnen de kaders van deze reguliere GRZ en was daardoor beperkt in het aantal uren zorg dat cliënte kon worden geboden. Gelukkig heeft het herstel sneller dan verwacht ingezet en is cliënte alsnog voor MSR geïndiceerd en overgeplaatst naar een instelling waar MSR wordt gegeven.

Klacht 1:
De gemachtigde heeft gewezen op het niet naleven van het opzitschema enerzijds en anderzijds gesteld dat haar moeder zeven uren zonder toezicht in een rolstoel zat. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende heeft onderbouwd dat het opzitschema wordt opgesteld door de fysiotherapeut/ergotherapeut op basis van een inschatting van het herstel van de cliënte maar dat dit schema door de verpleging dagelijks wordt geëvalueerd aan de hand van de gesteldheid van cliënte. Daarbij heeft de fysiotherapeut ter zitting uitgelegd dat indien een patiënt te lang rechtop zit dit contraproductief kan werken voor zijn herstel. Vandaar dat dagelijkse aanpassing van het opzitschema noodzakelijk is. In het licht van het verweer is voorts door gemachtigde onvoldoende onderbouwd dat de cliënte zeven uren achtereen in een rolstoel zou hebben gezeten. Gezien het verweer van de zorgaanbieder kan de commissie evenmin vaststellen dat de logopediste in de behandeling van cliënte tekortgeschoten zou zijn uitsluitend vanwege het feit dat de gemachtigde niet bij de derde afspraak aanwezig was. Gelet hierop is klachtonderdeel 1 ongegrond.

Klacht 2a: voeding:
De gemachtigde heeft aangevoerd dat haar moeder niet at, op te late tijdstippen eten kreeg aangeboden en onvoldoende werd geholpen met het eten. Vanwege taalproblemen, ‘né’ werd opgevat als ‘nee’, zou moeder ook geen maaltijden zijn aangeboden. Dit alles heeft ertoe geleid dat de gemachtigde dagelijks haar moeder eten kwam brengen en bleef zitten tot zij het op had. De zorgaanbieder heeft aangegeven dat cliënte de maaltijden niet meer nam omdat zij al van haar familie te eten had gekregen en daarom geen trek had. Nu de lezingen van de cliënte en de zorgaanbieder met betrekking tot de voeding zo uiteenlopen en het ene niet meer aannemelijk is dan het andere, kan de commissie niet vaststellen wat de feitelijke gang van zaken is geweest. Nu de commissie de feiten niet kan vaststellen kan de commissie niet vaststellen of de zorgaanbieder met betrekking tot de maaltijdverstrekking onzorgvuldig heeft gehandeld, waardoor dit klachtonderdeel niet kan slagen.

Klacht 2b: mondzorg.
De commissie acht het volstrekt begrijpelijk dat de gemachtigde zich zorgen maakte over de mondhygiëne van haar moeder. De zorgaanbieder mag echter niet onder dwang het gebit van een patiënt poetsen. Daarnaast valt tandheelkundige zorg niet onder de GRZ en blijft deze zorg de verantwoordelijkheid van (de familie) van de patiënt. Overigens vraagt de commissie zich af, gelet op de ernst van de ontstekingen in de mond en gelet op de korte tijd dat cliënte in de instelling heeft verbleven, of deze ontstekingen niet al in een veel eerder stadium zijn ontstaan. De commissie acht dit klachtonderdeel niet gegrond.

Klacht 3: uren
De commissie heeft ter zitting vastgesteld dat in het communicatieschriftje verslag wordt gedaan van de zorg die op dat moment is verleend. Het schrift is een leidraad voor de verpleging en vervangt het patiëntendossier niet. Op basis van het communicatieschrift kan niet worden vastgesteld hoeveel uren zorg er aan een patiënt is verleend. Ook niet omdat de indirecte behandeltijd, zoals de administratieve handelingen en (medisch) overleg, niet in dit schrift is opgenomen. De commissie acht dit klachtonderdeel niet gegrond.

Klacht 4: zorgverlening
De gemachtigde heeft gesteld dat zij meermalen haar moeder met een vuile luier in een vuil bed heeft aangetroffen en dat de verpleging onvoldoende alert is geweest op haar incontinentie. De zorgaanbieder heeft gesteld dat luiers regelmatig worden gecontroleerd en dat ongelukken kunnen voorkomen. Ook geeft de zorgaanbieder aan dat het niet zo is dat een patiënt uren in zijn ontlasting ligt.

Nu de lezingen van de cliënte en de zorgaanbieder zo erg uiteenlopen, kan de commissie niet vaststellen wat de feitelijke gang van zaken is geweest. Nu de commissie de feiten niet kan vaststellen kan de commissie evenmin vaststellen of de zorgaanbieder met betrekking tot de zorgverlening onzorgvuldig heeft gehandeld, waardoor dit klachtonderdeel niet kan slagen. Voor wat betreft het gebruik zonder toezicht door cliënte van de raiser is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat cliënte niet hiertoe in staat was. In dit licht merkt de commissie op dat de gemachtigde deze klacht op basis van horen zeggen naar voren heeft gebracht. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Voorts heeft de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat de hematomen die cliënte kreeg niet het gevolg waren van het hardhandig vastpakken maar van de toediening van de antistollingsmiddelen. De commissie begrijpt dat het voor de gemachtigde erg verdrietig is om haar moeder zo te zien lijden en dat zij de allerbeste behandeling voor haar moeder wenst opdat haar moeder toch in enige mate kan herstellen. De commissie heeft veel respect voor de wijze waarop de gemachtigde haar moeder in deze zware tijd bijstaat en verzorgt. Dit neemt echter niet weg dat de commissie niet tot het oordeel kan komen, dat de zorgaanbieder voor wat betreft de geleverde GRZ niet heeft gehandeld volgens de professionele maatstaven. Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klachten ongegrond zijn. Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Van een toerekenbare tekortkoming is hier echter geen sprake zodat de vordering wordt afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
– De commissie verklaart de klachten ongegrond;
– het door de gemachtigde verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mevrouw mr. N. Jacobs, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 6 januari 2020.