Zorgaanbieder schiet tekort in nazorgtraject na verwijderen baarmoeder

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 70600/110483

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte heeft haar baarmoeder laten verwijderen in het ziekenhuis van de zorgaanbieder, hierbij is per ongeluk een urineleider doorgesneden. Na de operatie zijn er pijnlijke complicaties opgetreden en heeft de cliënte meerdere keren contact opgenomen met de zorgaanbieder. Vocht in de buikholte werd hier verkeerd gediagnosticeerd en pas na een tijd werd geconstateerd dat dit urine was. De cliënte is doorverwezen naar een ander ziekenhuis waar een hersteloperatie is uitgevoerd. De cliënte eist een schadevergoeding. De zorgaanbieder stelt dat de schade aan de urineleider een complicatie is en geen fout. Bij de nazorg had wel zorgvuldiger gehandeld kunnen worden waardoor de cliënte eerder doorverwezen had kunnen worden. Om de cliënte tegemoet te komen is een geldbedrag aangeboden, maar de cliënte heeft dit niet geaccepteerd. De commissie oordeelt dat de operatie zorgvuldig is uitgevoerd en de doorgesneden urineleider inderdaad een complicatie is en geen fout. Wel had het nazorgtraject beter en zorgvuldiger gemoeten. De zorgaanbieder is hierin tekort geschoten. De klacht is ten dele gegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [woonplaats] en

Stichting OLVG, gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2021 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Cliënte is met voorafgaand bericht van afwezigheid niet ter zitting verschenen. Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam] en [naam], juridisch adviseurs.

Onderwerp van het geschil
De cliënte stelt dat a) de operatie uitgevoerd door de zorgaanbieder (verwijdering van de baarmoeder) niet lege artis is uitgevoerd en dat voorts b) gedurende de nabehandeling van enkele maanden er sprake is geweest van een misdiagnose waardoor cliënte (financiële) schade heeft geleden.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 23 oktober 2019 is de baarmoeder van cliënte laparoscopisch verwijderd. Tijdens de operatie is de linker urineleider accidenteel doorgenomen en door een geconsulteerde uroloog gehecht. Twee weken na het ontslag uit het ziekenhuis na de operatie van 23 oktober 2019 heeft cliënte contact opgenomen met haar gynaecoloog omdat ze veel pijn had ter hoogte van de blaas. In het ziekenhuis werd geconcludeerd dat de stents de pijn veroorzaakten en cliënte is antibiotica voorgeschreven. Op 21 januari 2020 zijn de stents verwijderd. Binnen 24 uur na de verwijdering werd cliënte onwel en was er opnieuw sprake van zeer ernstige pijnklachten, anders dan in de postoperatieve fase. Op 27 januari 2020 kon zij een urinemonster brengen en vertelde zij over haar pijn, hetgeen reden was voor een echo van de nieren op 28 januari 2020. De linker nier van cliënte was gezwollen (hydronephrosis) en er was sprake van een ontsteking. Er werd een drain ter hoogte van de nier ingebracht en cliënte werd na enige dagen met drain naar huis gestuurd. Deze drain is op 7 februari 2020 verwijderd. Gedurende de twee daaropvolgende weken ontwikkelden zich weer ernstige pijnklachten. Tijdens de eindcontrole door de uroloog bleek dat de nier opnieuw was gezwollen en er werd vocht in de buikholte werd gezien. Dit keer is ook een CT-scan gemaakt. Op 2 maart 2020 werd cliënte opnieuw opgenomen in het ziekenhuis. Twee internisten suggereerden dat het vocht in de buikholte inderdaad urine zou kunnen zijn als gevolg van lekkage uit de urineleider. Dit was in een eerder stadium volgens de afdeling Urologie niet het geval. Volgens die afdeling lekte de urinebuis niet. Op 20 mei 2020 is cliënte doorverwezen naar het [naam ander ziekenhuis] voor reconstructieve chirurgie. Die reconstructie heeft op 3 juli 2020 plaatsgevonden in het [naam ander ziekenhuis].

Cliënte heeft verklaard dat de situatie na de operatie van 23 oktober 2019 het haar moeilijk heeft gemaakt een normaal leven te leiden, om te werken en om voor haar familie te zorgen. Ook was er sprake van een langdurig stressvolle situatie voor haar en haar partner.

Volgens cliënte is de zorgaanbieder aansprakelijk voor de aanvankelijke misdiagnose over de vloeistof in haar buik en het in een te laat stadium uitvoeren van een test waardoor de juiste diagnose te lang op zich heeft laten wachten. De zorgaanbieder heeft de aansprakelijkheid hiervoor erkend, maar is volgens cliënte ook aansprakelijk voor het beschadigen van de urinebuis door een fout die tijdens de operatie op 23 oktober 2019 is gemaakt.

Cliënte heeft verzocht om toekenning van € 15.000,– aan schadevergoeding voor:
– medische verzekeringstechnische kosten;
– reiskostenvergoeding voor het reizen naar en van de afspraken in het ziekenhuis en de operaties;
– emotionele psychische schade door pijn en stress, ook voor de familie;
– verlies van inkomen (verdienvermogen).

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en de verklaring ter zitting. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De baarmoeder is op 23 oktober 2019 door een gynaecoloog verwijderd. Tijdens de operatie is een urineleider (van de linker nier) geraakt (doorgehaald), welke urineleider tijdens diezelfde operatie is gehecht door een uroloog. Er is een tweetal dubbel J stents ingebracht. De dubbel J stents zijn op 21 januari 2020 verwijderd. Volgens de zorgaanbieder is op 21 januari 2020 op basis van een CT-scan vastgesteld dat er geen sprake was van lekkage. Cliënte heeft zich binnen 24 uur met enorme pijn bij de zorgaanbieder gemeld. Op 28 januari 2020 is er een echo gemaakt waarna cliënte is opgenomen en is er een (nefro)drain geplaatst. Op 7 februari 2020 is deze drain verwijderd. Circa twee weken later is cliënte door een uroloog gezien, er is toen weer een echo gemaakt, de linker nier bleek gezwollen en er was sprake van vocht in de buikholte. Er is nog een echo gemaakt en een CT-scan met contrastvloeistof. Tevens werd het vocht in de buik aangeprikt voor analyse. Het kreatininegehalte in dit vocht is niet gemeten, hetgeen volgens de zorgaanbieder wel had gemoeten. Op 2 maart 2020 is cliënte opgenomen om opnieuw een drain aan te brengen. Twee internisten hebben de mogelijkheid geopperd dat het vocht in de buikholte urine was. Op 20 mei 2020 is geprobeerd een ballon dilatatie in de urineleider uit te voeren, maar dat is niet gelukt door de schade die al was toegebracht in de urineleider. Er zijn opnieuw dubbel J stents aangebracht en cliënte is verwezen naar het [naam ander ziekenhuis] voor herstelchirurgie van de urineleider.

Volgens de zorgaanbieder is het beschadigen van de urineleider bij de operatie een complicatie en geen fout. De zorgaanbieder heeft erkend dat als het kreatininegehalte eind februari 2020 wel was gemeten, cliënte mogelijk eerder was doorverwezen voor een reconstructie van de urinebuis. In verband met dit mogelijk delay is er een ‘financieel gebaar’ naar cliënte gemaakt van € 1.500,–, later is daar nog € 385,– aan vergoeding voor het eigen risico van de zorgverzekering bijgekomen. Ter zitting heeft de zorgaanbieder verklaard dat er in onderhandelingen met cliënte uiteindelijk een bedrag van € 2.200,– is aangeboden, waarin het eigen risico was opgenomen. Cliënte heeft dit aanbod niet geaccepteerd.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende.

Bij de beoordeling van de klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen cliënte en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting
De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met cliënte.

De commissie is van oordeel dat de operatie waarbij de baarmoeder is verwijderd lege artis is uitgevoerd en dat het doorhalen van de urineleider niet moet worden aangemerkt als een fout, maar als een complicatie (complicated risk).
Dat ligt naar het oordeel van de commissie anders voor het feit dat eerst begin maart 2020 is geconstateerd dat het vocht in de buikholte urine was en dat er dus sprake was van lekkage van de urineleider. De commissie is van oordeel dat nadat op 21 januari 2020 de dubbel J stents waren verwijderd en cliënte zich binnen 24 uur met enorme pijn heeft gemeld, er direct gedacht had moeten worden aan lekkage van urine. De uroloog had op dat moment moeten worden geconsulteerd, hetgeen niet is gebeurd. Nu de gynaecoloog en de uroloog bij de operatie waren betrokken, had de nabehandeling gecombineerd moeten plaatsvinden wat echter is verzuimd. Op 22 januari 2020 had er een CT-scan met contrastvloeistof moeten worden gemaakt en het kreatininegehalte in het bloed had moeten worden bepaald. Beide is niet gebeurd. Vanaf 22 januari 2020 is er naar het oordeel van de commissie onjuist gehandeld in de nabehandeling, waardoor cliënte onder andere onnodig lang veel pijn heeft moeten lijden.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder zich wat betreft deze nabehandeling vanaf 22 januari 2020 onvoldoende heeft ingespannen om een zo goed mogelijk resultaat voor cliënte te bereiken, zodat moet worden geconcludeerd dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst met cliënte.
De commissie verklaart op grond van vorenstaande klachtonderdeel A ongegrond en klachtonderdeel B gegrond.

Vordering tot schadevergoeding
Cliënte heeft de commissie verzocht de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding van (im)materiële schade van € 15.000,–.

De commissie overweegt dat voor een aanspraak op schadevergoeding ten minste is vereist dat de schuldenaar (de zorgaanbieder) in enig opzicht is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting en dat dit tekortschieten hem moet kunnen worden toegerekend. Ook moet er sprake zijn van voldoende causaal verband tussen de schade en de toerekenbare tekortkoming.
De commissie heeft geoordeeld dat er sprake is van tekortschieten in de behandelrelatie met cliënte. De commissie is voorts van oordeel dat dit tekortschieten aan de zorgaanbieder kan worden toegerekend.

De commissie is van oordeel dat cliënte haar verzoek tot toekenning wat betreft de materiële schadevergoeding niet (voldoende) heeft onderbouwd en zal dit verzoek daarom afwijzen.
Wat betreft de emotionele psychische schade door pijn en stress overweegt de commissie dat voldoende aannemelijk is geworden dat cliënte door het tekortschieten in de nabehandeling door de zorgaanbieder vanaf 22 januari 2020 maandenlang veel pijn heeft geleden en stress heeft ervaren, die zij naar alle waarschijnlijkheid bij een juiste behandeling gedurende een (veel) kortere periode en in mindere mate zou hebben geleden en ervaren. De commissie is dan ook van oordeel dat er sprake is van causaal verband tussen het – gegronde – klachtonderdeel b) en de gestelde immateriële schade bij cliënte.
De commissie stelt het bedrag van de vergoeding van immateriële schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op € 7.500,–. Voor het overige zal de commissie de vordering tot vergoeding van (im)materiële schadevergoeding afwijzen.

Op grond van voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat:
– klachtonderdeel A ongegrond is;
– klachtonderdeel B gegrond is;
– de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk moet worden toegewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van cliënte wat betreft onderdeel A ongegrond;
– verklaart de klacht van cliënte wat betreft onderdeel B gegrond;
– wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 7.500,–;
– wijst de vordering tot (im)materiële schadevergoeding voor het overige af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder, nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan cliënte dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– bepaalt dat betaling van de schadevergoeding en het klachtengeld binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies dient plaats te vinden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. M.T.W.T. Lock, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 28 oktober 2021.