Wrakingsverzoek afgewezen: geen aanwijzingen voor partijdigheid

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Wrakingscommissie    Categorie: Wraking    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: -

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak vroeg een verzoeker of de leden van de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg vervangen mochten worden, omdat hij vond dat de commissie tijdens zijn klachtbehandeling onduidelijk, onzorgvuldig en mogelijk partijdig had gehandeld. Hij noemde verschillende punten, zoals een te late beslissing over de volgorde van de behandeling, het niet beantwoorden van één van zijn brieven, onduidelijkheid over welke stukken mochten worden gebruikt, een volgens hem verkeerde samenvatting van zijn klachten en dat hij niet het laatste woord kreeg. Ook had hij vragen over waarom bepaalde documenten waren opgevraagd en waarom sommige onderwerpen tijdens de zitting wel of niet werden besproken. De wrakingscommissie bekeek al deze punten en legde uit dat zij moet beoordelen of er objectieve redenen zijn om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de voorzitter of de commissieleden. De commissie vond dat dit niet het geval was. Veel van de bezwaren gingen over de manier waarop de zitting werd geleid of over inhoudelijke keuzes, maar dat betekent volgens de wrakingscommissie niet dat een voorzitter partijdig is. De commissie heeft bovendien de vrijheid om te bepalen hoe de klacht wordt behandeld, welke stukken nodig zijn en welke onderwerpen tijdens de zitting worden besproken. De verzoeker had zijn kritiek vaak niet goed onderbouwd en er waren geen aanwijzingen dat de commissieleden de zaak oneerlijk of vooringenomen behandelden. Daarom verklaarde de wrakingscommissie het verzoek direct niet‑ontvankelijk. Dit betekent dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen en dat de oorspronkelijke commissie de zaak gewoon verder mag behandelen.

De volledige uitspraak

in het verzoek van:

[verzoeker],

welk verzoek strekt tot wraking van:

[…], voorzitter van de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: de voorzitter).

Het wrakingsverzoek en de reactie van de voorzitter
Het verzoek van [datum] strekt tot wraking van de [naam voorzitter], in de zaak met nummer [zaaknummer] tussen verzoeker en de zorgaanbieder [naam]. Voor het standpunt van verzoeker verwijst de wrakingscommissie naar het wrakingsverzoek met bijlagen.

Op 5 februari 2025 heeft de voorzitter op het wrakingsverzoek gereageerd met de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen. Voor het standpunt van de voorzitter verwijst de wrakingscommissie naar voornoemd bericht.

De beoordeling
Bevoegdheid en ontvankelijkheid

Op grond van artikel 2 van het reglement van de wrakingscommissie heeft de wrakingscommissie tot taak te beslissen op een wrakingsverzoek van een van de partijen in een geschil dat door een geschillencommissie in behandeling is genomen.

Verzoeker heeft het wrakingsverzoek gedaan naar aanleiding van de behandeling ter zitting van een geschil door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: de commissie) op [datum]. Hij doet daarmee een beroep op artikel 25 van het reglement van de commissie, waarin de mogelijkheid tot wraking van leden van de commissie is vastgelegd. De wrakingscommissie stelt vast dat het wrakingsverzoek conform artikel 25 van het reglement van de commissie binnen de termijn van één week na de zittingsdatum door verzoeker is ingediend. Verzoeker kan daarom in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen.

Beoordeling wrakingsgronden
Verzoeker heeft de volgende (samengevat weergegeven) wrakingsgronden naar voren gebracht:

  • de reactie op het voorstel van verzoeker om vooraf onderzoek te doen,
  • de late regiebeslissing met betrekking tot de voorbeslissing,
  • de brief van 14 november 2024 van verzoeker is niet beantwoord,
  • het bleef onduidelijk of verzoeker argumentatie mocht gebruiken uit de niet ontvankelijk verklaarde hoofdstukken van zijn klacht en/of het ontvankelijkheidsverweer van de zorgaanbieder (wederom) zal worden beoordeeld,
  • het bleef onduidelijk of de commissie de stukken uit het dossier heeft gelezen,
  • het bleef onduidelijk waarom de commissie de verwijsbrief heeft opgevraagd en of er consequenties worden verbonden aan het niet toezenden hiervan,
  • de omschrijving van de klachten in “Hoofdstuk 7” is onjuist,
  • de voorzitter is (onnodig) meegegaan in het onderzoek van de zorgaanbieder of de uitschrijfbrief wel of niet is aangekomen,
  • voorzitter heeft een onjuist aantal facturen genoemd en geen vragen gesteld over de derde factuur,
  • verzoeker heeft geen gelegenheid gekregen tot het laatste woord,
  • de vraag van de voorzitter aan verzoeker “Hoe ga je hiermee verder, wat ga je hierna doen?”

Beoordelingskader
De wrakingscommissie zal deze wrakingsgronden aan de hand van het volgende beoordelingskader behandelen.

De wrakingscommissie dient ingevolge artikel 7 lid 5 van het reglement van de wrakingscommissie en artikel 24 lid 1 van het reglement van de commissie te onderzoeken of er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid, wiens wraking is verzocht. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid is wel van belang, maar niet doorslaggevend. De vrees van partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

Wrakingsgrond 1
Verzoeker stelt dat zijn voorstel aan de commissie om vooronderzoek te doen 1) niet is beantwoord en 2) dat de commissie in haar reactie op zijn voorstel suggereerde dat het voorgestelde vooronderzoek niet reglementair is. De voorzitter heeft in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat het aan de commissie is om een vooronderzoek te entameren en dat het volgens de commissie in dit geval niet noodzakelijk was.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de commissie op 27 augustus 2024 als volgt heeft gereageerd op het voorstel van verzoeker:

“de commissie zal op het daarvoor geëigende moment bepalen hoe het geschil behandeld zal worden, inclusief de kaderkeuze, volgorde van behandeling en de te bespreken onderwerpen. Mocht tijdens de zitting blijken dat er aanvullende informatie of onderzoek nodig is voor een gedegen behandeling van het geschil, dan zal de Commissie daar naar handelen conform reglement.”

Naar het oordeel van de wrakingscommissie is het voorstel van verzoeker met dit bericht beantwoord en volgt niet uit deze reactie dat er gesuggereerd wordt dat het voorstel van verzoeker niet reglementair is. De commissie geeft slechts aan dat als zij aanleiding ziet om een dergelijk aanvullend onderzoek uit te laten voeren dat zij hiertoe zal beslissen conform het reglement. Dit is een inhoudelijke beslissing met betrekking tot de wijze waarop het geschil zal worden behandeld, waaruit geen sprake is van (objectief)

gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Deze wrakingsgrond leidt dan ook niet toewijzing van het wrakingsverzoek.

Wrakingsgrond 2  
Verzoeker stelt dat de regiebeslissing van de commissie, om één dag voor de zitting te beslissen dat eerst een voorbeslissing wordt genomen zonder de aanwezigheid van partijen, extreem laat is en erop duidt dat de zaak niet goed is voorbereid door de commissie. De voorzitter heeft in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat het binnen de Geschillencommissie vast beleid is om een inhoudelijke behandeling op een zitting om te zetten naar een voorbeslissing als hier expliciet om wordt verzocht door de beklaagde. De voorzitter betwist dat dit gezien kan worden als partijdigheid.

De wrakingscommissie is het met verzoeker eens dat het beter was geweest als de commissie eerder aan partijen had medegedeeld dat zij de inhoudelijke behandeling omzet in een voorbeslissing. Desalniettemin leidt deze wrakingsgrond niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek. Immers, dat de regiebeslissing laat is gemaakt betekent niet dat de commissie de zaak niet goed heeft voorbereid. Nu bij de voorbeslissing slechts processuele beslissingen worden gemaakt, in dit geval over de ontvankelijkheid van de klachtonderdelen, en dus niet inhoudelijk op het geschil wordt ingegaan, was het daarnaast niet nodig dat de partijen op de zitting aanwezig waren of een schriftelijke inbreng gaven. Ook hier is geen sprake van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 2 faalt derhalve.

Wrakingsgrond 3
Verzoeker stelt dat zijn brief van 14 november 2025, waarin hij een aantal vragen stelt over “de inhoudelijke onderbouwing”, het “onderzoek” en de “verwijsbrief”, niet beantwoord is door de commissie, terwijl het verzoek van uitstel van de zorgaanbieder wel beantwoord is. De voorzitter heeft in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat hij als voorzitter geen bilateraal contact kan opnemen met een van partijen om afspraken te maken over de wijze waarop een klacht kan worden onderbouwd.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Het is niet de bedoeling dat de voorzitter voorafgaand aan de zitting met één van partijen in discussie treedt over de voorbereiding van zijn of haar standpunt, de behandeling van de klacht en een eerder gemaakt processueel besluit. Verder staat vast dat de commissie op 27 augustus 2024 al heeft geantwoord op het voorstel van verzoeker om een onderzoek in te stellen en dat de voorzitter tijdens de zitting van [datum] duidelijk heeft aangegeven dat enkel de hoofdstukken 7 en 8 ter sprake kunnen komen.  Er is geen sprake van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 3 faalt dan ook.

Wrakingsgrond 4  
Verzoeker stelt dat voorzitter geen duidelijkheid heeft gegeven of argumentatie uit niet ontvankelijk verklaarde hoofdstukken kan worden gebruikt door verzoeker bij de onderbouwing van de rest van zijn klacht en/of het niet-ontvankelijkheidsverweer van de zorgaanbieder wederom zal worden beoordeeld.

De voorzitter heeft in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat hij geen mededelingen kan doen over de wijze waarop een onderbouwing moet worden gegeven van klachtonderdelen tijdens een hoorzitting. Volgens de voorzitter zou dit blijk geven van een voorkeursbehandeling van een procespartij. Daarnaast bleek tijdens het uitspreken van de pleidooien dat klager zeer goed in staat is om de onderbouwing zelf vorm te geven, aldus de voorzitter.

De wrakingscommissie constateert dat deze wrakingsgrond samenhangt met wrakingsgrond 4. Zoals hiervoor reeds overwogen staat vast dat de voorzitter tijdens de zitting van [datum] duidelijk heeft aangegeven dat enkel de hoofdstukken 7 en 8 ter sprake kunnen komen. Daarnaast staat vast dat de voorzitter tijdens de zitting eveneens duidelijk heeft aangegeven dat de ontvankelijk verklaring niet ter discussie staat. De voorzitter heeft dus wel degelijk duidelijk antwoord gegeven op voornoemde vragen van verzoeker. Er is geen sprake van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 4 faalt dan ook.

Wrakingsgrond 5
Verzoeker stelt dat de voorzitter geen antwoord heeft gegeven op de vraag hoe de commissie voorkomt dat inbreng van partijen niet wordt meegenomen in de beoordeling bij de inhoudelijke behandeling. De voorzitter heeft in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat hij niet op deze vraag is ingegaan, omdat verzoeker hiermee enkel zijn ongenoegen over de ontvankelijkheidsverklaring wilde uitspreken.

De wrakingscommissie constateert dat verzoeker deze vraag heeft gesteld omdat volgens hem relevante inbreng van hem door de commissie niet is meegenomen in de ontvankelijkheidsverklaring. Gelet hierop begrijpt de wrakingscommissie dat de voorzitter hier niet verder op is ingegaan. De commissie hoeft geen verantwoording af te leggen aan verzoeker. Er is geen sprake van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 5 faalt derhalve.

Wrakingsgrond 6
Verzoeker stelt dat onduidelijk is gebleven waarom de commissie in haar ontvankelijkheidsverklaring de verwijsbrief van de huisarts heeft opgevraagd en of er consequenties worden verbonden aan het niet toezenden hiervan.

De wrakingscommissie overweegt als volgt.  Het is aan de commissie, zonder dat hiervoor een nadere verklaring hoeft te worden gegeven, om bepaalde informatie/stukken op te vragen, indien zij dit noodzakelijk acht. De commissie ziet dan ook niet in dat het niet beantwoorden van een brief van verzoeker kan leiden tot een objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 6 faalt dan ook.

Wrakingsgrond 7  
Verzoeker stelt dat de voorzitter de klachten in “Hoofdstuk 7” niet juist heeft omschreven ter zitting. Ondanks dat verzoeker de voorzitter hierop wijst, corrigeert hij de omschrijving niet. Volgens verzoeker heeft de voorzitter het hoofdstuk, daarmee zijn klacht, verminkt door deze te beperken tot “de uitschrijfbrief aan de huisarts”. Andere onderwerpen die in het hoofdstuk staan worden hierdoor niet behandeld door de commissie, aldus verzoeker.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Het is gebruikelijk dat de voorzitter een samenvatting geeft van de klachten, en niet de volledige omschrijving van de klachten zoals ingediend. Het behandelen van alle stellingen van partijen in een klacht is gelet op de geplande zittingsduur namelijk niet mogelijk. De voorzitter kan de mondelinge behandeling dan ook beperken tot de onderwerpen waarvoor de commissie nog nadere toelichting nodig heeft. Er is geen sprake van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 7 faalt dan ook.

Wrakingsgrond 8  
Verzoeker stelt dat de voorzitter (onnodig) mee is gegaan in het onderzoek van de zorgaanbieder of de uitschrijfbrief van 29 april 2022 wel of niet is aangekomen bij de huisarts. Volgens verzoeker lost dit onderzoek echter geen enkele klacht op. De voorzitter heeft in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat het klachtonderdeel “brief aan huisarts” op basis van hoor en wederhoor als ook door nadere vragen vanuit de commissie heeft plaatsgevonden. Dat verzoeker wellicht andere vragen en tenminste andere antwoorden zou willen hebben gehad neemt de correcte wijze van behandeling tijdens de hoorzitting niet weg, aldus de voorzitter.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Dat de voorzitter tijdens de zitting een nadere toelichting heeft gevraagd over een verweer van de zorgaanbieder leidt niet tot de conclusie dat er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Dat verzoeker liever had gezien dat de voorzitter in dit kader andere vragen stelde aan de zorgaanbieder maakt dit niet anders. Wrakingsgrond 8 faalt dan ook.

Wrakingsgrond 9  
Verzoeker stelt dat de voorzitter een onjuist aantal facturen ter zitting heeft genoemd en geen vragen heeft gesteld over de derde factuur. De voorzitter heeft in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat ook dit klachtonderdeel op basis van hoor en wederhoor en nadere vragen vanuit de commissie heeft plaatsgevonden.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Dat (mogelijk) niet alle facturen waarover tussen partijen een geschil bestaat tijdens de zitting aan bod zijn gekomen betekent niet dat de klacht over de facturen niet volledig behandeld wordt door de commissie. Zoals hiervoor reeds overwogen laat de geplande zittingstijd niet toe om alles in de klacht in detail te bespreken. De wrakingscommissie gaat ook niet mee in het betoog van verzoeker dat de voorzitter ter zitting is meegegaan in het verweer van de zorgaanbieder dat het om een verschil van “directe/indirecte” tijd gaat, nu er geen concrete aanknopingspunten zijn gesteld waaruit dit blijkt. De enkele omstandigheid dat (mogelijk) niet alle facturen ter zitting zijn besproken, brengt niet met zich mee dat er sprake is van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 9 faalt dan ook.

Wrakingsgrond 10  
Verzoeker stelt dat de voorzitter niet aan verzoeker de gelegenheid heeft gegeven om het laatste woord te geven. De voorzitter heeft in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent de beklaagde in een hoorzitting het laatste woord heeft. Dit is gebruikelijk en in lijn met het recht en de voorzitter heeft voorafgaande aan de zitting medegedeeld op welke wijze de hoorzitting zou plaatsvinden. Er kan dus ook geen sprake van een verassing bij verzoeker over het laatste woord, aldus de voorzitter.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Een voorzitter mag zelf de gang van zaken tijdens de zitting bepalen. Naar het oordeel van de wrakingscommissie is het niet ongebruikelijk dat de beklaagde degene is die het laatst woord krijgt. Het feit dat de voorzitter het laatste woord heeft gegeven aan de zorgaanbieder kan dus niet tot de conclusie leiden dat er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 10 faalt dan ook. 

Wrakingsgrond 11
Verzoeker stelt dat de voorzitter hem tijdens de zitting heeft gevraagd “hoe ga je hiermee verder, wat ga je hierna doen?”, terwijl onduidelijk is hoe de antwoorden van verzoeker gebruikt worden voor de beoordeling van het geschil. De voorzitter heeft in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat de kern van de vraag is om antwoord te krijgen of verzoeker een berusting in de uitspraak zou kunnen vinden. Volgens de voorzitter heeft verzoeker zijn vraag helder beantwoord.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Enkel uit de vraag van de voorzitter zoals door verzoeker benoemd, kan niet worden afgeleid dat er sprake is van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Verzoeker stelt zelf in zijn wrakingsverzoek dat de voorzitter ter zitting heeft aangegeven dat hij voornoemde vraag slechts stelt uit belangstelling, en dat het antwoord daarop van verzoeker niet nodig is voor de beslissing. Het betoog van verzoeker dat voor hem onduidelijk was hoe de antwoorden van verzoeker gebruikt worden voor de beoordeling van het geschil faalt dan ook en kan niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek. Wrakingsgrond 11 faalt dan ook.

Conclusie
De conclusie uit het voorgaande is dat verzoeker, conform artikel 6 sub a van het reglement van de wrakingscommissie, terstond niet ontvankelijk wordt verklaard in haar wrakingverzoek.

Derhalve wordt als volgt beslist.

De beslissing
De wrakingscommissie:
– verklaart verzoeker terstond niet ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de voorzitter.

Opslaan als PDF