Commissie: Wrakingscommissie
Categorie: Wraking
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: Kennelijk ongegrond
Referentiecode:
-
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In deze zaak vroeg een verzoeker om de voorzitter van een geschillencommissie te vervangen, omdat hij vond dat deze eerder onjuist zou hebben gehandeld en niet volgens de regels zou werken. De wrakingscommissie onderzocht of er objectieve redenen waren om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de voorzitter. Dat is de wettelijke maatstaf. De verzoeker voerde drie redenen aan: de voorzitter zou hebben gelogen over het doorsturen van zijn zaak naar een andere commissie, de wederpartij zou nog steeds niet hebben voldaan aan een eerdere uitspraak, en de voorzitter zou ten onrechte hebben toegestaan dat de zitting via Zoom kon worden bijgewoond. De wrakingscommissie oordeelde dat geen van deze punten wijst op partijdigheid. Het doorsturen van de zaak was niet de verantwoordelijkheid van de voorzitter zelf, maar een organisatorische taak van het secretariaat. Dat de wederpartij een uitspraak niet nakomt, maakt de voorzitter niet partijdig; hij heeft geen rol bij de uitvoering van uitspraken. Ook het aanbieden van een digitale zitting is toegestaan, omdat de regels alleen bepalen dat de beklaagde “in persoon” moet verschijnen, maar niet dat dit fysiek moet zijn. Omdat alle wrakingsgronden duidelijk ongegrond zijn, is het verzoek zonder verdere behandeling afgewezen. Hierdoor blijft de voorzitter zijn taak uitoefenen en gaat de behandeling van de zaak gewoon door.
De volledige uitspraak
in het verzoek van:
[verzoeker],welk verzoek strekt tot wraking van:
[…], voorzitter van de Tuchtcommissie NIVRE (hierna: de voorzitter).Het wrakingsverzoek
Het verzoek van 6 maart 2025 strekt tot wraking van de voorzitter, [naam voorzitter], in [zaaknummer] tussen verzoeker en [beklaagde] (hierna: de beklaagde). Voor het standpunt van verzoeker verwijst de wrakingscommissie naar het wrakingsverzoek.
Op 9 maart 2025 heeft de voorzitter aangegeven dat hij niet berust in de wraking.
De beoordeling
Bevoegdheid en ontvankelijkheid
Op grond van artikel 2 lid 1 van het reglement van de wrakingscommissie heeft de wrakingscommissie tot taak te beslissen op een wrakingsverzoek van een van de partijen in een geschil dat door een geschillencommissie of tuchtcommissie in behandeling is genomen.
Verzoeker heeft het wrakingsverzoek gedaan naar aanleiding van de geplande behandeling ter zitting van een geschil door de [naam commissie] (hierna: de commissie) op [datum]. Hij doet daarmee een beroep op artikel 20 lid 1 van het reglement van de commissie, waarin de mogelijkheid tot wraking van leden van de commissie is vastgelegd. Conform artikel 20 lid 1 van het reglement van de commissie dient een wrakingsverzoek gedaan te worden binnen uiterlijk één week na de zitting waarop het geschil is behandeld. In dit geval heeft de zitting nog niet plaatsgevonden. De voorzitter van de wrakingscommissie stelt daarom vast dat verzoeker in beginsel ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek.
Klacht Geschillencommissie Energie
De voorzitter van de wrakingscommissie constateert dat verzoeker in zijn wrakingsverzoek ook verwijst naar zijn klacht van 16 september 2024 over de zitting van de Geschillencommissie Energie van [datum zitting], waarbij de heer [naam] fungeerde als voorzitter. De gronden in deze klacht zullen niet door de wrakingscommissie in behandeling worden genomen, nu de termijn voor wraking van de leden van de Geschillencommissie Energie is verstreken één week na de zitting van 15 september 2024 en verzoeker kennelijk de voorzitter niet binnen deze termijn heeft gewraakt. Daarbij komt dat deze klacht geen verband houdt met de overig aangevoerde wrakingsgronden. Voornoemde klacht zal dan ook worden behandeld door de Klachtencommissie nadat einduitspraak is gedaan in de zaak [zaaknummer], zoals verzocht door verzoeker, en niet tevens als wrakingsgrond.
Beoordeling wrakingsgronden
De beoordeling van het wrakingsverzoek ziet gelet op het voorgaande enkel op de volgende wrakingsgronden:
- De voorzitter heeft gelogen in zijn uitspraak van [datum] van de Geschillencommissie Energie over de verwijzing van de zaak naar de Geschillencommissie Energie Prijsplafond;
- Ondanks de uitspraak van [datum] van de Geschillencommissie Energie is de wederpartij haar verplichtingen nog niet nagekomen;
- De voorzitter heeft in strijd met het reglement van de commissie aangekondigd dat partijen de zitting via Zoom kunnen bijwonen.
De wrakingscommissie zal deze wrakingsgronden aan de hand van het volgende beoordelingskader behandelen.
Beoordelingskader
De wrakingscommissie dient ingevolge artikel 2 lid 2 van het reglement van de wrakingscommissie en artikel 20 lid 1 van de commissie te onderzoeken of er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid, wiens wraking is verzocht. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid is wel van belang, maar niet doorslaggevend. De vrees van partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
Wrakingsgrond 1 – verwijzing zaak naar de Geschillencommissie Energie Prijsplafond
Verzoeker stelt dat de voorzitter heeft gelogen in de uitspraak van [datum] van de
Geschillencommissie Energie. In de uitspraak schreef hij namelijk “en verwijst de zaak naar de commissie energie prijsplafond ter verdere behandeling en afdoening”. De zaak is echter na ruim een half jaar nog steeds niet in behandeling genomen bij de Geschillencommissie Energie Prijsplafond, terwijl de voorzitter ook op de zitting van de Geschillencommissie Energie nadrukkelijk had verklaard de zaak te zullen doorsturen aan de Geschillencommissie Energie Prijsplafond.
De voorzitter van de wrakingscommissie overweegt als volgt. Dat de Geschillencommissie Energie Prijsplafond de zaak van verzoeker na verwijzing van de Geschillencommissie Energie nog niet in behandeling heeft genomen is niet aan de voorzitter te wijten. De planning van zittingen voor de behandeling van klachten wordt geregeld door het secretariaat van de Stichting De Geschillencommissie, en niet door de voorzitter. De voorzitter heeft dus niet gelogen in zijn uitspraak; de zaak is verwezen. Er is hier dan ook geen sprake van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 1 is daarom kennelijk ongegrond.
Wrakingsgrond 2 – nakoming wederpartij
Verzoeker stelt dat de voorzitter onbetrouwbaar is, omdat hij in de uitspraak van [datum] van de Geschillencommissie Energie het volgende heeft geschreven:
“Aldus komt de commissie tot het oordeel dat de ondernemer de salderingsregeling op onjuiste wijze heeft toegepast en zal zij de ondernemer veroordelen tot een correctie van de jaarrekening waarbij eerst van het totale verbruik de totale teruggeleverde energie wordt afgetrokken, hetgeen in het geval van de consument neerkomt op een saldo van 575 kWh, dat door hem dient te worden betaald. Het in rekening brengen van dit verbruik dient voor wat betreft de toe te passen tarieven vervolgens te geschieden overeenkomstig de voorwaarden van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Waarbij het de ondernemer vrijstaat rekening te houden met eventuele verschillende tarieven in de factuurperiode”.
Verzoeker heeft echter tot op heden geen correcte jaarnota ontvangen van de wederpartij, terwijl de Geschillencommissie op haar website stelt dat de uitspraak altijd wordt nagekomen.
De voorzitter van de wrakingscommissie overweegt als volgt. De verantwoordelijkheid tot nakoming van de uitspraak ligt bij de wederpartij. Net als in een civiele procedure bij de rechtbank heeft een rechter, en in dit geval de voorzitter, geen invloed erop of de uitspraak wordt nakomen of niet. Op de website van de Stichting de Geschillencommissie staat vermeld dat het schriftelijk gemeld dient te worden bij de Stichting De Geschillencommissie als de wederpartij zich niet houdt aan een uitspraak van een geschillencommissie. Verzoeker kan dit doen door een bericht (via zaaksysteem) in zijn Energie zaak te plaatsen. Het secretariaat zal in dat geval aan de wederpartij een herinnering sturen om de betreffende uitspraak na te komen en de branche waarbij de wederpartij is aangesloten op de hoogte stellen dat hun lid de uitspraak niet nakomt. Dit is dus niet de taak van de voorzitter. Ook hier is geen sprake van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter, waardoor wrakingsgrond 2 eveneens kennelijk ongegrond is.
Wrakingsgrond 3 – zitting bijwonen via Zoom
Verzoeker stelt dat de voorzitter in strijd met artikel 9 van het reglement van de commissie in de zittingsuitnodiging heeft aangekondigd dat de zitting van 20 maart 2025 door partijen via Zoom kan worden bijgewoond. Verzoeker heeft echter al eerder aangegeven dat hij eist dat de beklaagde in die zaak fysiek aanwezig is.
De voorzitter van de wrakingscommissie overweegt als volgt. In artikel 9 van het reglement van de commissie is, voor zover relevant, het volgende bepaald.
“Artikel 9
- Indien de commissie dit nodig acht of indien één partij of beide partijen hiertoe de wens te kennen geeft of geven, worden beide partijen opgeroepen teneinde mondeling te worden gehoord. De commissie stelt plaats, dag en uur vast en stelt partijen daarvan op de hoogte.
- De beklaagde is verplicht in persoon ter zitting te verschijnen. Is de beklaagde een rechtspersoon dan dient deze zich in persoon te laten vertegenwoordigen door een statutair directeur of beherend vennoot, vergezeld van de daarvoor in aanmerking komende medewerkers van beklaagden.”
In dit artikel is dus slechts bepaald dat de beklaagde verplicht is om “in persoon ter zitting te verschijnen”. De wijze waarop de beklaagde dit doet, fysiek of digitaal, is niet bepaald. Dat partijen in de zittingsuitnodiging de mogelijkheid is gegeven om digitaal te verschijnen kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat er sprake is van (objectief) gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 3 is daarom kennelijk ongegrond.
Conclusie
De conclusie uit het voorgaande is dat het wrakingsverzoek van verzoeker, conform de artikelen 6 en 8 van het reglement van de wrakingscommissie, ambtshalve kennelijk ongegrond wordt verklaard door de voorzitter van de wrakingscommissie, nu reeds aanstonds blijkt dat de wrakingsgronden van verzoeker ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.
Derhalve wordt als volgt beslist.