Gemeenten bereiken akkoord over verdeling jeugdzorgkosten

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang    Categorie: Jeugdzorg    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: schikking ter zitting   Referentiecode: 1102114/1245334

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zaak gaat over een discussie tussen twee gemeenten over wie de jeugdzorgkosten voor een jeugdige in 2022 moet betalen. Door een verandering in het woonplaatsbeginsel was de verantwoordelijkheid voor deze jongere overgedragen van de ene gemeente naar de andere. Toch had de ene gemeente (de indiener) de kosten over 2022 niet op tijd inzichtelijk gekregen, waardoor zij geen gebruik meer kon maken van een landelijke regeling (SPUK-regeling) voor vergoeding van hoge jeugdzorgkosten. Toen later alsnog bleek dat er in 2022 kosten waren gemaakt, wilde de andere gemeente (de verweerder) dat de indiener het volledige bedrag van ruim € 114.000,- betaalde. De indiener vond dit niet redelijk, onder meer omdat de verweerder volgens hen de administratie niet op orde had en pas heel laat duidelijkheid gaf. Tijdens de zitting bleek dat beide gemeenten het geschil liever wilden oplossen dan laten beslissen door de commissie. Zij hebben daarom een schikking getroffen: beide gemeenten betalen de helft van het totaalbedrag. De commissie hoefde daardoor geen inhoudelijk oordeel meer te geven en legde alleen de gemaakte afspraak vast.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De indiener heeft de klacht voorgelegd aan verweerder.

Het geschil betreft een verschil van inzicht tussen partijen over de financiering van jeugdzorgkosten over het jaar 2022.

Standpunt van de indiener

Voor het standpunt van de indiener verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De jeugdige is vanuit de voormalige gemeente Landerd (nu gemeente Maashorst) op grond van het nieuwe woonplaatsbeginsel overgedragen aan de voormalige gemeente Cuijk (nu gemeente Land van Cuijk).

Over de jaren 2022 en 2023 heeft de gemeente van de indiener de kosten voor Jeugdbescherming aan Gecertificeerde Instelling (GI), Leger des Heils Jeugdbescherming en reclassering betaald. De kosten over 2022 bedragen € 9.893,40 en de kosten over 2023 bedragen € 10.053,30.

Op 22 januari 2024 heeft de gemeente van de verweerder verzocht om de jeugdige over te nemen. De verweerder heeft deze kosten in eerste instantie zelf voldaan, terwijl de jeugdige eind 2021 al correct is overgedragen aan de gemeente van de indiener.

In het verzoek van de aanbieder jegens de indiener werd alleen gesproken over kosten over 2023. Zonder verdere vragen heeft de indiener deze kosten ook overgenomen. Daarna werd pas gesproken over de kosten van 2022. De indiener heeft nagevraagd hoe het kan dat deze kosten pas later boven water zijn gekomen. De verweerder heeft gereageerd dat er toch geen kosten over 2022 zijn.

Eind juli 2024 verliep de inschrijving om gebruik te kunnen maken van de SPUK-regeling (Regeling specifieke uitkering niet beoogde kosten jeugdzorg vanwege verblijf in gemeente). Om die reden is nog contact gelegd met de verweerder over de kosten van 2022. Het college van de verweerder zou daar nog een besluit over nemen. Vanwege de naderende deadline heeft de indiener de kosten van 2023 ingediend bij de SPUK-regeling. De kosten over 2023 zijn in augustus 2024 aan de verweerder betaald. Dit is vanuit de SPUK-regeling aan de indiener vergoed.

Pas in oktober 2024 heeft de verweerder laten weten dat de kosten over 2022 toch bij de indiener teruggevraagd gaan worden, hetgeen een bedrag van € 114.511,45 betreft.

Vanaf november 2024 heeft contact plaatsgevonden tussen partijen om een oplossing te bereiken, maar dit is niet gelukt. De verweerder wil een volledige vergoeding van de kosten over het jaar 2022. De indiener vindt dit niet redelijk, omdat de verweerder het dossier zelf lange tijd niet op orde leek te hebben. Het definitieve besluit over de kosten van 2022 heeft lang op zich laten wachten. Hierdoor kon de indiener geen gebruik meer maken van de SPUK-regeling.

Standpunt van verweerder

Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

Per 1 januari 2022 heeft er een correcte overdracht van de verantwoordelijkheid voor de betreffende jeugdige plaatsgevonden van de (toenmalige) gemeente Landerd naar gemeente Land van Cuijk. In augustus 2023 heeft de zorgaanbieder alsnog verblijfskosten over geheel 2022 gedeclareerd bij de verweerder, ondanks de eerdere overdracht van verantwoordelijkheid naar de gemeente van de indiener.

Tegelijkertijd zijn ook kosten over 2023 ingediend, waarbij sprake was van excessief hoge uitgaven (meer dan € 200.000,–). Hierdoor viel de casus onder de regionale regeling Excessieve Casuïstiek van Brabant Noord-Oost, waarin gemeenten de lasten delen van uitzonderlijk dure jeugdzorgkosten. Eind 2023 meldden ook het Leger des Heils (voogdij) en andere zorgaanbieders zich bij gemeente Maashorst met onjuiste declaraties.

In december 2023 zijn de ontdekte declaraties en excessieve kosten van 2023 telefonisch besproken met de kwaliteitsadviseur van de indiener. Daarbij is ook aangegeven dat er mogelijk kosten uit 2022 zijn gedeclareerd bij de verweerder die eigenlijk onder verantwoordelijkheid van de indiener vallen. Er is afgesproken om eerst 2023 goed administratief te verwerken om te voorkomen dat de indiener geld zou mislopen met betrekking tot de regionale regeling Excessieve Casuïstiek. De verweerder heeft zich hierin coöperatief en oplossingsgericht opgesteld.

Op 13 februari 2024 is het eerste schriftelijke contact met de indiener over kosten die zijn gemaakt over het jaar 2022. Op 19 februari 2024 vraagt de kwaliteitsadviseur van de indiener aanvullende uitleg over de kosten van 2022. Destijds kon de kwaliteitsadviseur van de verweerder deze kosten niet direct inzichtelijk maken, omdat alle declaraties door de zorgaanbieder pas in augustus 2023 waren ingediend en niet in 2022. Dit werd later bevestigd. Hierna werd het contact met de kwaliteitsadviseur van de indiener overgenomen door de coördinator Backoffice Sociaal Domein van de indiener, die opnieuw om een nadere toelichting vroeg over de kosten van 2022.

De financiële administratie van de verweerder heeft in deze periode intensief gewerkt aan het volledig en correct opleveren van de gegevens voor de regionale regeling Excessieve casuïstiek, inclusief gegevens relevant voor de indiener. Op 1 maart 2024 is de definitieve aanlevering gedaan voor de Excessieve Casuïstiek. Er is in het eerste kwartaal van 2024 prioriteit gegeven aan de Excessieve Casuïstiek van 2023 zodat de indiener hierin geen financiële middelen zou mislopen.

Op 11 juli 2024 heeft de indiener telefonisch verzocht of de verweerder bereid was de kosten over 2022 kwijt te schelden, onder verwijzing naar het gesloten boekjaar en de verwachte administratieve last. Daarbij werd ook gewezen op een fout van de verweerder, die de declaraties van de zorgaanbieder had geaccepteerd ondanks de overdracht in 2022. Op 22 juli 2024 heeft de verweerder per mail aangegeven dat dit verzoek niet ambtelijk kon worden afgehandeld vanwege het financiële belang. Excuses zijn daarbij aangeboden voor het aanvankelijke inzichtsprobleem met betrekking tot de declaraties van 2022.

Het verzoek tot kwijtschelding van de kosten over 2022 is intern beoordeeld en besproken binnen de verweerder. De verweerder heeft besloten de volledige kosten over 2022 terug te vorderen. Dit besluit is gebaseerd op het juridisch uitgangspunt dat bij een correcte toepassing van het woonplaatsbeginsel per
1 januari 2022, de ontvangende gemeente (in dit geval de indiener) met terugwerkende kracht verantwoordelijk is voor alle jeugdzorgkosten vanaf dat moment. Dit wordt bevestigd in de jurisprudentie die in september 2024 vanuit de Geschillencommissie kwam.

De verweerder is van mening dat deze lijn financieel rechtmatig, juridisch en beleidsmatig juist is en biedt hiermee een consistente toepassing van het woonplaatsbeginsel, zoals beoogd binnen het jeugdstelsel.

In november 2024 heeft de indiener een voorstel gedaan tot middeling van de jeugdzorgkosten over 2022, op basis van een 50/50-verdeling. Na interne afweging heeft de verweerder echter besloten niet in te gaan op het voorstel tot middeling.

De indiener gaf aan dat zij aanspraak zijn misgelopen op de landelijke SPUK-regeling vanwege de declaraties over 2022. Deze regeling biedt compensatie voor niet beoogde jeugdzorgkosten bij verblijf, mits er minimaal € 250.000,– aan kosten is gedeclareerd over 2022 en 2023 samen. De indiener heeft voor 2023 wél SPUK aangevraagd en daarvoor middelen ontvangen. Ook heeft zij bijdragen ontvangen vanuit de regionale regeling Excessieve Casuïstiek over 2023. De inhoud van de kosten voor 2022 zijn op
26 juni 2024 aan de indiener bekendgemaakt, de SPUK-aanvraagperiode liep nog tot 31 juli 2024. Daarmee had de indiener nog voldoende gelegenheid om de aanvraag aan te passen of uit te breiden. Het argument dat de SPUK-aanvraag daardoor is misgelopen, is feitelijk onjuist en kan niet worden aangemerkt als grond voor kwijtschelding of kostenverdeling.

Daarnaast is de verweerder in de periode maart 2024 tot en met eind juni 2024 voortdurend in contact geweest met de indiener, zowel mondeling als schriftelijk. In deze communicatie is steeds transparant gecommuniceerd over de voortgang en inhoud van de kosten over 2022. De indiener is daarmee tijdig en adequaat geïnformeerd en op de hoogte dat er nog geen besluit was genomen op hun aanvraag voor de kwijtschelding van de kosten over 2022.

Beoordeling van het geschil

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt over de wijze waarop het geschil opgelost zal worden. Dit betekent dat de commissie niet toekomt aan een beoordeling van het geschil. Volstaan wordt met het hierna vastleggen van de tussen partijen tot stand gekomen schikking.

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling van het geschil ter algehele en finale kwijting van dit geschil overeengekomen dat beide partijen de totale kosten ter hoogte van € 114.511,45 voor de helft dragen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De totale kosten van € 114.511,45 worden door partijen gedeeld, ieder voor gelijke delen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw drs. M.E. Peltenburg, mevrouw E. Liefaard, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 4 december 2025.

Opslaan als PDF