Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: Klachtenbehandeling
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1118250/1298201
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Deze zaak gaat over een conflict tussen een cliënt en GGZ Breburg over de begeleiding die zij kreeg. De cliënt vindt dat zij te weinig bezoeken en te weinig hulp heeft gekregen en dat zij slecht is behandeld. Ook is zij ontevreden over hoe haar klacht is afgehandeld. De zorgaanbieder erkent dat er een periode minder begeleiding was, maar zegt dat er geen bewijs is dat dit heeft geleid tot de schade die de cliënt stelt. De Geschillencommissie oordeelt dat de zorgaanbieder de klacht zorgvuldig heeft onderzocht en behandeld. Omdat de schade en het verband met de begeleiding niet zijn aangetoond, wijst de commissie de schadevergoeding af en verklaart zij de klacht ongegrond.
De volledige uitspraak in het geschil tussen
mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
stichting GGZ Breburg Groep, gevestigd te Tilburg
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de begeleiding van de cliënt en de daarbij behorende bezoeken.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder heeft de cliënt onvoldoende bezocht en heeft onvoldoende begeleiding geboden. Zo werden wandelafspraken niet nagekomen en zijn gedurende enkele weken ook andere bezoeken niet doorgegaan. In de begeleiding die wel plaatsvond was sprake van een verstoorde relatie, wat zich uitte in onethisch gedrag, pesten en nalatigheid door de zorgaanbieder.
Klachten van de cliënt hierover zijn door de zorgaanbieder niet zorgvuldig opgepakt.
De cliënt heeft hierdoor ernstig nadeel ondervonden, wat zich uit in suïcidaliteit. De cliënt wenst een schadevergoeding van € 25.000,- voor haar psychische, emotionele en materiële schade.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Onvoldoende zorgverlening
Uit informatie van het ART-team is gebleken dat de cliënt inderdaad een periode niet of minder is bezocht.
Ten aanzien van de bejegening door het ART-team is een Prisma-onderzoek uitgevoerd. Hieruit volgt allereerst dat geen enkel teamlid de intentie had om de cliënt buiten te sluiten of te pesten. Wel heeft een aantal teamleden aangegeven dat het een zoektocht was om de cliënt goede begeleiding te bieden en dat soms ook onenigheid met haar ontstond tijdens de bezoeken. Ook bleek dat de cliënt de mogelijkheid om door een medewerker bezocht te worden, soms zelf ook afwees.
Ten tweede bleek een aantal werkprocessen in het team niet goed op orde te zijn. Dit gaat onder andere over het vastleggen van afspraken op de juiste plek in het dossier, tijdig evaluatiemomenten inplannen, werken met een begeleidingsplan en ruimte voor onderlinge afstemming. Doordat een aantal werkprocessen niet op orde was, is er in de communicatie met de cliënt en over de cliënt in het team onduidelijkheid ontstaan. Dit heeft voor wrijving in de onderlinge communicatie binnen het team gezorgd en mogelijk heeft de cliënt daar ook signalen van opgevangen.
Het is door de werkwijze van het team en de gevolgen die dat heeft in de begeleiding vanuit het verleden van de cliënt wel goed te volgen dat dit mogelijk een effect heeft gehad op haar gevoel van gepest of buitengesloten worden. De zorgaanbieder ziet geen oorzakelijk verband tussen het vertraagde herstel van de cliënt en het niet ontvangen van de geïndiceerde begeleiding. Wel is vast komen te staan dat de cliënt een periode niet de begeleiding heeft ontvangen, die zij wel nodig had. In zoverre is de klacht van de cliënt gegrond verklaard.
Er is de cliënt op dat moment een medicatieconsult aangeboden bij een psychiater van het FACT-team, dat op dezelfde locatie zit als het ART-team, vanwege haar wens om de medicatie wel onder begeleiding te gaan gebruiken. Hier heeft zij geen gebruik van gemaakt.
In de periode na de klachtbehandeling zijn verschillende conflicten ontstaan tussen het begeleidingsteam en de cliënt, waarbij verschillende teamleden zich ook ongemakkelijk en soms onveilig hebben gevoeld. Herstelgesprekken hierover hebben ondanks dringend advies van de zorgaanbieder niet plaatsgevonden. Ondanks de spanningen zijn de afspraken grotendeels doorgegaan met vrijwel alle teamleden. Begeleidingsmomenten hebben alleen zeer kort stilgelegen vanwege ernstige conflictsituaties.
Klachtbehandeling
De klacht van de cliënt is conform het reglement behandeld. Er heeft een gesprek plaatsgevonden in aanwezigheid van de casemanager en de klachtenfunctionaris, wat de cliënt vroegtijdig heeft verlaten. Diverse contactpogingen door de klachtenfunctionaris zijn niet beantwoord.
Naar aanleiding van de formele klacht heeft de directeur de cliënt bezocht, samen met een ervaringsdeskundige. De klacht en het Prisma-onderzoek zijn nader besproken. De resultaten van dit onderzoek zijn met de cliënt gedeeld. Het aanbod tot een vervolggesprek heeft de cliënt afgewezen.
Schadevergoeding
De schade waarvoor de cliënt een schadevergoeding heeft ingediend, is onvoldoende aangetoond. Daarnaast is het causaal verband tussen het onzorgvuldig handelen en de gestelde schade niet nader onderbouwd. De schadevordering moet dan ook worden afgewezen.
Beoordeling van het geschil
De klacht van de cliënt ziet enerzijds op het nalatig handelen van de zorgaanbieder (het gebrek aan contactmomenten) en anderzijds op de wijze waarop de zorgaanbieder de klacht van de cliënt heeft behandeld.
USB-sticks
De vertegenwoordiger van de cliënt heeft ter zitting van 10 maart 2026 verzocht om USB-sticks toe te voegen aan het dossier.
Op 2 maart 2026 is de vertegenwoordiger van de cliënt door het secretariaat van de commissie geïnformeerd dat de USB-sticks binnen 14 dagen te dienen worden aangeleverd. Dit betreft echter een onjuiste voorstelling van zaken. Alle stukken dienen uiterlijk zeven dagen (vijf werkdagen) voor de zitting bij de commissie te zijn ingediend. Indien stukken na deze termijn worden overgelegd, is het aan de commissie om te beoordelen of deze alsnog bij de behandeling worden betrokken.
De commissie neemt daarbij in aanmerking dat deze termijn kenbaar is via de website van De Geschillencommissie en dat de cliënt reeds eerder, bij berichten van 26 augustus 2025 en 15 september 2025, expliciet op deze termijnen is gewezen.
Hoewel het secretariaat van de commissie een onjuiste termijn heeft gecommuniceerd, ziet de commissie geen aanleiding om af te wijken van de geldende indieningsvereisten. In het onderhavige geschil acht de commissie geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een dergelijke afwijking rechtvaardigen.
De inhoud van de USB-sticks vormt dan ook geen onderdeel van het dossier.
Contactmomenten
De cliënt klaagt over het feit dat zij gedurende een bepaalde periode minder is bezocht en minder begeleiding heeft ontvangen. De zorgaanbieder heeft erkend dat de cliënt in die periode niet, althans in mindere mate, is bezocht. Gelet hierop behoeft dit klachtonderdeel geen nadere inhoudelijke bespreking.
De commissie overweegt dat het belang van de cliënt bij een inhoudelijke beoordeling van dit klachtonderdeel is gelegen in de door haar ingestelde schadevordering.
Ten aanzien van deze schadevordering oordeelt de commissie dat de cliënt deze op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Evenmin is het oorzakelijk verband tussen de gemiste contactmomenten en de gestelde schade voldoende aannemelijk gemaakt. De vordering dient dan ook te worden afgewezen.
Klachtbehandeling
De cliënt klaagt verder over de klachtbehandeling door de zorgaanbieder. Zij acht de klachtbehandeling door de zorgaanbieder niet toereikend.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder zich in voldoende mate heeft ingespannen om de klacht van de cliënt op zorgvuldige wijze te behandelen. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat naar aanleiding van de klacht gesprekken hebben plaatsgevonden met zowel de casemanager als de klachtenfunctionaris. Daarnaast heeft de directeur, in aanwezigheid van een ervaringsdeskundige, een gesprek met de cliënt gevoerd. Ook heeft de zorgaanbieder een Prisma-onderzoek uitgevoerd, waaruit verbetermaatregelen zijn voortgevloeid ten aanzien van de werkprocessen en de begeleiding van de cliënt.
De cliënt heeft aangevoerd dat dit onderzoek ontoereikend was, nu geen sprake zou zijn geweest van een regulier Prisma-onderzoek, maar van een zogenaamd Prisma-light onderzoek. De commissie volgt dit standpunt niet. Ongeacht de benaming van het onderzoek is gebleken dat de zorgaanbieder een systematische analyse van de situatie heeft uitgevoerd en op basis daarvan concrete verbeterpunten heeft geformuleerd.
De commissie ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig of ontoereikend is geweest. Daarbij weegt de commissie mee dat de cliënt haar stelling dat het Prisma-onderzoek tekortschiet, niet nader heeft geconcretiseerd.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer drs. T. Knap, mevrouw M. Krouwel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 10 maart 2026.