Geen fouten bij gemiste diagnose en behandeling volgens commissie

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1039251/1213752

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze zaak gaat over een cliënt die klaagt dat het ziekenhuis fouten heeft gemaakt, omdat op een CT-scan in 2021 signalen van uitgezaaide eierstokkanker zijn gemist. Ook klaagt zij over slechte communicatie, vertraging en afstemming van medicatie. De commissie oordeelt dat niet kan worden bewezen dat de radioloog een fout heeft gemaakt, omdat de afwijkingen destijds moeilijk te zien waren. Ook vindt de commissie dat het ziekenhuis snel en zorgvuldig heeft gehandeld bij de diagnose en behandeling en dat er geen fouten zijn gemaakt in de communicatie of medicatie. Daarom zijn alle klachten ongegrond en krijgt de cliënt geen schadevergoeding.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Haaglanden Medisch Centrum, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De radioloog van de zorgaanbieder heeft op de CT-scan van 29 december 2021 afwijkingen gemist die duidden op uitgezaaide eierstokkanker. Nadat in juli 2022 bekend werd dat bij de cliënt sprake was van stadium vier eierstokkanker, heeft de cliënt lang moeten wachten op revisie van de uitslag van de CT-scan van 29 december 2021.

Tussen de verschillende afdelingen van de zorgaanbieder bestond geen goede communicatie, waardoor bloeddrukmedicijnen niet goed waren afgestemd op de chemobehandeling van de cliënt.

Ook klaagt de cliënt over de communicatie, regievoering en informatieverstrekking door de zorgaanbieder.

De cliënt vordert een schadevergoeding van € 25.000,-, onder andere ter vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de operatie in [land].

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

Gemiste diagnose in december 2021
Tussen partijen is niet in geschil dat achteraf gezien op de CT-scan van 29 december 2021 afwijkingen te zien zijn die destijds niet door radioloog [naam] zijn beschreven. Radioloog [naam] heeft de CT-scan later, toen bekend was dat bij de cliënt sprake was van een ovariumcarcinoom stadium vier, nogmaals beoordeeld. Hij heeft na die revisie aangegeven dat hij de afwijkingen heeft gemist die destijds (in december 2021) al te zien waren.

Het is zeer complex om een eventuele beoordelingsfout door een radioloog (naderhand) vast te stellen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een fout, dient een radiologisch onderzoek door een of meer andere radiologen te worden beoordeeld. De verzekeraar van de zorgaanbieder heeft een andere radioloog gevraagd een dergelijke beoordeling te maken. Die radioloog heeft de CT van 29 december 2021 beoordeeld op basis van de oorspronkelijke aanvraag van de internist, zonder het oorspronkelijke verslag van radioloog [naam] te hebben gelezen.

De betreffende radioloog beschreef de CT van 29 december 2021 als volgt: “(Mijn) verslag CT abdomen dd.29/12/21: scans voor en na i.v. contrast. Normaal aspect nieren en bijnieren. Overige bovenbuik organen normaal aspect. In kleine bekken spoortje vocht dorsaal, waarschijnlijk fysiologisch. Verder in de onderbuik geen duidelijk afwijkingen. Geen aanwijzingen voor een tumor.”

Ook vindt hij gezien de oorspronkelijke vraagstelling en van toepassing zijnde richtlijnen de eerdere conclusie van radioloog [naam] niet verwijtbaar. De “minimal signs” die konden duiden op een stadium vier ovariumcarcinoom, waren wat hem betreft te klein om als zodanig te worden aangemerkt.

De enkele constatering dat de afwijking is gemist en dat dus sprake is van een medische kunstfout, is te kort door de bocht en rechtens en medisch gezien onjuist.

De vraag is bovendien of het (voor de behandeling en overlevingskansen van de cliënt) had uitgemaakt als de diagnose al in december 2021 was gesteld in plaats van in juli 2022. Het ziekenhuis meent dat dit geen verschil zou hebben gemaakt. De ziekte van de cliënt bevond zich in december 2021 al in stadium IV. Dat is hetzelfde stadium als in juli 2022 werd geconstateerd. Ook waren er in december 2021 al uitzaaiingen bij de lever en in het diafragma. Zoals hierboven staat, is een stadium IV ovariumcarcinoom te behandelen maar niet te genezen. Als de ziekte in december 2021 al was gediagnosticeerd, was haar behandeling weliswaar eerder gestart maar was haar prognose niet beter geweest. De behandeling zelf zou ook hetzelfde zijn geweest.

Drie maanden wachten op opheldering uitslag CT-scan
De cliënt klaagt er ook over dat zij drie maanden heeft moeten wachten op de herbeoordeling van de CT-scan van 29 december 2021 door de radioloog. Vanwege haar ernstige ziektebeeld is in eerste instantie de aandacht uitgegaan naar verdere diagnostiek en behandeling.

In september 2022 is het verzoek van de cliënt over de CT-scan van december 2021 ter sprake gekomen. Op 12 oktober 2022 is de cliënt geïnformeerd over de hernieuwde beoordeling van de CT-scan. Op 15 december 2022 heeft de cliënt vervolgens uitgebreid gesproken met de betrokken radioloog.

De zorgaanbieder vindt de hiervoor geschetste gang van zaken niet klachtwaardig. Er is bovendien geen norm die voorschrijft dat een herbeoordeling van beeldmateriaal, onder deze omstandigheden, binnen een bepaalde tijd moet zijn gereviseerd.

Onvoldoende transparantie over second opinion en complexe informatie-uitwisseling
De klacht van de cliënt, dat zij pas in oktober 2022 in het MDO van het ziekenhuis is besproken nadat zijzelf hier herhaaldelijk op moest aandringen is niet juist. De cliënt is nadat zij zich bij de huisarts had gemeld en werd verwezen, telkens snel geholpen. Ook heeft op 1 augustus 2022 al een MDO plaatsgevonden, waarin ook is gesproken over een mogelijke second opinion.

De dag na het MDO zijn al stukken opgemaakt voor een second opinion in het [naam ziekenhuis].

Onvoldoende afstemming over medicatie
De cliënt klaagt erover dat de oncoloog het medicijngebruik in verband met de hypertensie niet heeft afgestemd met de internist bij het begin van de chemotherapie. Deze klacht is ook door professor [naam] beoordeeld. Hij trof in het dossier geen aanwijzing aan dat er in het begin van de behandeling overleg tussen de oncoloog en de internist (die werd geconsulteerd vanwege hypertensie) heeft plaatsgevonden met betrekking tot de antihypertensiva. Maar het is geen standaard dat bij start behandeling over antihypertensiva wordt overlegd bij een goed ingestelde cliënt.

Toen er bloeddrukproblemen ontstonden tijdens chemotherapie behandeling, is hier vervolgens goed op gereageerd door het behandelteam. Er zijn geen negatieve blijvende lichamelijke gevolgen ontstaan.

Communicatie, bejegening en informatievoorziening
Deze klacht is weinig specifiek zodat het moeilijk is om daarop te reageren. Het ziekenhuis betreurt wel dat de cliënt de communicatie zo heeft ervaren. Zij herkent zich daar echter niet in.

Professor [naam] heeft in zijn medisch advies juist geconstateerd dat zeer veel en frequent contact heeft plaatsgevonden tussen de zorgaanbieder en de cliënt. De cliënt was zeer betrokken en had veel behoefte aan informatie. Hij merkt op in het dossier te lezen over de enorme inspanning die het hele behandelteam van de zorgaanbieder heeft gedaan om aan alle wensen van patiënte tegemoet te komen, waarbij het team soms heel ver is gegaan.

Gevolg hiervan is naar zijn mening dat de normale processen van communicatie, verwijzing en dergelijke gefrustreerd worden met als resultaat dat het lijkt alsof niets goed is geregeld, hetgeen de cliënt het gevoel gaf meer controle te moeten uitoefenen, wat weer leidde tot meer vragen. Ook leidde dit ertoe dat er zeer veel verschillende hulpverleners betrokken worden bij het proces, en dat daarom de regie voering door de hoofdbehandelaar zeer bemoeilijkt wordt.

Schadevergoeding
Zonder de ziekte en de klachten van de cliënt te willen bagatelliseren, meent het ziekenhuis dat geenszins vaststaat dat de gevorderde schadevergoeding een rechtstreeks gevolg is van de gedragingen die zij aan het ziekenhuis verwijt. Haar operatie was immers een gevolg van haar primaire ziektebeeld en niet van één van de klachten die zij jegens het ziekenhuis heeft ingediend. Er is met andere woorden geen sprake van een causaal verband tussen de vermeende kunstfout(en) en (de kosten voor) de operatie.

Bovendien heeft de cliënt er zelf voor gekozen de operatie in [land] te laten uitvoeren. Indien zij een Nederlands ziekenhuis had gekozen, waren de kosten door de zorgverzekering gedekt.

Beoordeling van het geschil

Wat aan het geschil vooraf is gegaan
De commissie heeft op 28 augustus 2025 de cliënt in haar klacht ontvankelijk verklaard, nu de cliënt naar het oordeel van de commissie het geschil tijdig aanhangig heeft gemaakt.

Op 15 januari 2026 heeft een nieuwe zitting plaatsgevonden. Ter zitting is in aanwezigheid van radioloog [naam] de klacht ten aanzien van de gemiste diagnose besproken. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft de commissie besloten het geschil aan te houden, omdat de overige bij het geschil betrokken artsen niet ter zitting aanwezig waren. Daartoe is op 12 maart 2026 een nieuwe zitting gehouden.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Voor aansprakelijkheid van een zorgaanbieder jegens naasten is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel iemand die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

Gemiste diagnose
Niet in geschil tussen partijen is dat, achteraf bezien, op de CT-scan van 29 december 2021 afwijkingen zichtbaar waren die reeds op dat moment konden wijzen op ovariumcarcinoom. Aan de commissie ligt ter beoordeling voor in hoeverre de radioloog [naam] een beoordelingsfout heeft gemaakt en of van hem mocht worden verwacht dat hij de betreffende afwijkingen destijds had opgemerkt.

De commissie beantwoordt deze vraag ontkennend.

Op grond van de overgelegde stukken is de commissie van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de radioloog, gelet op de destijds beschikbare kennis en omstandigheden, onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat weliswaar kan worden vastgesteld dat de radioloog de afwijkingen had kunnen zien, maar niet dat de radioloog deze had moeten zien.

De commissie overweegt in dit verband dat de CT-scan van 29 december 2021 werd verricht met een specifiek diagnostisch doel, te weten het aantonen dan wel uitsluiten van een mogelijk bijnieradenoom of een vaatafwijking in de nieren in het kader van hypertensie. Hoewel van de radioloog mag worden verwacht dat hij de scan in zijn geheel beoordeelt — hetgeen in dit geval ook is gebeurd — lag de primaire focus van het onderzoek op de (bij)nieren.

Verder acht de commissie van belang dat de verzekeraar van de zorgaanbieder de CT-scan heeft laten herbeoordelen door een onafhankelijk radioloog, die uitgaande van dezelfde kennis en omstandigheden als op 29 december 2021 de betreffende afwijkingen evenmin heeft onderkend. De cliënt heeft daartegenover geen medisch deskundigenrapport overgelegd waaruit volgt dat de radioloog deze afwijkingen destijds wel had behoren te zien.

In zoverre is de klacht ongegrond.

Drie maanden wachten tot revisie CT-scan
De cliënt verwijt de internist-oncoloog dat zij gedurende een periode van circa drie maanden heeft moeten wachten op de revisie van de CT-scan van december 2021. De zorgaanbieder heeft hiertegenover aangevoerd dat in de betreffende periode de prioriteit niet lag bij de revisie van de CT-scan, maar bij het zo spoedig mogelijk initiëren van de chemotherapie.

Naar het oordeel van de commissie is het, gelet op de ernst en het levensbedreigende karakter van de aandoening van de cliënt, begrijpelijk dat de aandacht in de eerste plaats is uitgegaan naar het op korte termijn starten van de behandeling. In dat kader is voortvarend een PET-scan verricht, waarna binnen enkele dagen is aangevangen met de chemotherapie.

Dit heeft tot gevolg gehad dat de revisie van de CT-scan een lagere prioriteit heeft gekregen. De commissie is van oordeel dat deze prioritering, gezien de omstandigheden van het geval, begrijpelijk is.

De commissie merkt daarbij op dat de zorgaanbieder deze prioritering explicieter bij de cliënt had kunnen duiden. Het nalaten daarvan leidt echter niet tot de conclusie dat sprake is van onzorgvuldig handelen.

In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.
Bloeddrukmedicatie
De cliënt heeft aangevoerd dat de zorgaanbieder bij de aanvang van de chemotherapie onvoldoende rekening heeft gehouden met het gebruik van bloeddrukmedicatie. In dat verband stelt de cliënt dat het verplegend personeel niet op de hoogte was van dit medicatiegebruik.

De zorgaanbieder heeft dit gemotiveerd weersproken en aangevoerd dat het medicatiegebruik van de cliënt duidelijk en volledig was opgenomen in het medisch dossier. Volgens de zorgaanbieder hebben zowel de internist-oncoloog als de internist vasculair geneeskundige hiervan kennisgenomen.

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting acht de commissie voldoende aannemelijk dat het medicatiegebruik van de cliënt op inzichtelijke wijze in het dossier was vastgelegd. Niet is gebleken dat deze informatie voor de betrokken zorgverleners niet toegankelijk of kenbaar was.

Ook is de commissie van oordeel dat, nu sprake was van goed ingestelde medicatie, niet kan worden gezegd dat de zorgaanbieder gehouden was tot aanvullend overleg voorafgaand aan de start van de chemotherapie. Dat dergelijk overleg niet heeft plaatsgevonden, kan onder deze omstandigheden niet als onzorgvuldig of klachtwaardig worden aangemerkt.

Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Second opinion en informatie-uitwisseling
De cliënt heeft geklaagd dat de informatie-uitwisseling tussen de zorgaanbieder en het [ziekenhuis] in het kader van een second opinion traag is verlopen.

Naar het oordeel van de commissie kan de gestelde vertraging niet aan de zorgaanbieder worden toegerekend. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de zorgaanbieder de benodigde informatie tijdig heeft verzonden. Reeds op 2 augustus 2022, de dag na het MDO, is de procedure van de second opinion in gang gezet.

Vervolgens is door een verpleegkundig specialist van het [ziekenhuis] op 12 september 2022 bevestigd dat de CT-beelden waren ontvangen. Dat op een later moment is gebleken dat deze beelden feitelijk niet (meer) beschikbaar waren, kan onder deze omstandigheden niet voor rekening en risico van de zorgaanbieder worden gebracht.

Aan de kant van de zorgaanbieder is dan ook geen sprake van onzorgvuldig handelen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Communicatie en tijdsverloop
De cliënt heeft geklaagd over een gebrek aan heldere en tijdige communicatie door de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft dit gemotiveerd betwist en aangevoerd dat juist sprake is geweest van frequent en uitvoerig contact met de cliënt, mede naar aanleiding van de door haar gestelde vragen en gedane verzoeken.

Vast staat dat de cliënt en de zorgaanbieder van mening verschillen over de aard, inhoud en frequentie van de gesprekken. De commissie kan niet uitmaken wie van beiden gelijk heeft omdat aan het woord van de één niet meer geloof gehecht kan worden dan aan het woord van de ander.

Het is vaste jurisprudentie van de commissie in gevallen als deze waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet onderbouwd kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van de cliënt op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de cliënt minder geloof verdient dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of onzorgvuldig is gehandeld eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie hier niet vaststellen, waardoor deze klacht niet kan slagen.

Ook heeft de cliënt geklaagd over het tijdsverloop tussen het moment van diagnose en de bespreking van haar situatie in het MDO. De cliënt stelt dat deze bespreking te lang op zich heeft laten wachten.

De commissie volgt dit standpunt niet. Uit het medisch dossier blijkt dat de cliënt op 22 juli 2022 is geïnformeerd over de verdenking op ovariumcarcinoom. Vervolgens zijn op 25 en 26 juli 2022 respectievelijk een CT-scan en een punctie verricht. De casus is daaropvolgend op 1 augustus 2022 in het MDO besproken, waarna op 8 augustus 2022 is gestart met de eerste chemokuur.

Op basis van deze genoemde data kan de commissie slechts concluderen dat de zorgaanbieder zeer voortvarend heeft gehandeld. Ook de start van de behandeling valt ruim binnen de genoemde termijnen van het in de sector geldende SONCOS normeringsrapport ‘Multidisciplinaire normering oncologische zorg in Nederland’.

Deze klacht is ongegrond.

Schade
Nu de klachten van de cliënt ongegrond worden verklaard, komt de commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de schadevordering. De vordering dient dan ook te worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klachten van de cliënt ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer drs. J.H.A. Vollebergh, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 12 maart 2026.

Opslaan als PDF