Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1299189/1317584
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De klacht ging over de vraag of het ziekenhuis in oktober 2024 onvoldoende onderzoek had gedaan naar de klachten van de cliënt, die eerder was behandeld voor nierkanker. De cliënt vond dat vanwege zijn kortademigheid en hoestklachten een CT-scan had moeten worden gemaakt om uitzaaiingen naar de longen uit te sluiten. Enkele maanden later werden inderdaad uitzaaiingen vastgesteld. De commissie oordeelde echter dat het ziekenhuis destijds voldoende onderzoek had verricht, waaronder bloedonderzoek, longfunctieonderzoek en een longfoto. Ook was in augustus 2024 nog een CT-scan gemaakt waarop geen afwijkingen zichtbaar waren. Volgens de commissie waren er op dat moment geen aanwijzingen die een nieuwe CT-scan noodzakelijk maakten. Ook de klacht over de communicatie kon niet worden vastgesteld omdat de lezingen van partijen hierover verschilden. Daarom verklaarde de commissie alle klachten ongegrond en wees zij het verzoek om schadevergoeding af.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Meander Medisch Centrum, gevestigd te Amersfoort
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de klacht dat de zorgaanbieder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de klachten van de cliënt, gezien zijn medische voorgeschiedenis.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt had op 7 oktober 2024 een afspraak bij de longarts vanwege veel hoesten en kortademigheid. Hij voelde zich tijdens dit consult niet gehoord en niet goed behandeld. De longarts was op de hoogte van het feit dat de cliënt eerder dat jaar was behandeld voor nierkanker maar heeft geen CT-scan verricht om de kans op uitzaaiingen uit te sluiten.
Enkele maanden later bleek dat bij de cliënt wel degelijk sprake was van uitzaaiingen in de longen. Door het eerder maken van een CT-scan had veel ellende voorkomen kunnen worden.
De cliënt wenst een schadevergoeding, maar de hoogte van de schade is voor hem moeilijk vast te stellen.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder heeft uitgebreid de tijd genomen om de klachten van de cliënt in kaart te brengen en er is aanvullend onderzoek gedaan, bestaande uit bloedonderzoek, een longfunctieonderzoek en een longfoto. Op basis van de bevindingen uit anamnese en onderzoek concludeerde de betrokken longarts dat de klachten van de cliënt konden worden geduid als COPD/astma en stelde zij een beleid voor bestaande uit verhoging van de medicatie en een controle bij de longverpleegkundige als de cliënt terug zou zijn na een verblijf in Spanje.
Hoe invoelbaar het ook is dat de cliënt met de kennis en de wetenschap van het beloop achteraf meent dat eerder had moeten worden gedacht aan (uitzaaiingen van) kanker en om die reden eerder een CT-scan had moeten worden verricht, wijst de zorgaanbieder erop dat de betrokken longarts tijdens het consult op 7 oktober 2024 geen aanleiding had daaraan te denken. De klachten van de cliënt van kortademigheid waren niet continue aanwezig, konden goed worden verklaard door de COPD/astma, hoesten stond tijdens het consult op 7 oktober 2024 niet op de voorgrond en ook op de longfoto werd geen aanwijzing gezien voor kanker, zodat geen aanleiding bestond een CT-scan te verrichten.
Samenvattend is bij de cliënt helaas sprake geweest van een heel vervelend ziektebeloop dat op 7 oktober 2024 niet te voorzien was. Het ziekenhuis én de betrokken longarts betreuren dat de cliënt de communicatie tijdens dit consult heeft ervaren zoals door hem beschreven en hebben daarvoor hun excuses al aangeboden. Met betrekking tot het niet eerder (laten) verrichten van een CT-scan bestond zoals hiervoor beschreven geen aanleiding zodat de zorgaanbieder terzake geen verwijt treft.
Volgens de zorgaanbieder is geen sprake geweest van onzorgvuldig handelen zodat geen aanleiding bestaat tot vergoeding van de verder niet nader geconcretiseerde of onderbouwde schade.
Beoordeling van het geschil
Bestond aanleiding voor een CT-scan?
Tussen partijen is in geschil of de bij de cliënt bestaande lichamelijke klachten, in samenhang met diens medische voorgeschiedenis, voor de zorgaanbieder aanleiding hadden moeten vormen om in oktober 2024 een CT-scan te laten verrichten.
Ter zitting heeft de cliënt verklaard sinds 2017 onder behandeling te zijn bij de betreffende longarts en dat hij zich in de loop der jaren meermalen met vergelijkbare dyspneuklachten heeft gepresenteerd. Deze verklaring vindt bevestiging in het medisch dossier.
De cliënt heeft aangevoerd dat uit de medische literatuur volgt dat bij nierkankerpatiënten een kans tot 60% bestaat op uitzaaiingen in de longen (longmetastasen), hetgeen volgens hem aanleiding had moeten geven tot aanvullend onderzoek. De commissie overweegt dat de kans op metastasering afhankelijk is van diverse factoren, waaronder het type tumor, de tumorgrootte en de stadiëring van de ziekte. Niet is komen vast te staan dat in het geval van de cliënt sprake was van een zodanig verhoogd risico dat zonder meer van voornoemd percentage kan worden uitgegaan.
In dit kader acht de commissie van belang dat de zorgaanbieder naar aanleiding van de klachten van de cliënt passend diagnostisch onderzoek heeft verricht, bestaande uit functieonderzoek, thoraxonderzoek en bloedonderzoek. Deze onderzoeken sluiten aan bij de aard van de gepresenteerde klachten. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de klachten zich wisselend van aard en ernst hebben voorgedaan.
Daarnaast staat vast dat bij de cliënt een nier is verwijderd en dat in dat kader op 9 augustus 2024 een CT-scan is verricht, waarop geen afwijkingen zijn geconstateerd. Ook met de kennis achteraf zijn op deze scan geen aanwijzingen voor uitzaaiingen zichtbaar. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat een CT-scan twee maanden later wél afwijkingen zou hebben getoond. De combinatie van een schone CT-scan in augustus 2024 en een schone longfoto in oktober 2024 alsook dat de klachten niet continue aanwezig waren, maakte het bestaan van metastasen als verklaring voor de klachten op dat moment niet aannemelijk.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat er in oktober 2024 geen aanleiding bestond om metastasering van nierkanker te vermoeden en dat de zorgaanbieder derhalve niet gehouden was een CT-scan te verrichten.
Hoewel de commissie begrip heeft voor de klacht van de cliënt gezien de latere diagnose, kan op basis van de destijds bekende feiten en omstandigheden niet worden geconcludeerd dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Hoestklachten
De cliënt heeft gesteld dat hij zijn hoestklachten expliciet met de zorgaanbieder heeft besproken, maar dat deze niet in het medisch dossier zijn opgenomen. De zorgaanbieder heeft aangevoerd zich niet te herinneren dat deze klachten uitdrukkelijk zijn benoemd, althans dat deze niet op de voorgrond stonden.
De commissie overweegt dat, indien de hoestklachten expliciet aan de orde zijn gesteld, het in het kader van zorgvuldige dossiervoering wenselijk was geweest deze te noteren. Evenwel heeft de zorgaanbieder gemotiveerd aangevoerd dat ook bij expliciete vermelding van hoestklachten geen aanleiding zou hebben bestaan het gevoerde beleid te wijzigen of aanvullend onderzoek, zoals een CT-scan, in te zetten.
De commissie acht deze medische afweging navolgbaar. Hoestklachten kennen immers uiteenlopende oorzaken en vormen op zichzelf geen specifieke aanwijzing voor longmetastasen.
De commissie ziet dan ook geen aanleiding om te concluderen dat de zorgaanbieder hierin onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Communicatie en bejegening
Ten slotte klaagt de cliënt over de communicatie en bejegening door de zorgaanbieder. De cliënt voelde zich in het contact met de zorgaanbieder onheus bejegend en niet serieus genomen. Zo zou de arts de cliënt op onvriendelijke toon hebben gevraagd wat hij daar kwam doen.
Vast staat dat de cliënt en de zorgaanbieder verschillen van mening over de inhoud van de gesprekken en de communicatie over en weer.
De commissie kan niet uitmaken wie van beiden gelijk heeft omdat aan het woord van de één niet meer geloof gehecht kan worden dan aan het woord van de ander. Het is vaste jurisprudentie van de commissie in gevallen als deze waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet onderbouwd kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van de cliënt op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden.
Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de cliënt minder geloof verdient dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of onzorgvuldig is gehandeld eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie hier niet vaststellen, waardoor deze klacht niet kan slagen.
In zoverre is deze klacht ongegrond.
Conclusie en schadevergoeding
Nu de klachten van de cliënt ongegrond worden verklaard, komt de commissie aan beoordeling van de vordering tot schadevergoeding niet toe.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klachten van de cliënt ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mevrouw dr. N.A.M. Cobben, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 1 april 2026.