Commissie: Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals
Categorie: Ontvankelijkheid
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
251512/360405
De uitspraak:
Waar gaat het over?
De klacht betreft een beroepsprocedure tegen een door de beklaagde aan de klager opgelegde boete van € 1.500,–. De klager is verbaasd over de boete en vindt dat de beklaagde geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden en geen objectief oordeel heeft geveld. De klager stelt dat er overleg is geweest met het bestuur en de directie van de beklaagde, maar dat de beklaagde een eenzijdig en onduidelijk proces heeft gevoerd. Daarnaast beweert de klager dat de voorzitter van de commissie lidmaatschapszaken zich niet aan de NVM-voorwaarden houdt, waardoor er geen onafhankelijk oordeel kan worden geveld.
De beklaagde stelt dat de klager niet ontvankelijk is vanwege termijnoverschrijding voor het instellen van beroep tegen de boete. Bovendien is de commissie niet bevoegd om uitspraak te doen over de financiële vergoeding die de klager vraagt. De beklaagde vindt dat zij in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van de boete en verzoekt de commissie het beroep af te wijzen.
De commissie oordeelt dat de klager niet ontvankelijk is omdat hij het beroep te laat heeft ingesteld. De klager is meerdere keren duidelijk geïnformeerd over de termijn en de instantie waar hij beroep moest instellen. Omdat de klager niet ontvankelijk wordt verklaard, komt de commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht. De commissie merkt ten overvloede op dat een inhoudelijke behandeling waarschijnlijk niet tot toewijzing van de klacht zou hebben geleid, gezien de onvoldoende onderbouwing door de klager en de gemotiveerde bestrijding door de beklaagde. De commissie verklaart de klager niet ontvankelijk in zijn klacht.
Volledige uitspraak
Onderwerp van de klacht
De klacht behelst een beroepsprocedure tegen een door de beklaagde aan de klager opgelegde boete ten bedrage van € 1.500,–.
Standpunt van de klager
Voor het standpunt van de klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De klager heeft tot zijn verbazing een boete van de beklaagde ontvangen van € 1.500,–. De klager is niet te spreken over de gehele gang van zaken welke de beklaagde heeft ondernomen. De beklaagde heeft totaal geen rekening gehouden met de omstandigheden en heeft geen objectief oordeel geveld in dit dossier. Van de zijde van klager is er overleg met het bestuur en directie van de beklaagde gevoerd. Tevens heeft de klager duidelijk gecommuniceerd en heeft de beklaagde hier geen rekening mee gehouden. De beklaagde heeft een eenzijdig en onduidelijk proces gevoerd, sprong van de hak op de tak en iedere keer werden er nieuwe punten aangevoerd. Daarnaast heeft de klager geconstateerd dat de betrokken voorzitter van de commissie lidmaatschapszaken zich niet aan de NVM-voorwaarden houdt en derhalve is deze in overtreding, waardoor er door commissie lidmaatschapszaken ook geen onafhankelijk oordeel geveld worden. De klager is van mening dat alle door hem te maken en gemaakte kosten, op de beklaagde verhaald mogen worden.
Standpunt van de beklaagde
Voor het standpunt van de beklaagde verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De beklaagde stelt zich primair op het standpunt dat de klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep vanwege de termijnoverschrijding voor het instellen van beroep tegen een opgelegde boete.
Volledigheidshalve merkt de beklaagde op dat de klager in ieder geval niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn financiële verzoek, te weten een financiële vergoeding voor alle tijd en energie, aangezien de Tuchtcommissie op grond van haar reglement niet bevoegd is om hier uitspraak over te doen.
Subsidiair stelt de beklaagde dat zij in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van de betreffende maatregel. De beklaagde verzoekt de commissie het beroep van de klager af te wijzen en de klager op de voet van artikel 22 van het reglement van de commissie te belasten met de kosten van deze procedure.
Beoordeling van de klacht
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie zal allereerst de ontvankelijkheid van de klager dienen te beoordelen, nu de beklaagde een beroep op niet-ontvankelijkheid van klager wegens termijnoverschrijding heeft gedaan.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de beklaagde op 18 juli 2023 aan de klager een besluit heeft toegestuurd, inhoudende oplegging van een boete van € 1.500,–. In dit besluit is aangegeven dat een beroep kan worden ingesteld bij de commissie met vermelding van de termijn waarbinnen beroep dient te worden ingesteld.
Op 31 juli 2023 is vanuit de administratie van de klager een e-mail verstuurd aan de beklaagde waarin wordt aangegeven dat pro-forma bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit en dat het bezwaar nader gemotiveerd zal worden na terugkeer van [naam klager] van klager van zijn vakantie. Hierop wordt op eveneens 31 juli 2023 gereageerd door de beklaagde met een e-mail, waarin wordt aangegeven dat de termijn voor het instellen van beroep tegen het besluit onverminderd doorloopt en er indien gewenst uiterlijk op 18 augustus 2023 direct schriftelijk beroep ingesteld moet worden bij de commissie.
Voor het eerst op 19 januari 2024 heeft de commissie het beroep van de klager ontvangen. De commissie is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De klager is er meermaals en duidelijk op gewezen bij welke instantie en binnen welke termijn beroep ingesteld diende te worden. Gelet hierop is de commissie van oordeel dat de klager niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn klacht.
Nu de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard, komt de commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.
Ten overvloede overweegt de commissie nog dat het er alle schijn van heeft dat een inhoudelijke behandeling van de klacht van de klager evenmin tot toewijzing van het door de klager verlangde had kunnen leiden, zulks gelet op de onvoldoende onderbouwing door de klager van zijn stelling dat de maatregel ten onrechte zou zijn opgelegd enerzijds en anderzijds de gemotiveerde bestrijding van deze stelling door de beklaagde.
Van een veroordeling van de klager in de kosten van de procedure zoals door de beklaagde verzocht kan geen sprake zijn, nu artikel 22 van het reglement van toepassing is op beroepszaken tegen uitspraken in eerste aanleg van de commissie en niet op beroepszaken tegen besluiten van de beklaagde.
Ook overigens kan uit dit artikel geen mogelijkheid tot kostenveroordeling in het geval van
niet-ontvankelijkheid worden afgeleid.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Aldus beslist door de Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals, bestaande uit de heer mr. E.A. Messer, voorzitter, mevrouw A. van den Broek, de heer mr. A.C.G. Reezigt, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 13 maart 2025.