Commissie: Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Uitspraak
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
671661/873028
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een koper dient beroep in tegen een eerdere uitspraak waarin zijn klacht over misleiding en schending van de mededelingsplicht door de verkoopmakelaar ongegrond werd verklaard. Hij stelt dat de makelaar funderingsproblemen heeft gebagatelliseerd en relevante informatie heeft achtergehouden, wat tot een kostbare miskoop heeft geleid. De tuchtcommissie beoordeelt het beroep en oordeelt dat de koper vóór de aankoop voldoende informatie had over de funderingssituatie en dat de makelaar geen relevante gegevens heeft achtergehouden. Ook het verwijt dat de makelaar zijn zorgplicht heeft geschonden door niet te reageren op een e-mail over verlenging van de ontbindende voorwaarde wordt verworpen. De commissie vernietigt de eerdere berisping en bevestigt dat de makelaar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Volledige uitspraak
Onderwerp van de klacht
Het beroep richt zich tegen de uitspraak in eerste aanleg van 1 juli 2024, waarin de commissie in eerste aanleg de klacht van appellant over schending van de mededelingsplicht ongegrond heeft verklaard. De klacht ziet op de stelling van appellant dat verweerder appellant tijdens het aankoopproces van de woning zijn mededelingsplicht heeft geschonden en appellant heeft misleid.
De uitspraak in eerste aanleg
In de uitspraak van 1 juli 2024 heeft de commissie in eerste aanleg geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat verweerder zijn mededelingsplicht heeft geschonden en evenmin dat sprake is geweest van misleiding door verweerder. De commissie heeft daarbij aangenomen dat verweerder niet op de hoogte was van meer of andere informatie omtrent de fundering dan met appellant is gedeeld in het aankoopproces.
De commissie heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel, voor zover relevant, overwogen.
‘De commissie is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat beklaagde zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Aangenomen moet worden dat beklaagde niet op de hoogte was van meer of andere informatie omtrent de fundering, dan met klager gedeeld in het aankoopproces. Zoals klager zelf aangeeft, is het de verkoopster geweest die naderhand informatie (brieven van Rijkswaterstaat) toonde, waarin wordt gesproken over uitgevoerde zettingsmetingen, niet beklaagde. Dat door beklaagde meermaals is aangegeven dat er geen aanvullende gegevens zijn is dan ook niet verwijtbaar, nu hij hiervan geen kennis had en dit ook niet hoefde te verwachten.’
Met betrekking tot het voorstel van appellant om de klacht op te lossen, te weten reductie van de koopprijs dan wel ontbinding van de koop, heeft de commissie geoordeeld dat de voorgestelde oplossing niet binnen het sanctiearsenaal van de commissie valt. De commissie heeft appellant op dit punt niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.
Wel heeft de commissie geoordeeld dat verweerder verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van het niet informeren van appellant omtrent zijn verzoek tot het verlengen van de fatale termijn van de ontbindende voorwaarde in artikel 23 van de koopovereenkomst. Naar het oordeel van de commissie had verweerder de aan hem gerichte e-mail van 26 oktober 2023 van appellant moeten opvatten als een verzoek tot verlenging van de termijn van de ontbindende voorwaarde. De commissie heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel, voor zover relevant, overwogen.
‘De commissie is van oordeel dat, alhoewel in deze e-mail niet expliciet om verlenging van de ontbindende voorwaarde wordt verzocht, beklaagde de e-mail wel als zodanig had dienen op te vatten. Beklaagde heeft echter op geen enkele wijze op de e-mail gereageerd. Hij heeft klager hiermee in het ongewisse gelaten. Klager heeft het niet reageren opgevat als een instemming met de verlenging van de termijn. Hij heeft immers aangegeven dat hij na ontvangst van de resultaten van het funderingsonderzoek een definitief besluit wilde nemen over de aankoop van de woning. Hieruit had beklaagde moeten afleiden dat klager er dus kennelijk vanuit ging dat de koop nog niet definitief was. Mocht verkoper/beklaagde van mening zijn dat er geen sprake kon zijn van verlenging van de ontbindende voorwaarde, dan had hij dit aan klager moeten laten weten. Door niet te reageren heeft beklaagde verkeerde verwachtingen gewekt en hiermee heeft beklaagde niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend makelaar mag worden verwacht. Hij heeft daarmee zijn zorgplicht geschonden. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam makelaar wordt een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht bij het geven van inlichtingen aan kopers van een woning. Een duidelijke uitleg over bepalingen uit de koopovereenkomst dan wel het reageren op een e-mail, zeker indien daarin om een bevestiging wordt gevraagd, behoort daar zeker toe.’
Standpunt van appellant
Voor het standpunt van appellant verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt met betrekking tot de beroepsgronden, aangevuld met de spreekaantekeningen, op het volgende neer.
Appellant heeft door het handelen van verweerder in oktober 2023 een zeer kostbare miskoop gedaan, met als gevolg dat hij met zijn gezin sindsdien in grote financiële onzekerheid verkeert.
Het beroep van appellant, ingesteld 5 oktober 2024, richt zich tegen de ongegrondverklaring van de klacht van appellant voor zover de klacht betrekking heeft op schending van de mededelingsplicht en misleiding door verweerder (in het beroepschrift worden dit klacht 1 en klacht 2 genoemd). De commissie heeft in haar beoordeling onvoldoende stil gestaan bij de onjuiste en onvolledige inlichtingen die door verweerder zijn gedaan aan appellant. Appellant mag als leek er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de informatie die door verweerder wordt verstrekt, juist is. Verweerder heeft echter misleidende en onjuiste informatie verstrekt, heeft aantoonbaar zijn mededelingsplicht geschonden en informatie niet gegeven waarvan hij moest begrijpen dat deze voor appellant van belang was voor de aankoopbeslissing. Appellant is misleid doordat verweerder de funderingsproblematiek heeft gebagatelliseerd en verweerder heeft de relevante email van appellant van 26 oktober 2023 niet adequaat opgepakt en de verkoopster hiervan veel te laat deelgenoot gemaakt. Bovendien heeft verweerder pas na vijf weken na het verlopen van de ontbindende voorwaarde op verzoek van de toenmalig gemachtigde van appellant inzage gegeven in het biedlogboek in aangepaste vorm.
Appellant stelt op grond van het navolgende aan te kunnen tonen dat het ongegrond verklaarde deel van zijn klacht ten aanzien van de schending van de mededelingsplicht en misleiding door verweerder, alsnog in beroep gegrond moet worden verklaard.
– Verweerder heeft appellant misleid door relevante en significante fundering gerelateerde informatie achtergehouden met betrekking tot de aanwezigheid van meetbouten en periodieke zettingsmetingen. Wanneer verweerder op verzoek van appellant bij de verkoopster navraag zou hebben gedaan naar historische fundering gerelateerde informatie, dan had appellant bij wetenschap van het voorgaande de woning nooit gekocht.
– Bovendien had van verweerder als ervaren makelaar verwacht mogen worden dat hij over de benodigde kennis beschikte bij de woningopname, dan wel bij het begeleiden van bezichtigingen op het betreffende adres, om de aanwezige meetbouten te kunnen waarnemen.
– Daarnaast heeft verweerder twee relevante documenten achtergehouden, te weten facturen voor significante gevelherstelwerkzaamheden en een schadeclaim in verband met schade aan de kelder van de woning als gevolg van de constructie van het aquaduct vanwege de verdieping van de A4.
– Verweerder heeft appellant bewust misleid door hem vóór het tekenen van de koopovereenkomst onjuist en onvolledig te informeren over de scheefstand in de hal, door aan te geven dat dit zou kunnen zijn ontstaan door de demping van de sloot die tot 80 jaar geleden voor de woning lag en dat sprake is van een reeds verholpen probleem met de omhoog gekomen kelder. Na het sluiten van de koopovereenkomst heeft verweerder tegenover een bouwkundig inspecteur verklaard dat de aanleg van het aquaduct invloed heeft gehad op de fundering.
Voorts stelt appellant dat, ondanks dat verweerder door de commissie in eerste aanleg vanwege schending van zijn zorgplicht is berispt, in het belang van bescherming van de maatschappij een zwaardere sanctie dan de opgelegde berisping voor verweerder op zijn plaats is (in het beroepschrift van appellant wordt dit klacht 3 genoemd).
Standpunt van verweerder
Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in hoofdzaak het verweerschrift van 17 april 2025 en hetgeen hij ter zitting naar voren heeft gebracht.
Verweerder handhaaft zijn standpunt dat er geen sprake is van schending van enige regel dan wel tuchtrechtelijk laakbaar handelen.
In de kern komt het verweer erop neer dat het oordeel van de commissie juist is voor wat betreft de afwijzing van de klacht over het schenden van de mededelingsplicht, maar dat de klacht met betrekking tot schending van de zorgplicht in verband met het gestelde verzoek om verlenging van de ontbindende voorwaarde vanwege het funderingsonderzoek, eveneens ongegrond zou moeten worden verklaard.
Verweerder verzoekt de uitspraak op dit punt en de opgelegde sanctie te vernietigen.
Schending mededelingsplicht
Verweerder ontkent dat sprake is van schending van de mededelingsplicht. Voorafgaand aan de koop van de woning is in de verkoopbrochure informatie verstrekt over het bouwjaar, de monumentstatus, het opnemen van de ouderdomsclausule, het feit dat de woning nabij de A4 is gelegen, oftewel alle voor een aankoop relevante informatie. Verder is appellant tijdens de bezichtiging in april 2023 gewezen op scheuren in de marmeren vloer in de hal en het feit dat de vloer scheef was. Ook is op 17 oktober 2023, derhalve vóór de totstandkoming van de koopovereenkomst, een onderzoeksrapport van Van Kempen Bouwadvies aan appellant verstrekt, waarin de feitelijke toestand van de vloeren, de verdiept aangelegde kelder en bestaande verzakkingen en de vermoedelijke oorzaak van deze gebreken is beschreven. Ten tijde van de verkoop bestonden er geen aanwijzingen dat de werkzaamheden aan de A4 voor verzakkingen en scheuren hebben gezorgd.
De aanwezigheid van meetbouten rond de woning, waarvan verweerder volgens appellant kennis had moeten hebben, heeft verweerder niet opgemerkt, althans heeft hij deze niet aangemerkt als bouten voor het verrichten van zettingsmetingen. Verweerder ziet niet in waarom hij de meetbouten had moeten zien, terwijl twee bouwtechnisch inspecteurs van Van Kempen Bouwadvies en Homekeur deze ook niet hebben opgemerkt. Verweerder heeft bij de verkoopster navraag gedaan naar de aangetroffen meetbouten, waarna zij heeft aangegeven dat zij vergeten was hiervan melding te maken bij verweerder. Tevens heeft de verkoopster op dat moment twee brieven van Rijkswaterstaat van 25 februari 2010 en 21 februari 2014 over herhalingsmetingen beschikbaar gesteld. Meetgegevens waren haar echter niet bekend, ook niet na navraag bij Rijkswaterstaat.
Ook gelet hierop is er geen sprake van het achterhouden van relevante informatie door verweerder.
Dit wordt onderstreept door het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 18 december 2024 in de procedure tussen de verkoopster en appellant dat de verkoopster op dit punt haar mededelingsplicht niet heeft geschonden. In het verlengde daarvan kan verweerder dan evenmin een verwijt worden gemaakt.
Schending zorgplicht
Tegen het oordeel van de commissie dat verweerder zijn zorgplicht jegens appellant heeft geschonden, brengt verweerder het volgende in. Appellant heeft in zijn e-mail van 26 oktober 2023 geen verzoek gedaan om de termijn voor het kunnen doen van een beroep op de ontbindende voorwaarde met betrekking tot het bouwkundig onderzoek te verlengen en verweerder heeft het bericht ook niet zo hoeven opvatten. Appellant heeft verweerder in genoemde e-mail het volgende verzoek gedaan:
‘Graag zou ik volgende week woensdag, 1 november, het onderzoek naar de fundering willen laten uitvoeren conform het bijgevoegd voorstel. Dit mede omdat er sprake is geweest van veranderde bodemtoestand (dempen van een sloot) in de omgeving van de woning. Op basis van de resultaten van het funderingsonderzoek (die twee weken later volgen) kunnen we een definitief besluit nemen over de koop van de woning. Graag ontvang ik jullie bevestiging.’
Er heeft naar aanleiding van de e-mail telefonisch overleg plaatsgehad tussen appellant en verweerder.
Tevens is toen de datum van het funderingsonderzoek van 1 november 2023 bevestigd. Appellant heeft tijdens het telefoongesprek niet de ontbindende voorwaarde ter sprake gebracht en hij heeft zich hierop ook niet beroepen toen de datum van het funderingsonderzoek definitief op 1 november 2023 (dus ná het verstrijken van de termijn van de ontbindende voorwaarde) werd vastgesteld. Het had op de weg van appellant gelegen om op dat moment na te gaan of zijn veronderstelde verzoek voor uitstel akkoord was bevonden door de verkoopster. Appellant heeft dit echter nagelaten en op verweerder rustte uitdrukkelijk niet de plicht om hem hierop te wijzen. Verweerder verzoekt de commissie de uitspraak in eerste aanleg op dit punt te vernietigen, nu verweerder op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Gezien het voorgaande verzoekt verweerder de commissie de klachten van appellant ongegrond te verklaren en de uitspraak van 1 juli 2024, voorover deze betrekking heeft op het oordeel over de zorgplichtschending en de opgelegde maatregel, te vernietigen.
Beoordeling van het beroep
Het beroep van appellant richt zich tegen het besluit van de commissie in eerste aanleg op de klacht over het schenden van de mededelingsplicht en de opgelegde sanctie. Verweerder heeft zich er vervolgens op beroepen dat geen sprake is van schending van de zorgplicht, zoals de commissie in eerste aanleg heeft geoordeeld. Op grond van artikel 21 van het reglement van de commissie zal de commissie beide klachtonderdelen hierna nogmaals in volle omvang beoordelen.
Alvorens de commissie een oordeel kan geven ten aanzien van de beroepsgronden, beslist zij op grond van artikel 13 lid 1 eerst over haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van partijen. Daarna komt zij toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht, te weten de aan haar voorgelegde beroepsgronden en de vraag of zij het eens is met de in eerste aanleg gegeven beslissing.
Appellant heeft in eerste aanleg de commissie gevraagd uitspraak te doen over de door appellant voorgestelde wijze van oplossing van de klacht, te weten het reduceren van de koopprijs met de kosten voor funderingsherstel danwel het ontbinden van de koop. Het opleggen van een van deze oplossingen als sanctie is voorbehouden aan de civiele rechter en valt buiten het sanctiearsenaal en daarmee buiten het werkterrein van de tuchtcommissie. De commissie is enkel bevoegd een sanctie op te leggen, genoemd in artikel 13 lid 2 van haar reglement. In de civiele procedure tussen appellant en de verkoopster kan de door appellant voorgestelde oplossing bij gegrondverklaring aan bod komen. De commissie in beroep is wat dit betreft dus niet bevoegd.
Inhoudelijke beoordeling
Schending mededelingsplicht
In eerste aanleg heeft de commissie geoordeeld dat verweerder zijn mededelingsplicht niet heeft geschonden. De commissie in beroep is van oordeel dat die beslissing op goede gronden berust en kan zich daarmee verenigen. Niet gebleken is dat verweerder bewust relevante informatie heeft achtergehouden dan wel appellant onjuist heeft geïnformeerd en/of heeft misleid.
Op grond van de stukken is immers genoegzaam komen vast te staan dat appellant voor het sluiten van de koopovereenkomst op de hoogte was van de funderingsproblematiek. De commissie stelt uit hetgeen partijen hebben aangevoerd en ingebracht vast dat appellant (ruim) voor het sluiten van de koopovereenkomst van de makelaar van verkoopster het rapport van de bouwadviseur heeft ontvangen, waarin melding wordt gemaakt van aflopende vloeren, (vermoedelijke) verzakking en scheefstand. Voorts stelt de commissie vast dat de makelaar van de verkoopster tijdens de bezichtiging (in april 2023) gewezen heeft op scheuren in de marmeren vloer in de hal en op het feit dat de vloer scheef was. Er waren dus voldoende aanwijzingen die appellant tot onderzoek hadden moeten aansporen. Kennelijk is appellant ook aan het denken gezet, want hij heeft in zijn e-mail van 19 oktober 2023 aan de makelaar van de verkoopster (en dus nog vóór het sluiten van de koopovereenkomst), het volgende geschreven: “de 20ste zal opdracht worden gegeven aan een bureau om een fundatieonderzoek in te plannen In wk 42. Hebben jullie hier eventueel aanvullende gegevens voor, zoals historische metingen?’
Er was dus kennelijk voor appellant aanleiding onderzoek te laten doen naar de staat van de fundering toen hijzelf op 24 oktober 2023 de koopovereenkomst tekende, en is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Dat het funderingsonderzoek voor appellant in feite te laat is uitgevoerd — waardoor hij zich niet meer kon beroepen op de wettelijke bedenktermijn van artikel 7:2 lid 2 BW (die verliep op 28 oktober 2023) of de ontbindende voorwaarde uit artikel 23 van de koopovereenkomst (die verliep op 31 oktober 2023) — komt voor zijn rekening en risico.
Voorts is van belang dat niet is komen vast te staan dat de verkoopster haar mededelingsplicht heeft geschonden. De commissie in beroep wijst hierbij mede op de in deze ingebrachte civiele procedure bij de rechtbank waarbij is overwogen:
‘Appellant stelt verder dat de verkoopster onjuiste mededelingen heeft gedaan over de staat van de fundering. Dat volgt volgens hem uit de vragenlijst waarin de verkoopster “nee” heeft ingevuld bij de vragen “is er sprake (geweest) van gebreken aan de fundering?” en “Zijn er (gerepareerde) of (verborgen) scheuren en/of beschadigingen in/aan vloeren, plafonds en/of wanden aanwezig?” De verkoopster heeft op de zitting bevestigd dat zij in 2010 een scheur in de kelder heeft laten herstellen en in 2013/2014 voegen in de buitgevel zijn hersteld. Volgens de verkoopster ging het om regulier onderhoud. Er zijn — mede gelet op de eerdergenoemde brief— geen aanwijzingen dat de werkzaamheden aan de snelweg voor verzakkingen en scheuren hebben gezorgd’.
Daarbij is naar het oordeel van de commissie voorts van belang dat tijdens de bezichtiging de makelaar van de verkoopster op scheuren in de vloer gewezen. Het is weliswaar onhandig dat de verkoopster de vragenlijst niet volledig correct heeft ingevuld, maar met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen betekent dit nog niet dat daardoor sprake is van schending van de mededelingsplicht.
Met betrekking tot de door appellant genoemde documenten (de facturen voor gevelherstelwerkzaamheden en een schadeclaim in verband met schade aan de kelder van de woning) die door verweerder zouden zijn achterhouden tot ná het ondertekenen van de koopovereenkomst, is gebleken dat deze documenten ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet in bezit van verweerder waren, maar pas later door verkoopster aan verweerder zijn overhandigd. Verweerder kan derhalve geen verwijt worden gemaakt van het achterhouden van relevante informatie. Van misleiding kan hier dan ook geen sprake zijn.
Verder heeft appellant in zijn beroepschrift naar voren gebracht dat verweerder hem heeft misleid door relevante informatie met betrekking tot de aanwezigheid van meetbouten en periodieke zettingsmetingen achter te houden. Ook had volgens appellant van verweerder als ervaren makelaar mogen worden verwacht dat hij over de benodigde kennis beschikte om de aanwezige meetbouten te kunnen waarnemen. Hierin kan de commissie in beroep appellant niet volgen. De aanwezigheid van meetbouten komt voor het eerst ter sprake in de correspondentie op 20 oktober 2023 van appellant aan verweerder. Eerder tijdens bouwkundig onderzoek door professionals zijn deze meetbouten niet geconstateerd, zodat de commissie niet inziet waarom verweerder, een niet-bouwkundige, op dit punt enig verwijt kan worden gemaakt.
Op grond van het voorgaande oordeelt de commissie in beroep dat zij geen aanleiding ziet de klacht met betrekking tot schending van de mededelingsplicht en misleiding alsnog gegrond te verklaren.
Schending zorgplicht
In eerste aanleg heeft de commissie geoordeeld dat verweerder zijn zorgplicht jegens appellant heeft geschonden door appellant niet te informeren omtrent de noodzakelijke verlenging van de fatale termijn van de ontbindende voorwaarde van de koopovereenkomst lopende het funderingsonderzoek. Naar het oordeel van de commissie in eerste aanleg had de e-mail van appellant van 26 oktober 2023 door verweerder moeten worden opgevat als een verzoek tot verlenging van de termijn voor de ontbindende voorwaarde.
De commissie in beroep onderschrijft dit oordeel niet. Weliswaar heeft appellant van alles ondernomen in het kader van nader onderzoek, maar hij heeft daarbij zelf onvoldoende de ontbindingstermijn van de koopovereenkomst bewaakt. De bewuste e-mail van is daartoe onvoldoende. Immers, appellant vraagt in die email om een bevestiging. Dat appellant het uitblijven van een schriftelijk reactie heeft opgevat als instemming met de verlenging van de termijn, oordeelt de commissie dan ook als onjuist. Het had hier juist in de rede gelegen dat appellant verweerder om bevestiging had gevraagd. Verweerder had er dan ook niet zonder meer vanuit had mogen gaan dat met het uitgestelde overeengekomen funderingsonderzoek tot 1 november 2023 ook de termijn waarop een beroep op de ontbindende voorwaarde zou kunnen worden gedaan, mee zou verschuiven tot na de datum van het funderingsonderzoek.
Overigens kan inwilliging van een dergelijk verzoek tot verlenging enkel plaatsvinden na akkoord van de verkoopster.
De commissie is dan ook van oordeel dat verweerder geen zorgplicht jegens appellant heeft geschonden. De omstandigheid dat appellant ervoor heeft gekozen geen makelaar in de arm te nemen komt geheel voor rekening en risico van appellant. De zorgplicht van een makelaar van de verkopende partij gaat in zo’n geval niet zover dat deze, zonder een duidelijk en expliciet schriftelijk verzoek daartoe, dient te anticiperen op een verlening van de ontbindende voorwaarde in het koopcontract.
De commissie is op grond van het voorgaande en anders dan de commissie in eerste aanleg van oordeel dat verweerder met betrekking tot volledige klacht geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De commissie zal daarom de uitspraak in eerste aanleg van 1 juli 2024 bevestigen wat betreft het oordeel over schending van de mededelingsplicht en vermeende misleiding. De commissie zal de bestreden uitspraak vernietigen wat betreft het oordeel over de zorgplicht van verweerder in verband met het verlengen van de fatale termijn van de ontbindende voorwaarde en de in verband daarmee opgelegde maatregel.
De commissie is dus van oordeel dat het beroep ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart zich onbevoegd inzake het verzoek tot reductie van de koopprijs dan wel ontbinding van de koopovereenkomst;
– bevestigt de uitspraak van de commissie in eerste aanleg van 1 juli 2024 met betrekking tot de klacht over het schenden van de mededelingsplicht en misleiding;
– vernietigt de uitspraak met betrekking tot de klacht over het schenden door verweerder van de zorgplicht;
– vernietigt de opgelegde maatregel van berisping;
bepaalt op basis van artikel 22 lid 6 van het reglement van de commissie dat de door verweerder betaalde bijdrage in de kosten voor het wijzen van de uitspraak in eerste aanleg door de Stichting Geschillencommissie voor Beroep en Bedrijf wordt terugbetaald.
Aldus beslist door de Tuchtcommissie Vasgoedprofessionals, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer E. Getreuer, de heer S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter-Bijsterveld, op 13 mei 2025.
Datum verzending
: 2 juli 2025
Zaaknummer
: 671661/873028