Geen vergoeding bij vertraging: reis bestond uit losse vervoersbewijzen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Commissie    Categorie: Vervoer    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 223263/233170

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument maakte op 25 mei 2023 een lange treinreis met meerdere overstappen en kwam door vertraging pas de volgende ochtend aan, ruim zes uur later dan gepland. Hij vroeg compensatie aan de ondernemer, omdat hij vindt dat de vertraging over de hele reis moet worden vergoed. De ondernemer wees dit af, omdat de reis uit losse delen bestond en alleen het eerste deel onder hun verantwoordelijkheid viel. Op dat deel was de vertraging minder dan 60 minuten, en volgens de Europese regels is er dan geen recht op compensatie. De commissie is het eens met de ondernemer: de reis was niet één geheel, maar bestond uit verschillende vervoersbewijzen. Daarom hoeft de ondernemer geen vergoeding te betalen. De klacht van de consument is ongegrond en wordt afgewezen.

De volledige uitspraak

BINDEND ADVIES
van de Geschillencommissie Openbaar Vervoer

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft een treinreis.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 25 mei 2023 was de planning om van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] te treinen. Vertrek 08.08 uur, aankomst 23.49 uur. Helaas kwam ik de volgende ochtend pas aan met 6 uur en 45 minuten vertraging. Bij vertraging van meer dan 60 minuten wordt er gecompenseerd. Ik heb geen klacht, maar een claim bij de ondernemer ingediend (dit adviseerde de helpdesk van ondernemer). Maar de ondernemer geeft geen compensatie met als reden: De vertraagde trein is bepalend of u in aanmerking komt. De trein van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] was minder dan 60 min vertraagd. Maar die trein was wel de oorzaak van de sneeuwbal aan vertragingen.
Mijn argumentatie: ik heb een dienst van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] geboekt bij de ondernemer. Dus die 60 min vertraging geldt over de totale reis, niet alleen de rit van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam].

Voorbeeld: Als ik een aannemer in dienst neem en hij besteedt loodgieterswerk uit. En die loodgieter maakt een fout, is mijn aannemer aansprakelijk, niet ik. Dus dat de ondernemer diensten afneemt bij andere treinoperators is hun aansprakelijkheid, niet de mijne. Los wat hun vervoersvoorwaarden van de ondernemer ook zegt. Tenminste zo zie ik het. Typisch gedrag van een monopolist die niet zijn verantwoordelijk wil nemen. Echt belachelijk dat ik met zo’n vertraging geen vergoeding krijgt. Bij een gemiddelde vliegtuigmaatschappij krijg ik het wel.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument stelt dat hij bij de ondernemer een vervoersdienst heeft afgenomen voor een treinreis van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] en dat derhalve iedere vertraging op dit gehele traject voor rekening en risico van ondernemer dient te komen, inclusief de schade die hij als gevolg van de vertraging heeft geleden. De ondernemer betwist dit.

Recht op compensatie
Zoals de ondernemer de claim van de consument begrijpt wenst hij gecompenseerd te worden voor de vertraging die hij over zijn gehele treinreis van [plaatsnaam] tot aan [plaatsnaam] heeft opgelopen. Voor de beoordeling van deze vraag is het bepaalde in de Europese reizigersrechtenverordening voor treinreizigers bepalend. De reis heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de vigerende reizigersrechtenverordening, zodat het bepaalde in Verordening (EG) 1371/2007 (hierna: Verordening) bepalend is voor het recht op compensatie.

De Verordening bepaalt in artikel 17 (eigen onderstreping): Zonder het recht op vervoer te verliezen kan een reiziger de spoorwegonderneming om schadevergoeding voor een vertraging verzoeken indien hij tussen de op het vervoerbewijs vermelde punten van vertrek en van bestemming geconfronteerd wordt met een vertraging waarvoor het vervoerbewijs niet overeenkomstig artikel 16 is terugbetaald. Voor het bepalen van de punten van vertrek en bestemming is het vervoersbewijs bepalend: het vervoersbewijs is het bewijs van het bestaan van een vervoersovereenkomst en daarop zijn de punten van vertrek en bestemming aangeduid. Anders dan de consument betoogt is er geen sprake van een enkele vervoersovereenkomst voor de door hem gemaakte reis van Utrecht Centraal naar Roma Termini. Zoals reeds eerder omschreven heeft de consument – voor zover relevant: een product van ondernemer en een landencoupon, verstrekt door de werkgever van de consument, gebruikt voor het eerste traject, vervolgens een bij de ondernemer gekocht vervoersbewijs voor de reis tussen [plaatsnaam] en [plaatsnaam] en tenslotte een bij een andere aanbieder aangeschaft vervoersbewijs voor de reis van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam]. Blijkens de gegevens van de consument heeft er op het traject tussen [plaatsnaam] en [plaatsnaam] een vertraging plaatsgevonden. Hoewel feitelijk noch op het product van ondernemer noch op de landencoupon de punten van vertrek en bestemming zijn aangeduid, beschouwt de ondernemer, mede gezien de overgelegde zitplaatsreservering, de reis tussen [plaatsnaam] en [plaatsnaam] als een enkele vervoersovereenkomst.

Op grond van het bepaalde in artikel 17 van de Verordening is de vervoerder op deze route gehouden een compensatie te betalen indien de vertraging 60 minuten of meer bedroeg. Uit de door de consument ingediende claim heeft de ondernemer mogen opmaken dat de vertraging niet 60 minuten of meer is geweest, zodat er geen recht bestaat op compensatie. Hoewel de consument heeft gesteld dat hij eveneens vertraging heeft ondervonden op het traject waarop het tweede vervoersbewijs betrekking had – tussen Basel SBB en Milano Centrale – kan de ondernemer niet beoordelen of de gestelde vertraging 60 minuten of meer bedroeg, zodat niet vastgesteld kan worden of er een recht op compensatie bestaat. Omdat deze reis was samengesteld uit meerdere vervoersbewijzen, is de totale door de consument ondervonden vertraging op zijn reis van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] niet relevant voor het bepalen van de hoogte van de verschuldigde compensatie.

Voor wat betreft de vertraagde treinreis van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] is de ondernemer de verkoper van het vervoerbewijs geweest en voor wat betreft de vertraagde treinreis tussen [plaatsnaam] en [plaatsnaam] is de ondernemer de verkoper van het vervoerbewijs geweest. Derhalve moet de verschuldigdheid van gevolgschade worden beoordeeld naar Nederlands recht. Terzake is het bepaalde in artikel 8:108 van het Burgerlijk Wetboek bepalend. Daarin is bepaald dat schade die een reiziger lijdt als gevolg van vertraging dan wel als gevolg van welke afwijking van de dienstregeling niet voor vergoeding in aanmerking komt: “De vervoerder is niet aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak dan ook vóór, tijdens of na het vervoer opgetreden, dan wel is veroorzaakt door welke afwijking van de dienstregeling dan ook.” Ratio achter deze bepaling is dat aansprakelijkheid voor vertragingsschade in het openbaar vervoer tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Op grond van de stukken aan het verhandelde ter zitting onderschrijft de commissie in grote lijnen het standpunt van ondernemer. Na de zitting heeft de consument nog stukken aan het dossier toegevoegd. De commissie moet deze buiten beschouwing laten, omdat ondernemer daarop niet heeft kunnen reageren.
Naar het oordeel van de commissie stelt de ondernemer zich terecht op het standpunt dat hier geen sprake was van een reis, maar van een in diverse onderdelen opgesplitste reis, waarvan ondernemer voor het eerste deel rechtstreeks aansprakelijk is. Op dat eerste stuk was de vertraging beperkt, zodat de consument niet met succes aanspraak kan maken op een vergoeding. Dat het verkrijgen van een zitplaats reservering in [plaatsnaam] enige tijd heeft gekost, kan niet met succes aan ondernemer worden tegengeworpen. De klacht treft geen doel.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit mr. D.J. Buijs, voorzitter, mr. P. Vonk en drs. P.C. Hoogeveen-de Klerk, leden, op 16 januari 2024.

mr. D.J. Buijs

 

Opslaan als PDF