Commissie: Commissie
Categorie: Aansprakelijkheid
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
213483/236431
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument wilde op 28 april 2023 met de trein naar de luchthaven reizen, maar door uitval van treinen en een persoon op het spoor kon hij zijn reis niet voortzetten. Omdat er geen andere reismogelijkheden waren en hij zijn vlucht dreigde te missen, belde hij met de klantenservice van de vervoerder. Volgens hem gaf medewerker A. toestemming om een taxi te nemen op kosten van de vervoerder, mits hij een bon kon overleggen. De taxi kostte €300. Later weigerde de vervoerder deze kosten te vergoeden. De consument diende een klacht in bij de Geschillencommissie Openbaar Vervoer. De vervoerder stelt dat zij wettelijk en contractueel niet aansprakelijk is voor schade door vertraging, zoals vastgelegd in Europese regels en het Burgerlijk Wetboek. Ook in hun eigen voorwaarden staat dat zij geen gevolgschade vergoeden. Volgens de vervoerder was er op de dag van de reis al vanaf 11:23 uur bekend dat er geen treinen reden, en waren er bussen ingezet als alternatief vervoer. De vervoerder betwist dat er een toezegging is gedaan door medewerker A., omdat er niemand met die naam werkt en er geen aantekening is gemaakt in het systeem. Normaal gesproken regelt de vervoerder zelf taxi’s en wordt dit vastgelegd. De commissie oordeelt dat de consument op tijd had kunnen weten dat er geen treinen reden en dus zelf verantwoordelijk is voor het nemen van risico’s. Er is onvoldoende bewijs dat de vervoerder heeft toegezegd de taxikosten te vergoeden. Daarom verklaart de commissie de klacht ongegrond en hoeft de vervoerder de kosten niet te betalen.
De volledige uitspraak
BINDEND ADVIES
van de Geschillencommissie Openbaar Vervoer
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft vergoeding van door de consument gemaakte taxikosten na uitvallen van treinverbindingen naar de luchthaven [naam].
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 28 april 2023 zou de consument in [plaatsnaam] met de trein naar [luchthaven] reizen. Echter, de trein van 13:30 viel uit. Een medewerker van de ondernemer in [plaatsnaam] adviseerde om tijdig contact op te nemen als de consument zijn vlucht dreigde te missen. De daaropvolgende trein reed niet verder dan [plaatsnaam] omdat een persoon op het spoor was gesprongen. Omrijden was geen optie omdat er via [plaatsnaam] ook werkzaamheden waren. De consument zat in het nauw en zou de vlucht missen als hij niets zou doen. Na telefonisch overleg met een medewerker van de ondernemer met de naam A. heeft de consument toestemming gekregen om een taxi op kosten van de ondernemer te nemen opdat de consument zijn vlucht te [luchthaven] nog zou kunnen halen. Voorwaarde was dat de consument van een erkende taxi gebruik moest maken en een bon kon overleggen met datum en de opstapplaats en uitstapplaats. De ondernemer zou zelf de kosten op het slachtoffer te verhalen. Vervolgens wijst de ondernemer het verzoek deze gemaakte taxikosten te vergoeden af.
De consument heeft € 300,– voor het vervoer met de taxi moeten betalen. Er was geen ander alternatief. De consument eist dan ook betaling van deze schade door de ondernemer.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Uitgangspunt van het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht is dat eenieder zijn eigen schade draagt. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als er een rechtsgrond bestaat om deze schade op een ander af te wentelen, dat wil zeggen als een ander voor deze schade aansprakelijk is. Dat is hier niet het geval.
De ondernemer is zowel op grond van het Europese recht als op grond van het Nederlandse recht niet aansprakelijk voor schade als gevolg van vertragingen dan wel schade veroorzaakt door welke afwijking van de dienstregeling dan ook.
Op grond van artikel 20 lid 3 van de Verordening 2021/782 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (hierna: “Verordening”) geldt dat reizigers als treinverkeer niet meer mogelijk is, zo spoedig mogelijk vervangend vervoer krijgen aangeboden.
In Nederland is de aansprakelijkheid van een vervoerder in geval van vertraging vastgelegd in artikel 8:108 van het Burgerlijk Wetboek. Schade die de reiziger oploopt door vertraging dan wel door welke afwijking van de dienstregeling dan ook wordt door de wetgever categorisch uitgesloten.
Ratio achter deze bepaling is dat aansprakelijkheid voor vertragingsschade in het openbaar vervoer tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.
De inhoud van artikel 8:108 BW heeft de ondernemer overgenomen in haar vervoervoorwaarden die van toepassing zijn op alle reizigers die reizen met de ondernemer. In artikel 8.2 van de AVRNS heeft de ondernemer haar aansprakelijkheid voor schade als gevolg van vertraging contractueel uitgesloten. De ondernemer is dus niet alleen niet wettelijk, maar ook contractueel niet aansprakelijk voor de gestelde schade van de consument.
Op 28 april 2023 reden er inderdaad geen treinen tussen [plaatsnaam] en [plaatsnaam]. Dit was al bekend vanaf 11.23 uur, ruim voordat de consument de trein van station [plaatsnaam] nam. Hij zou dus al eerder in de gelegenheid zijn geweest om een alternatief te zoeken. Bovendien heeft de ondernemer bussen ingezet op het traject tussen [plaatsnaam] en [plaatsnaam]. De ondernemer heeft daarmee voor alternatief vervoer gezorgd, waardoor reizigers naar [plaatsnaam] konden reizen en vanaf daar weer verder per trein. Vanaf 15.23 uur waren de beperkingen voorbij en om 15.45 uur was het treinverkeer weer geheel hervat.
Van enige opzet of bewuste roekeloosheid van de zijde van de ondernemer is in het onderhavige geval géén sprake. Er was sprake van een aanrijding tussen een persoon en een trein, waardoor er tijdelijk geen treinverkeer mogelijk was. De ondernemer heeft om de reizigers toch te kunnen vervoeren alternatief vervoer in de vorm van bussen ingezet.
Het uitgangspunt dat de ondernemer geen gevolgschade vergoedt, leidt uitzondering op het moment dat de ondernemer uitdrukkelijk heeft toegezegd de schade te zullen vergoeden. De ondernemer stelt dat daar in dit geval geen sprake van was. De consument stelt dat medewerker A. hem telefonisch heeft toegezegd dat de ondernemer de taxikosten zou vergoeden. Zij zou daarbij verteld hebben dat de ondernemer de kosten dan weer op het slachtoffer van het ongeval zou verhalen. De ondernemer heeft onderzoek gedaan naar deze stelling van de consument. Er werkt bij de telefonische klantenservice echter geen medewerker met de naam A. Er is ook gekeken of er misschien iemand werkt met een naam die hierop lijkt, maar ook een dergelijke naam is niet gevonden. Er is ook specifiek gezocht onder de namen van medewerkers die die dag dienst hadden.
Als een medewerker toestemming geeft om een taxi te nemen, dan zal deze medewerker daar volgens de procedures altijd een aantekening van maken in het registratiesysteem van de Klantenservice van de ondernemer, zodat collega’s weten dat de toezegging is gedaan. Er is echter geen aantekening gemaakt van een dergelijke toezegging. Het is ook niet gebruikelijk dat een medewerker van klantenservice een dergelijke toezegging doet, omdat de ondernemer zelf de taxi’s bestelt als zij een klant een taxi aanbiedt.
Alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals bijvoorbeeld bij een extreem grote uitval van treinen waarbij de ondernemer geen taxi’s meer tot haar beschikking heeft, zal een medewerker van klantenservice een dergelijke toezegging doen en dan altijd met een registratie van die toezegging. Tot slot verhaalt de ondernemer nooit de kosten van een ongeval op het slachtoffer, dat is ook bekend onder de medewerkers van de ondernemer. Het is dan ook niet aannemelijk dat een medewerker dit aan de consument heeft verteld. Uitgangspunt is – zo blijkt ook uit artikel 6.3 van de AVR-NS – dat de ondernemer bepaalt welk type vervangend vervoer ingezet wordt. Dit wordt dan ook door de ondernemer geregeld en aan de reizigers ter beschikking gesteld. Wanneer reizigers op eigen initiatief voor vervangend vervoer zorgen, dan komt dit niet voor vergoeding door de ondernemer in aanmerking. De ondernemer is op grond van de wet en de toepasselijke voorwaarden niet gehouden om door reizigers zelfgemaakte kosten te vergoeden.
De ondernemer verzoekt de klacht ongegrond te verklaren.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Als niet dan wel onvoldoende weersproken stelt de commissie vast dat ruim voordat de consument zijn reis vanuit [plaatsnaam] zou aanvangen er geen treinen reden tussen [plaatsnaam] en [plaatsnaam]. Hij was dus in de gelegenheid om een alternatief te zoeken. Zeker nu hij tijdig op [luchthaven] moest zijn voor vertrek per vliegtuig aldaar. De keuze om toch via de ondernemer te gaan reizen komt dan ook geheel voor rekening en risico van de consument.
Dat er door een medewerker van de ondernemer zou zijn toegezegd dat de consument per taxi zijn reis kon voortzetten en deze kosten door de ondernemer zou worden vergoed, heeft de ondernemer betwist na een en ander op basis van de informatie van de consument te hebben uitgezocht. Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en ingebracht is dit ook niet gebleken.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond en wijst het door de consument verlangde af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer mr. P. Vonk, de heer mr. M.A. Keulen, leden, op 19 maart 2024.