Klacht over vermist pakket ongegrond: slechts forfaitaire vergoeding van €50 toegekend

  • Home >>
  • Commissie >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: CommissiePost    Categorie: Schadevergoeding    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 854386/978825

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument claimde de nieuwwaarde van een verloren gegaan pakket met een CPU en ventilator (€277). De ondernemer erkende de vermissing maar stelde dat alleen de actuele waarde ten tijde van verzending vergoed kan worden. Omdat de consument weigerde bewijsstukken van de verkoopprijs te overleggen, kon de waarde niet worden vastgesteld. De Geschillencommissie Post oordeelde dat de klacht ongegrond is en kende enkel de forfaitaire vergoeding van €50 plus portokosten toe.

De volledige uitspraak

BINDEND ADVIES
Geschillencommissie Post
Zaaknummer 854386/978825

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de vaststelling van de waarde van een verloren gegaan pakket. De consument wenst de nieuwwaarde vergoed te krijgen.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft op 27-11-2024 een postpakket aangetekend verstuurd via de ondernemer. De ondernemer heeft geconstateerd dat het pakket niet is aangekomen en onvindbaar is. Met Track & Trace is het pakket tot € 500,– verzekerd. Het pakket bevatte een CPU (central processing unit) en bijbehorende ventilator, ter waarde van 277 euro (volgens door de door de consument overgelegde aankoopbon van 1 jaar geleden). De ondernemer wil de e-mail correspondentie zien tussen de consument en de koper van de CPU om de te vergoeden schade te bepalen en betaalt niets zonder overlegging van die privé correspondentie. De consument weigert overlegging van die correspondentie met een beroep op het briefgeheim. Hij stelt de CPU voor € 160,– verkocht te hebben. Hij vordert betaling van € 277,–.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De klacht van de consument gaat over de vermissing van de inhoud van een aangetekend pakket. De zaak draait hierbij niet om deze vermissing als zodanig – daarvoor aanvaardt de ondernemer aansprakelijkheid – maar om de afwikkeling en de hoogte van de schadevergoeding. De consument weigert om correspondentie met de koper via het platform [naam] over te leggen, terwijl de ondernemer deze informatie nodig heeft om de hoogte van het schadebedrag op objectieve wijze vast te kunnen stellen. Een schadevergoeding wordt immers niet willekeurig toegekend, maar gebaseerd op de bewijsstukken die de consument aanlevert (artikel 9.4 AVP). De ondernemer vervoert dagelijks miljoenen poststukken. Het is onvermijdelijk dat daarbij in een beperkt aantal gevallen sprake is van vermissing of beschadiging. De schadeafdeling handelt dan ook dagelijks tientallen claims af. Bij een dergelijke schaalgrootte is het noodzakelijk om voorwaarden te stellen aan de aansprakelijkheid. Zonder deze voorwaarden zouden de risico’s onoverzienbaar worden, wat zou kunnen leiden tot aanzienlijk hogere tarieven wat onwenselijk is gelet op het maatschappelijke belang van betaalbare postdiensten. Om deze reden wordt de schadevergoeding altijd vastgesteld op basis van objectieve bewijsstukken, zoals aankoopnota’s of vergelijkbaar bewijs, zodat de waarde van de vermiste goederen betrouwbaar kan worden bepaald. In dit geval heeft de consument als schadebedrag de nieuwprijs van de computerprocessor opgegeven, te weten € 277,95, het bedrag dat hij op 22 november 2023 voor het product heeft betaald. Voor de vaststelling van de schade kijkt de ondernemer echter naar de werkelijke waarde die de consument zou hebben ontvangen vóór het moment waarop de schade zich voordeed, in dit geval dus vóór de vermissing van het pakket (de schadeveroorzakende gebeurtenis). Indien het pakket correct was afgeleverd bij de geadresseerde, zou de consument een bedrag van € 160,– hebben ontvangen, en niet de nieuwprijs. Dit is het uitgangspunt bij de schadevaststelling. Ook in de hypothetische situatie zoals de consument die zelf schetst (schenking aan een vriend), geldt dat niet de oorspronkelijke aankoopprijs leidend is, maar de waarde ten tijde van de schade. In dat geval wordt de afschrijvingswaarde van de computerprocessor in mindering gebracht op de oorspronkelijke aankoopprijs. Het is niet de bedoeling van een schadeverzekering dat consumenten in een gunstigere positie komen dan zij vóór de schade waren, omdat dit in strijd is met het indemniteitsbeginsel waarop verzekeringsdekking is gebaseerd. De schadebeoordelaar heeft dan ook terecht verzocht om bewijs van de afgesproken verkoopprijs, zoals gebruikelijk en noodzakelijk is voor een zorgvuldige en consistente schadebeoordeling. De consument komt echter wel nog steeds in aanmerking voor een forfaitaire vergoeding van € 50,– (artikel 9.3 lid 3 AVP). Op grond van het voorgaande handhaaft de ondernemer zijn standpunt en wordt de claim van de consument afgewezen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Zoals de ondernemer uiteengezet heeft, komt voor vergoeding slechts in aanmerking de waarde van de CPU op het ogenblik van verzending. Voor zover de consument de door hem een jaar eerder betaalde aankoopwaarde vergoed wenst te krijgen, wordt dat afgewezen. Vervolgens is aan de orde of de consument de waarde ten tijde van de verzending heeft aangetoond. Om die waarde vast te stellen heeft de ondernemer om overlegging van correspondentie en betaalgegevens met de koper gevraagd. De consument weigert dat. De commissie acht het verzoek van de ondernemer alleszins redelijk. De consument beroept zich echter op briefgeheim. Indien hij die gegevens zo vertrouwelijk acht dat hij geen inzage wenst te verstrekken, kan de ondernemer en ook de commissie de waarde niet vaststellen. Resteert dan dat de consument slechts de forfaitaire waarde krijgt, zoals door de ondernemer aangeboden. Daarnaast dienen de portikosten (€ 11,25 onder aftrek van de verzekeringspremie), vergoed te worden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer dient aan de consument € 50 (plus de portikosten onder aftrek van de verzekeringspremie) te betalen. Indien betaling niet binnen 14 dagen na verzending van deze beslissing plaatsvindt, dient de ondernemer over dat bedrag de wettelijke rente te vergoeden.

Het door de consument meer of anders verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Post, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer drs. G.J.F.M. Klaas, mevrouw mr. M.T. Buiting, leden, op 7 juli 2025.

 

 

Opslaan als PDF