Geen vergoeding taxikosten bij vervangend busvervoer

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Openbaar vervoer    Categorie: Overig    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 585136/688063

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument wilde dat [bedrijfsnaam] zijn taxikosten van €101,07 zou vergoeden, omdat hij op 24 augustus 2024 niet met de trein of bus kon reizen door stormschade en daarom een taxi naar huis nam. [bedrijfsnaam] wees dit verzoek af, omdat er vervangend vervoer met bussen was geregeld en zij volgens de regels niet aansprakelijk zijn voor kosten door vertraging, behalve bij opzet of roekeloosheid, wat hier niet aan de orde was. De commissie oordeelde dat [bedrijfsnaam] inderdaad aan de verplichting tot vervangend vervoer had voldaan en dat de consument niet voldoende heeft aangetoond dat er geen plek was in de bussen. Daarom is de klacht ongegrond verklaard en krijgt de consument de taxikosten niet vergoed.

De volledige uitspraak

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument reisde op 24 augustus 2024 van station [plaatsnaam A] naar [plaatsnaam B]. De trein reed niet verder dan [plaatsnaam A]. Er reden er tussen [plaatsnaam A] en [plaatsnaam B] geen treinen maar bussen, vanwege een boom op het spoor door onweersbuien, storm en valwind. De consument was genoodzaakt om met een taxi naar huis te rijden omdat de door de ondernemer ingezette bussen vol waren. Hij is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om de taxikosten ad € 101,07 te vergoeden. Hij vraagt alsnog vergoeding van de taxikosten door de ondernemer.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Een wettelijke of contractuele grondslag voor vergoeding van de door de consument gemaakte taxikosten ontbreekt. De aansprakelijkheid van de ondernemer voor schade als gevolg van vertraging wordt zowel wettelijk als contractueel uitgesloten. Dit leidt uitzondering als er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Dat hier sprake van is, is gesteld noch bewezen.
Van een rechtens afdwingbare toezegging door de ondernemer tot vergoeding van de taxikosten is ook geen sprake. Op 24 augustus 2024 is immers vervangend vervoer ingezet in de vorm van bussen. Daarmee is ook voldaan aan de ‘thuisbrengverplichting’ op grond van artikel 6.3 AVR NS. De consument heeft hier geen gebruik van gemaakt. Omdat ernaar weten van de ondernemer geen reizigers achter zijn gebleven op station [plaatsnaam A] en er ook geen taxi’s uit zijn geschreven, gaat de ondernemer ervan uit dat de consument de bussen zelf te vol vond om mee te reizen, maar niet dat er geen plek in de bus meer beschikbaar was. De cosument schrijft nog dat er tijdens de taxirit een andere reiziger op is gepikt. Hij schrijft echter niet hoe de betaling van de rit dan is verlopen. Het is niet duidelijk of deze reiziger gratis mee is gereisd, of ook een deel van de factuur heeft betaald. De consument heeft op eigen initiatief een taxi genomen, deze kosten dienen voor zijn eigen rekening te blijven.

Op grond hiervan verzoek ik uw Commissie de klacht van de heer [naam] ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Met de ondernemer is de commissie van oordeel dat een wettelijke of contractuele grondslag voor vergoeding van de door de consument gemaakte taxikosten ontbreekt, de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van vertraging wettelijk en contractueel is uitgesloten. Daarnaast is van opzet of bewuste roekeloosheid niet gebleken.

Voorts is niet weersproken dat de ondernemer ten gevolge van de vertraging vervangend vervoer heeft ingezet. Aldus is voldaan aan de thuisbrengverplichting op de voet van artikel 6.3 AVR. Dat de consument daar geen gebruik van kon maken omdat naar zijn zeggen te vol was, heeft de consument onvoldoende onderbouwd nu de ondernemer dit gemotiveerd heeft betwist. Ook anderszins is dit niet gebleken.

Op grond van het voorgaande is de commissie dan ook van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond en wijst het door de consument verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer mr. P. Vonk, de heer mr. M.A. Keulen, leden, op 10 december 2024.

Opslaan als PDF