Algemene voorwaarden naar oordeel commissie niet onredelijk bezwarend

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 29 mei 2014 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een complete badkamer tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van € 6.143,--.

De overeenkomst is door de consument op of omstreeks 7 augustus 2014 geannuleerd.

Het geschil gaat over de vraag of de consument annuleringskosten verschuldigd is en zo ja, tot welk bedrag.

De consument heeft op 9 september 2014 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De overeenkomst is gesloten op 29 mei 2014. Het bedrag van de order was € 6.143,--. De consument heeft daarop een bedrag ad € 250,-- aanbetaald.

Op 28 juni 2014 is de overeenkomst aangepast, waarbij het uiteindelijke bedrag € 8.210,-- zou zijn. Dat bedrag klopte niet en daarom is dat bedrag op 4 juli 2014 aangepast naar € 7.499,--.

Op 7 augustus 2014 heeft de consument de order, naar eigen zeggen omdat de consument niet verder met de ondernemer in zee wil, geannuleerd. Daarbij heeft de consument een andere reden opgegeven, dat de badkamer niet meer in het budget zou passen. Bovenop de aanbetaling heeft de consument eerst € 2.000,-- en later nog eens € 1.499,50 betaald, zodat uiteindelijk derhalve € 3.500 (de commissie begrijpt: € 3.499,50) bovenop de aanbetaling door de consument werd betaald.

De consument is van mening dat artikel 12 van de CBW-voorwaarden niet van toepassing is, omdat dat in strijd is met het Burgerlijk Wetboek en Europese wetgeving. Daar is ook jurisprudentie over. De consument heeft de toepasselijke wetgeving uitgebreid vermeld en van toepassing zijnde jurisprudentie aangehaald.

De consument is van mening dat hij daarom geen annuleringskosten verschuldigd is.

Voor het geval hij toch annuleringskosten verschuldigd zou zijn is hij van mening dat de schade van de ondernemer (aanzienlijk) lager is dan 50%. Het is in ieder geval aan de ondernemer om de hoogte van de schade te bewijzen.

Overigens blijkt nergens dat de directie van de ondernemer akkoord is gegaan met de overeenkomst en de overeenkomst tot wijziging. Daarom is geen sprake van een geldige overeenkomst.

De consument verlangt terugbetaling van al hetgeen hij betaald heeft, althans tenminste

van € 1.499,50.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Tussen de ondernemer en de consument is op 29 mei 2014 een rechtsgeldige overeenkomst tot stand gekomen. De door de consument bestelde badkamer is op afroep gezet. Op 19 juni 2014 is de order van afroep afgehaald, op 28 juni 2014 heeft nog een wijziging van de order plaatsgevonden. Op 14 juli 2014 is de order door de ondernemer in bestelling genomen voor levering in week 41 van 2014.

Op 7 augustus 2014 heeft de consument meegedeeld om financiële redenen van de overeenkomst af te willen zien. In overeenstemming met de ten deze toepasselijke CBW-voorwaarden heeft de ondernemer 50% van het orderbedrag aan annuleringskosten in rekening gebracht.

De consument wilde echter niet meer dan € 2.000,-- betalen. Dat is voor de ondernemer niet acceptabel. Uiteindelijk heeft de consument alles betaald wat verschuldigd was.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Er is oorspronkelijk een overeenkomst gesloten voor € 6.143,--, later is de overeenkomst gewijzigd, waarbij het orderbedrag om niet geheel duidelijke redenen gewijzigd is in € 8.310,--, weer later in het correcte bedrag van € 7.499,--.

De juistheid van de aanpassing wordt erkend door de consument, de consument erkent met zoveel woorden dat de betreffende wijziging is afgesproken. Er staat geen handtekening op de wijziging.

De overeenkomst stond aanvankelijk op afroep, later is de overeenkomst door de consument van afroep gehaald en is een leverdatum afgesproken. Naar aanleiding daarvan is, vanwege de levertijd van gemiddeld twaalf weken, terwijl ook de bouwvak in de betreffende periode viel de bestelling door de ondernemer bij de leverancier geplaatst.

Toen de consument vervolgens wilde annuleren is door de consument 50% van het orderbedrag in rekening gebracht. Alle goederen waren immers al bij de leveranciers besteld en in het magazijn aan-wezig of onderweg daar naar toe.

Voor wat betreft de bepaling dat de overeenkomst door de directie dient te worden goedgekeurd merkt de ondernemer op dat hierop in incidentele gevallen, bijvoorbeeld als sprake is van een zeer grote fout, alleen door de ondernemer een beroep zou kunnen worden gedaan.

Voor wat betreft het beroep van de consument op de vernietigbaarheid van de annuleringsbepaling in de algemene voorwaarden laat de ondernemer het oordeel dienaangaande over aan de commissie. De ondernemer memoreert wel dat als artikel 12 van de CBW-voorwaarden niet van toepassing zou zijn dat tot gevolg zou hebben dat de mogelijkheid tot annuleren van de overeenkomst zou komen te vervallen. De ondernemer zou volledige nakoming van de koopovereenkomst tegen betaling van het volledige orderbedrag kunnen vorderen.

De ondernemer is overigens van mening dat de betreffende bepaling, die tot stand is gekomen in samenspraak met de Consumentenbond en de SER, alleen al daarom niet onredelijk bezwarend is.

Voor het geval de betreffende bepaling vernietigd zou worden merkt de ondernemer op dat elke be-stelling maatwerk is en dat de betreffende goederen zich al in het magazijn bevinden. Voor verkoop van deze goederen moet meer inspanning worden geleverd en zal in bepaalde situaties ook forse korting gegeven moeten worden om het magazijn leeg te krijgen. Daarnaast is er sprake van een winstderving van ongeveer 30%, terwijl ook een aandeel in de doorlopende vaste kosten aan de overeenkomst kan worden toegerekend. De totale schade van de ondernemer bedraagt daarmee tenminste 50% van het orderbedrag.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Partijen zijn het er over eens dat op 29 mei 2014 tussen hen een overeenkomst tot stand is gekomen. Is. De consument heeft per e-mail van 7 augustus 2014 aangegeven de overeenkomst te willen annuleren. De daarvoor door de consument opgegeven reden was dat de badkamer niet meer in het budget zou passen.

De ondernemer heeft daarop op grond van het bepaalde in artikel 12 van de ten deze toepasselijke CBW-voorwaarden annuleringskosten in rekening gebracht ad 50% van het orderbedrag. De consument heeft de annuleringskosten onder protest betaald.

De meest verstrekkende stelling van de consument betreft het beroep op de vernietigbaarheid van de annuleringsbepaling in de CBW-voorwaarden. Volgens de consument valt het bepaalde in artikel 12 van de CBW-voorwaarden onder de reikwijdte van hetzij artikel 6:236 onder k BW, hetzij artikel 237 onder i BW.

Artikel 12 van de CBW-voorwaarden luidt:

1 Bij annulering van de overeenkomst door de afnemer is deze een schadevergoeding ver-schuldigd van 30% van hetgeen de afnemer bij de uitvoering van de overeenkomst had moeten betalen, tenzij partijen bij het sluiten van de overeenkomst anders zijn overeengekomen. Het percentage als bedoeld in de vorige zin bedraagt 50%, indien de annulering van een overeen-komst door de afnemer geschiedt terwijl de afnemer er al van in kennis is gesteld dat de op- of aflevering of een deel ervan indien het een deellevering betreft kan plaatsvinden.

2 De in het vorige lid genoemde percentages zijn vaststaand, tenzij de ondernemer kan bewijzen dat zijn schade groter is of de afnemer aannemelijk kan maken dat de schade kleiner is.

Artikel 6:236 onder k BW luidt:

Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding

k. dat de bevoegdheid van de wederpartij om bewijs te leveren uitsluit of beperkt, of dat de uit de wet voortvloeiende verdeling van de bewijslast ten nadele van de wederpartij wijzigt, hetzij doordat het een verklaring van haar bevat omtrent de deugdelijkheid van de haar verschuldigde prestatie, hetzij doordat het haar belast met het bewijs dat een tekortkoming van de gebruiker aan hem kan worden toegerekend;

Artikel 237 onder i luidt:

Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding

i. dat voor het geval de overeenkomst wordt beëindigd anders dan op grond van het feit dat de wederpartij in de nakoming van haar verbintenis is tekort geschoten, de wederpartij verplicht een geldsom te betalen, behoudens voor zover het betreft een redelijke vergoeding voor door de gebruiker geleden verlies of gederfde winst;

Ten aanzien van artikel 6:236 onder k BW overweegt de commissie in de eerste plaats dat artikel 12 van de CBW-voorwaarden de bevoegdheid om bewijs te leveren niet uitsluit of beperkt.

In de tweede plaats overweegt de commissie dat wel sprake is van een wijziging van de bewijslast ten nadele van een consument, maar dat dat niet is doordat artikel 12 van de CBW-voorwaarden een verklaring van de consument bevat omtrent de deugdelijkheid van de aan de consument verschuldigde prestatie of doordat artikel 12 van de CBW-voorwaarden de consument belast met het bewijs dat een tekortkoming van de ondernemer aan de ondernemer kan worden toegerekend.

Naar het oordeel van de commissie valt artikel 12 van de CBW-voorwaarden dan ook niet onder de reikwijdte van artikel 6:236 onder k BW.

Ten aanzien van artikel 6:237 onder i BW constateert de commissie dat artikel 12 van de CBW-voorwaarden bepaalt dat een consument bij annulering een percentage van het overeengekomen orderbedrag aan de ondernemer moet betalen, waarbij de genoemde percentages vaststaand zijn, tenzij de consument aannemelijk kan maken dat de schade van de ondernemer lager is dan wel de ondernemer kan bewijzen dat de schade hoger is. Naar het oordeel van de commissie kan deze bepaling, waarin de hoogte van de schade wordt gefixeerd op een vast percentage, vermoed worden onredelijk bezwarend te zijn.

De betreffende bepaling is, zoals ook door de ondernemer is aangegeven, echter tot stand gekomen in overleg met de Consumentenbond in het kader van de Coördinatiegroep Zelfreguleringsoverleg van de Sociaal-Economische Raad. Daarmee is voor de commissie voldoende aangetoond dat bij de totstandkoming van de CBW-voorwaarden, het betreffende artikel 12 daaronder begrepen, de belangen van consumenten in afdoende mate zijn meegewogen en gewaarborgd. Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer daarmee het vermoeden dat het artikel 12 van de CBW-voorwaarden onredelijk bezwarend is in voldoende mate weerlegd.

De commissie merkt daarbij nog op dat als het betreffende artikel 12 van de CBW-voorwaarden buiten toepassing zou blijven de ondernemer gerechtigd zou zijn om van de consument nakoming van de overeenkomst te eisen, hetgeen betekent dat de consument gehouden zou kunnen zijn om hetgeen besteld is af te nemen en volledig te betalen.

De consument heeft nog gesteld dat een schriftelijke goedkeuring van de overeenkomst en de wijziging ontbreekt. De betreffende bepaling in de overeenkomst is echter enkel geschreven ten behoeve van de ondernemer. Een koopovereenkomst van roerende zaken, waarvan hier sprake is, is bovendien in principe vormvrij. Dat betekent dat het voor de beantwoording van de vraag of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen geen schriftelijke overeenkomst noodzakelijk is.

De annulering door de consument is gedaan toen de ondernemer de voor de consument bestemde goederen al bij de leveranciers besteld had. Met inachtneming van de CBW-voorwaarden mocht de ondernemer daarom aanspraak maken op annuleringskosten ad 50% van het orderbedrag.

De consument stelt dat het aan de ondernemer is om te bewijzen dat de door de ondernemer door de annulering geleden schade 50% of meer van het orderbedrag beloopt. Omdat echter artikel 12 van de CBW-voorwaarden van toepassing is, is het aan de consument om aannemelijk te maken dat de schade juist lager dan 50% is. Daar is de consument niet in geslaagd.

De commissie is dan ook van oordeel dat de ondernemer gerechtigd was om 50% van het orderbedrag aan annuleringskosten in rekening te brengen, de consument was hetgeen hij heeft betaald dan ook werkelijk verschuldigd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Wonen op 13 april 2015.

Commissie: Wonen

Referentienummer: 91216

Delen?

Was deze informatie duidelijk?

“Om de gehele uitspraak te printen: klik alle subkopjes open en print dan de pagina”
Terug naar boven