Behandeling van de pijnklachten van de cliënt was zorgvuldig

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 123163

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De echtgenote van cliënt is van mening dat de zorgaanbieder haar partner de noodzakelijke medische zorg heeft onthouden vanaf het moment dat er pijnklachten waren. Anders zou de ziekte van Kahler eerder zijn ontdekt en had cliënt in de laatste maanden van zijn leven vredig had kunnen leven. De zorgaanbieder geeft aan dat vanaf het ontstaan van de pijnklachten de cliënt steeds door een arts is beoordeeld, de cliënt verschillende vormen van pijnstilling heeft ontvangen en bij meer specifieke klachten is doorverwezen naar de neuroloog. Hoewel de continuïteit van de medische zorg bij de cliënt niet optimaal was, is volgens de commissie de zorg voor cliënt voldoende geweest.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Klaagster], wonende te [plaats], en Stichting Liberein (verder te noemen: de zorginstelling).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 15 mei 2019 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen klaagster, samen met haar dochter, [naam dochter], en haar zwager, [naam zwager], en namens de zorginstelling [naam advocaat], [naam arts], [naam directeur Zorg, Wonen en Behandeling] en [naam secretaris raad van bestuur]. 

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de wijze van zorgverlening aan wijlen de echtgenoot van klaagster door de zorginstelling.

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van klaagster op het volgende neer.

De echtgenoot van klaagster (hierna: de echtgenoot) is de noodzakelijke medische zorg door de zorgaanbieder onthouden. In november 2016 is hij in de zorginstelling opgenomen in verband met de bij hem gediagnosticeerde ziekte van Alzheimer. 

Sinds oktober 2017 heeft de echtgenoot dagelijks aangegeven zeer hevige pijnen te ervaren. Ondanks herhaaldelijk aandringen van de zijde van klaagster werd door de zorginstelling pas in een laat stadium actie ondernomen. 

Uiteindelijk is in maart 2018 de ziekte van Kahler vastgesteld met uitzaaiingen, dit na zes maanden van lijden door de echtgenoot en verwaarlozing door de zorginstelling. Klaagster heeft haar echtgenoot uiteindelijk uit de zorginstelling weggehaald. De juiste zorg die haar echtgenoot in de nieuwe instelling kreeg, kwam te laat. Hij is op 14 april 2018 overleden. Klaagster stelt zich op het standpunt dat indien haar echtgenoot wel de benodigde zorg had gekregen, de ziekte eerder was geconstateerd en hij in de laatste maanden van zijn leven vredig had kunnen leven. Zo wordt binnen de zorginstelling geen doorlopende maar enkel tijdelijke/acute medische artsenzorg verleend zonder juiste overdracht van de ene tijdelijke waarnemer naar de andere tijdelijke waarnemer. Daarnaast werd na aandringen van de familie pijnmedicatie zo nodig voorgeschreven, wat resulteerde in het feit dat de verpleging de verantwoording kreeg de medicatie al dan niet toe te dienen. Verder werd fysiotherapie zonder overleg stopgezet. Er is ook geen notitie gemaakt in het medisch dossier van bloed bij de urine. Dit had aanleiding moeten zijn voor een doorverwijzing of bloedonderzoek. De dagelijkse pijn en de toestand van haar echtgenoot in februari 2018 had aanleiding moeten zijn voor nader onderzoek. Gedurende de gehele periode was er geen vaste arts aanwezig, waardoor er geen behandelplan is opgesteld in lijn met de bestaande klachten. Klaagster concludeert dat er enkel acute zorg aanwezig was, maar geen toegang tot een arts met kennis van het dossier, waardoor actie had kunnen worden ondernomen. Zo kreeg zij toen zij daarom had verzocht op 29 maart 2018 ook geen arts te spreken.
Klaagster verlangt een schadevergoeding van € 25.000,– voor schade (overlijden) en immateriële schade (onnodige pijn en schuldgevoel).

Ter zitting is door klaagster nog het volgende aangevoerd. Mijn echtgenoot werd opgenomen in Bruggerbosch omdat hij leed aan de ziekte van Alzheimer. Op een gegeven moment werd hij ziek. Er is vaak verzocht om hulp, maar klaagster werd daarin niet serieus genomen. Er is een hele ernstige situatie ontstaan; mijn echtgenoot had heel veel pijn en was heel ziek. Hij heeft in de laatste periode van zijn leven moeten lijden en is niet serieus genomen. Er is herhaaldelijk verzocht om een doorverwijzing. Tot op de laatste dag wist klaagster niet dat haar echtgenoot zou komen te overlijden. Haar echtgenoot heeft vanaf oktober 2017 niet de zorg gekregen die hij had moeten krijgen. Indien klaagster een en ander had geweten, dan had zij een en ander kunnen regelen en afscheid kunnen nemen van haar echtgenoot. Indien haar echtgenoot eerder was doorverwezen, dan had klaagster een andere oplossing kunnen bedenken. De laatste dagen van het leven van mijn echtgenoot zijn heel erg geweest. Op een gegeven moment heeft klaagster zelf stappen ondernomen om haar echtgenoot naar huis te halen, en drie dagen daarna ging hij naar een andere zorginstelling. Op 8 april 2018 is opnieuw gekeken naar de situatie rond de fractuur van zijn arm. Bestrijding van de kanker was niet meer aan de orde. Het was een aflopende zaak. Rond de armbreuk is de crisis ontstaan die de problemen versneld aan het licht hebben gebracht. Op 7 december 2017 had klaagster al gevraagd haar echtgenoot door te verwijzen. Er werd elke keer gezegd dat er niets aan de hand was. Mijn echtgenoot heeft het heel goed gehad binnen de zorginstelling, maar op het moment dat hij ziek werd, begonnen de problemen. Medewerkers hebben tot hun kunnen hun best gedaan, maar klaagster heeft ook gezien hoe het er in een andere zorginstelling aan toe ging. Het gevoel bestaat dat de medewerkers niet in staat zijn geweest de goede zorg te leveren.

Op 20 maart is door klaagster gemeld dat zij van een specialist heeft gehoord dat er een vermoeden is dat sprake is van Kahler. Dit moet dan toch ook ergens in een rapportage worden vermeld. De overlijdensoorzaak is de ziekte van Kahler geweest.

Standpunt van de zorginstelling
Voor het standpunt van de zorginstelling verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van de zorginstelling op het volgende neer.

Vanaf het moment van ontstaan van (hevige) pijnklachten op 17 november 2017 is de echtgenoot wekelijks (incidenteel met een tussenpoos van enkele weken) door een arts beoordeeld, is het beleid geëvalueerd en is het behandelplan indien nodig aangepast. Op momenten dat daartoe aanleiding bestond, is de echtgenoot op kortere termijn door een arts gezien. De overdracht tussen de artsen is voldoende geweest. Zij hebben steeds uitgebreid hun bevindingen genoteerd in het medisch dossier, waardoor andere zorgverleners hier steeds kennis van hebben kunnen nemen. De zorginstelling erkent wel dat de continuïteit van de medische zorg niet optimaal is geweest doordat de echtgenoot in zes maanden tijd is behandeld door zes verschillende artsen. Dit heeft echter geen invloed gehad op de medische behandeling. Voorts heeft de echtgenoot verschillende vormen van pijnstilling ontvangen. Daarnaast is het staken van de fysiotherapeutische behandeling voldoende besproken met klaagster en zijn hierna adequate vervolgstappen gezet. Omdat er sprake was van eenmalig bloedverlies en de oorsprong van het bloed onbekend was, is besloten naar aanleiding daarvan geen verdere vervolgstappen te ondernemen. De zorginstelling meent dat zij medisch juist heeft gehandeld.

De symptomen van de echtgenoot tot halverwege februari 2018 wezen steeds op aspecifieke chronische rugklachten en de meest aangewezen behandeling hiervoor is fysiotherapie en pijnstilling. Ook het lichamelijk onderzoek dat is verricht, leidde niet tot andere conclusies. Ook is tweemaal aanvullend bloedonderzoek ingezet om andere aandoeningen uit te sluiten. Op het moment dat sprake was van meer specifieke klachten, is besloten door te verwijzen naar de neuroloog voor nadere diagnostiek.

De zorginstelling is van mening dat een wettelijke grondslag voor vergoeding van de door klaagster gestelde schadeposten ontbreekt. Uit niets volgt dat het overlijden van haar echtgenoot is veroorzaakt door het handelen van de zorginstelling. Nu de echtgenoot bij leven geen aanspraak heeft gemaakt op smartengeld, komt deze schade niet voor vergoeding in aanmerking. Klaagster heeft ook geen eigen rechtsgrond om enige vordering tot smartengeldvergoeding op te baseren.

Ter zitting is door de zorginstelling nog het volgende aangevoerd. Er is steeds naar gestreefd om zo goed mogelijk zorg te leveren. Het is lastig om op de klacht van klaagster verweer te voeren, omdat het over een periode van een jaar gaat. Er zijn dagelijks verzorgenden bij de echtgenoot langsgekomen, met name in de laatste maanden. In februari 2018, toen de echtgenoot rugpijn kreeg, was van een doorverwijzing geen sprake. De symptomen leken op aspecifieke rugpijn en daarvoor is medicatie verstrekt. Dit had echter onvoldoende effect en op advies van de artsen en in overleg met klaagster is uiteindelijk doorverwezen naar een neuroloog. In de periode vanaf oktober 2017 is sprake geweest van verschillende artsen en dat betreurt de zorginstelling. De continuïteit is niet altijd ideaal geweest, er zijn veel wisselingen geweest. Dit heeft ongetwijfeld invloed gehad op de zorg. Dat betekent niet dat zorg medisch inhoudelijk van onvoldoende waarde is geweest. Er heeft een calamiteitenonderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van de klacht van klaagster. De rapportage van de calamiteitencommissie betreft een intern stuk. De instelling trekt daar lering uit.

Geconcludeerd is dat er een discontinuïteit van artsen was en dat klaagster ten onrechte geen arts te spreken kreeg nadat zij daarom had gevraagd. 

Nogmaals, dit betekent niet dat de medische zorg niet goed is geweest. De diagnose dat sprake is van Kahler, is moeilijk te stellen. Het ontstaat geleidelijk aan. De ziekte van Kahler kan een hele tijd chronisch aanwezig zijn. Het kan ook wat versnelling hebben. Op 4 maart 2018 is de echtgenoot gevallen. Er zijn vervolgens onderzoeken gedaan, maar daar is niet uitgekomen dat sprake was van Kahler. 

De uitslag van het bloedonderzoek was niet atypisch. Op het moment dat de echtgenoot uit de zorginstelling vertrok, was nog niet bekend dat sprake was van Kahler. De echtgenoot ging vanaf oktober 2017 achteruit. Betere pijnstilling had niet heel veel uitgemaakt.

Beoordeling
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de commissie als volgt.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat deze tekort is geschoten in de uitvoering van de zorgovereenkomst. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder verweten kunnen worden en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

Op grond van de zorgovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval de zorgaanbieder) voortvloeit uit een zorgovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt. Indien voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder jegens cliënt toerekenbaar tekort is geschoten in de zorgplicht, waardoor cliënt schade heeft geleden, kan de zorgaanbieder hiervoor aansprakelijk worden gesteld.

De commissie heeft onvoldoende aanwijzing dat de zorginstelling in de zorgverlening aan de echtgenoot in zijn algemeenheid tekort is geschoten. Er kan niet worden gezegd dat er van verwijtbaar handelen sprake is geweest met betrekking tot de zorgverlening. Gelet op de stukken, waaronder het zeer uitgebreide medische dossier, en het verhandelde ter zitting, is de commissie van oordeel dat de kwaliteit van de zorg aan de echtgenoot voldoende is geweest. De commissie is uit het dossier en de verklaringen van partijen ter zitting geen omstandigheden gebleken die het oordeel rechtvaardigen dat onvoldoende zorg is verleend. Op 7 oktober 2017 werden door de echtgenoot van klaagster voor het eerst klachten van rugpijn geuit. Pijnstilling werd ingezet, maar de volgende dag waren de klachten nog steeds aanwezig. Het was mogelijk dat de rugklachten werden veroorzaakt door een gecompliceerde herniaoperatie in het verleden. Op 16 oktober 2017 is door de fysiotherapeut lichamelijk onderzoek verricht. Er is gestart met mobiliserende therapie en oefentherapie tweemaal per week. Op 17 november 2017 is de echtgenoot door de specialist ouderengeneeskunde onderzocht omdat fysiotherapie onvoldoende verlichting van de klachten bood. Maagzuurremmers werden voorgeschreven en pijnstilling werd gecontinueerd. 

Op 20 november 2017 heeft de verpleeghuisarts ingestemd met het verzoek van klaagster om de pijnstilling standaard toe te dienen in plaats van enkel indien nodig. Op 30 november 2017 werd besloten om aanvullend bloedonderzoek te doen. Dit bloedonderzoek was niet afwijkend. Op 7 december 2017 werd besloten de resultaten van de fysiotherapie af te wachten. Op 14 december 2017 werd geconcludeerd dat de echtgenoot nog steeds pijnklachten had. Op 28 december 2017 werd besloten om te starten met een sterkere pijnstiller. 

Deze pijnstilling is op 11 januari 2018 gestaakt, omdat bleek dat de echtgenoot hierdoor suffer was geworden. Op 18 januari 2018 is opnieuw uitgebreid lichamelijk onderzoek verricht. Geconcludeerd werd dat er meest waarschijnlijk sprake was van chronische rugpijn. Opnieuw werd een aanvullend bloedonderzoek ingezet. Uit dit onderzoek was gebleken dat er sprake was van een lichte bloedarmoede zonder evidente oorzaak. Er werd een andere pijnstiller voorgeschreven. Op 15 februari 2018 werd de echtgenoot beoordeeld door de specialist ouderengeneeskunde. 

Er werd geoordeeld dat sprake was van (mogelijke) prikkeling van een zenuw en besloten werd te starten met specifieke pijnstilling tegen zenuwpijn. Op 20 februari 2018 werd besloten tot doorverwijzing naar een neuroloog van het Medisch Spectrum Twente voor diagnose, therapie en adviezen. Een afspraak werd gemaakt voor 28 april 2018. Op 27 februari 2018 werd door klaagster zelf een afspraak gemaakt bij een behandelcentrum voor rugklachten. De echtgenoot kon daar op 2 maart 2018 terecht voor een MRI-scan. Op 4 maart 2018 kwam de echtgenoot thuis ten val, waarna op de spoedeisende hulp sprake bleek te zijn van een fractuur van de bovenarm. Op 7 maart 2018 bleek sprake te zijn van osteoporotische wervelfracturen op twee niveaus in de rug waarvoor werd doorverwezen naar een orthopedische kliniek. Op 28 maart 2018 uitte klaagster haar onvrede over de zorg door de zorginstelling. Op 31 maart 2018 is de echtgenoot naar huis gegaan, waarna hij enkele dagen later in een ander verpleeghuis is opgenomen. Hierna is de echtgenoot gediagnosticeerd met de ziekte van Kahler. Hij is op 14 april 2018 overleden. Uit dit tijdsverloop, door de zorginstelling in
het verweerschrift weergegeven en welk tijdsverloop door klaagster niet is bestreden, blijkt dat er vanaf oktober 2017 pijnklachten worden gemeld, dat daarop met diverse types en doseringen van pijnstilling is gereageerd en dat de gedane onderzoeken geen aanleiding gaven om verdere stappen te ondernemen. Een en ander is geëscaleerd in maart 2018, toen klaagster haar onvrede uitte over de verleende zorg. Enkele dagen daarna bleek sprake te zijn van de ziekte van Kahler. Die diagnose was niet eerder gesteld. Door de arts van de zorginstelling ter zitting is verklaard dat de ziekte van Kahler uit de bloedonderzoeken naar voren zou zijn gekomen als de echtgenoot daar op dat moment aan leed. Dat de continuïteit van de medische zorg bij de echtgenoot niet optimaal is geweest doordat de echtgenoot in zes maanden tijd is behandeld door zes verschillende artsen, maakt niet dat de verleende medische zorg onvoldoende is geweest. Dat klaagster op 29 maart 2018 geen arts te spreken kreeg, duidt op een gebrek aan communicatie van de zijde van de zorginstelling, maar maakt evenmin dat de verleende medische zorg onvoldoende is geweest.

Uit het voorgaande, alsmede de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is naar het oordeel van de commissie niet gebleken dat de zorginstelling tekort is geschoten in de uitvoering van de zorgovereenkomst. Niet is derhalve komen vast te staan dat in de uitvoering van de zorgovereenkomst met de echtgenoot sprake is geweest van een fout of nalatigheid, dan wel dat het handelen van de zorginstelling daarin heeft geresulteerd dat de noodzakelijke medische zorg door de zorginstelling is onthouden.

Derhalve dient als volgt te worden beslist.

Beslissing
De commissie:

  • verklaart de klacht ongegrond;
  • wijst het meer of anders verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw mr. N. Jacobs en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, op 15 mei 2019 waarbij mevrouw mr. I. van der Kamp als secretaris fungeerde.