Bovenooglidcorrectie niet zorgvuldig uitgevoerd

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 121512/129638

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënte heeft een bovenooglidcorrectie laten uitvoeren door de zorgaanbieder. Zij is niet tevreden met het resultaat en het herstel verloopt ook niet naar wens. Zij heeft zichtbare littekens en kan één oog niet meer sluiten. De cliënte is dan ook van mening dat de behandeling niet goed is uitgevoerd.

De zorgaanbieder stelt dat de cliënte zowel voor als na de behandeling meermaals is gewezen op mogelijke risico’s en complicaties van de ingreep op het feit dat het gewenste resultaat niet kon worden gegarandeerd. De klachten van de cliënt zijn een te verwachten gevolg van de behandeling, die de zorgaanbieder stelt zorgvuldig te hebben uitgevoerd.

De commissie is van oordeel dat het niet goed kunnen sluiten van het oog geen complicatie is die na een ooglidcorrectie mag worden verwacht. Ook is de commissie ten aanzien van het litteken van oordeel dat de zorgaanbieder andere huidverbeteringsopties had kunnen aanbieden en de cliënte eerder naar een huidtherapeut kunnen verwijzen. Ook de dossiervoering laat volgens de commissie te wensen over.

De conclusie van de commissie is dat de ingreep niet volgens de regelen der kunst is uitgevoerd en dat de plastisch chirurg niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend beroepsgenoot in dezelfde omstandigheden mag worden verwacht. De klacht is gegrond en de cliënt ontvangt een schadevergoeding.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam cliënte], wonende te [naam woonplaats]

en

Equipe Zorgbedrijven, gevestigd te Rotterdam

(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

gemachtigde: [naam gemachtigde]

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 6 april 2022 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam] en bijgestaan door [naam gemachtigde]. Vanwege de omstandigheden rondom de Coronapandemie hebben de cliënte, [naam] en commissielid dr. Van der Werff de zitting digitaal bijgewoond.

Onderwerp van het geschil
De cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft een door de zorgaanbieder uitgevoerde ooglidcorrectie en de vraag of de klachten die de cliënte als gevolg daarvan heeft ervaren het gevolg zijn van enig handelen of nalaten van de zorgaanbieder.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft een behandelingsovereenkomst gesloten met de zorgaanbieder om op 26 september 2018 een bovenooglidcorrectie te laten uitvoeren voor een bedrag van € 1.250,–.

Na de ingreep door de plastisch chirurg was de cliënte niet tevreden met het resultaat en had zij vraagtekens bij het herstel. De cliënte ervoer een trekkend gevoel van beide oogleden en had traanogen bij fel licht en zonlicht. Het linkeroog sloot niet goed. Ook was een litteken boven en naast het rechteroog zichtbaar. De plastisch chirurg stelde dat hieraan niets meer te doen was. Nadat de cliënte een officiële klacht bij de zorgaanbieder had ingediend, is zij gezien door een directe collega van de plastisch chirurg. Ook zij gaf aan niks te kunnen doen voor de cliënte. Op verzoek van de cliënte is zij doorverwezen naar een huidtherapeut van de zorgaanbieder om het litteken te laten bekijken. De huidtherapeut adviseerde de klachten te behandelen door gebruik van een dermapen. Na vier behandelingen besloot de huidtherapeut dat de behandelingen niet het gewenste resultaat opleverden en werd hiermee gestopt. Op advies van het Landelijk Meldpunt Zorg heeft de cliënte vervolgens contact opgenomen met haar zorgverzekeraar. De verzekeraar adviseerde de cliënte een second opinion te laten uitvoeren. De second opinion is uitgevoerd door plastisch chirurg [naam plastisch chirurg]. Deze chirurg heeft te kennen gegeven dat ‘de cliënt last heeft van droge ogen, trekkend litteken, bdz en asymmetrie van het litteken. Het oog links is niet volledig te sluiten. Er wordt nu geen ingreep aangeraden. Verder goed resultaat. Eventueel rechts lateraal een littekencorrectie als de huidtherapie niet voldoende helpt.’ De cliënte heeft vervolgens nogmaals behandelingen bij een andere huidtherapeut in [naam plaats] ondergaan.

De cliënte is van mening dat de overeenkomst niet naar behoren is uitgevoerd en dat er sprake is van een wanprestatie. Het kan niet zo zijn dat de cliënte na de ingreep haar oog niet goed kan sluiten. Ook verwijt de cliënte de zorgaanbieder dat de nazorg zeer te wensen heeft overgelaten. Indien de plastisch chirurg de klachten van de cliënte serieus had genomen dan zou zij wellicht geen of aanzienlijk minder klachten hebben ervaren.

Daar komt bij dat het medisch dossier van de cliënte niet op orde is en dat hierin zaken worden vermeld die niet juist zijn (zoals het dragen van lenzen en de stelling dat de cliënte zou roken). Ook ontbreken adviezen in het medisch dossier en zijn veel zaken niet aan de cliënte uitgelegd. De cliënte stelt dat sprake is van onzorgvuldige en onjuiste verslaglegging en heeft het idee dat het medisch dossier geen waarheidsgetrouw beeld geeft.

De cliënte zou het niet meer dan redelijk vinden dat de kosten van de behandelingen bij de huidtherapeut van in totaal € 945,– door de zorgaanbieder worden vergoed. Daarnaast verlangt zij een vergoeding van de eigen bijdrage die aan de cliënte in rekening is gebracht van € 120,–.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ingreep van 26 september 2018 is uitgevoerd zonder complicaties. De cliënte is zowel voor als na de behandeling meermaals gewezen op mogelijke risico’s en complicaties van de ingreep (waaronder asymmetrie en trekkende oogleden) en zij is erop gewezen dat het gewenste resultaat niet kon worden gegarandeerd. Tijdens de eindcontrole op 9 januari 2019 was geen sprake van de door de cliënte gestelde klachten. In het medisch dossier zijn daar ook geen aanknopingspunten voor te vinden. De klachten leken eerder van tijdelijke aard en een te verwachten gevolg van deze ingreep. Ook is de cliënte gewezen op het mogelijke risico van zichtbare littekens. Geheel onverplicht heeft de zorgaanbieder kosteloos een second opinion door een andere plastisch chirurg aangeboden en heeft de cliënte ook gratis vier behandelingen door de huidtherapeut met een dermapen mogen laten uitvoeren. Dit laatste leidde ook tot verbeteringen.

De zorgaanbieder betwist dat jegens de cliënte onzorgvuldig is gehandeld. Er is steeds zorgvuldig te werk gegaan en de voortgang is vastgelegd in het dossier. Uit het enkele feit dat de cliënte niet tevreden is met het resultaat volgt niet dat de zorgaanbieder juridisch gezien verplicht is de schade te vergoeden.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De overeenkomst die de cliënte en de zorgaanbieder met elkaar hebben gesloten, kan worden aangemerkt als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval de plastisch chirurg) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De cliënte heeft gesteld dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door de bovenooglidcorrectie op 26 september 2018 niet op een juiste wijze uit te voeren. Hierdoor zijn blijvende klachten bij de cliënte ontstaan die in de kern bestaan uit het niet goed kunnen sluiten van het linkeroog en een zichtbaar litteken aan de zijde van het rechteroog.

De commissie heeft op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht en is getoond vastgesteld dat de cliënte haar linkeroog in ontspannen toestand niet geheel kan sluiten. Dit wordt ook bevestigd door [naam plastisch chirurg] in zijn second opinion. De commissie is van oordeel dat het niet goed kunnen sluiten van het oog geen complicatie is die na een ooglidcorrectie mag worden verwacht. Tijdens de zitting heeft de plastisch chirurg bovendien bevestigd dat er een relatie kan bestaan tussen de wijze waarop de ingreep heeft plaatsgevonden en het niet goed meer kunnen sluiten van het oog. Uit het voorgaande leidt de commissie af dat de ingreep niet lege artis is uitgevoerd en dat de plastisch chirurg niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend beroepsgenoot in dezelfde omstandigheden mag worden verwacht.

Ten aanzien van het litteken overweegt de commissie dat de cliënte foto’s heeft overgelegd die één jaar na de ingreep zijn gemaakt. Hiermee heeft de commissie kunnen vaststellen dat de cliënte aan de zijde van haar rechteroog te maken heeft met een zichtbaar litteken. De plastisch chirurg heeft tijdens de zitting desgevraagd toegelicht dat vooraf niet te voorspellen is of een litteken na de ingreep nog zichtbaar is en dat de cliënte hierop is gewezen. De zorgaanbieder heeft de cliënte, nadat zij hierom zelf had verzocht, doorverwezen naar de huidtherapeut om de zichtbaarheid van het litteken te verminderen, maar dat heeft onvoldoende verbetering gegeven. Op de vraag van de commissie waarom de plastisch chirurg de cliënte niet eerder naar de huidtherapeut heeft verwezen heeft hij te kennen gegeven dat eerst wordt geadviseerd het litteken te masseren met een speciale crème. Volgens de plastisch chirurg is er geen bewijs dat behandelingen met een dermapen, die de huidtherapeut uitvoert, een meerwaarde hebben. Dit staat echter haaks op de second opinion waarin huidtherapie wordt geadviseerd

Uit het dossier maakt de commissie voorts op dat de cliënte gedurende een periode van anderhalf jaar op meerdere momenten haar klachten bij de zorgaanbieder kenbaar heeft gemaakt. De zorgaanbieder heeft in maart 2020 laten weten niets meer voor de cliënte te kunnen doen. In een e-mailbericht van 14 juni 2021 werd dit door de zorgaanbieder herhaald. Tijdens de zitting heeft de plastisch chirurg echter verklaard dat er nog wel opties voor de cliënte waren en nog zijn om het litteken minder zichtbaar te maken maar een eventuele herstelbehandeling pas later kon worden uitgevoerd.

Dit heeft hij echter niet eerder met de cliënte gedeeld, waarmee de commissie ook wat dit betreft van oordeel is dat de plastisch chirurg, althans de zorgaanbieder, niet heeft gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende zorgplicht voor de cliënte.

Ten aanzien van het medisch dossier van de cliënte merkt de commissie nog op dat dit zonder nadere toelichting zoals die is gegeven tijdens de zitting door de behandelend arts niet is te lezen of te beoordelen; zo wordt gewerkt met voor ingevulde velden die ten onrechte de indruk hebben gewekt dat de cliënte onder meer last zou hebben van droge ogen, contactlenzen zou dragen en zou roken. De plastisch chirurg heeft ter zitting toegelicht dat wordt gewerkt met een nieuw systeem dat aanpassing en gewenning behoeft. De commissie en partijen dienen echter af te kunnen gaan op hetgeen in het medisch dossier is opgenomen. Daarnaast mist er informatie over de situatie vóór de ingreep (de pré-operatieve status) inclusief de foto’s. Het is voor de commissie daarom niet te beoordelen hoe de feitelijke situatie voor de ingreep was. Ook wat dit betreft heeft de zorgaanbieder niet zorgvuldig gehandeld.

Resumerend is de commissie van oordeel dat de plastisch chirurg, althans de zorgaanbieder, niet die zorg heeft verleend die een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben verleend en er daarmee sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van zijn uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende (inspannings)verplichting.

De commissie zal de vordering van de cliënte tot betaling van de behandelingen bij de huidtherapeut van € 945,– dan ook toewijzen. Ook zal de commissie het eigen risico van € 120,– als onbetwist toewijzen.

Nu de klacht van de cliënte gegrond wordt verklaard, zal de commissie overeenkomstig haar reglement de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding aan klaagster van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel zal leiden.

Derhalve beslist de commissie als volgt.

Beslissing
De commissie:

verklaart de klacht in al haar onderdelen gegrond;

bepaalt dat de zorgaanbieder binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak aan de cliënte een vergoeding van € 1.065,– dient te betalen;

bepaalt dat de zorgaanbieder binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak een bedrag van € 52,50 aan de cliënte dient te vergoeden ter zake van het door haar betaalde klachtengeld;

wijst het meer of anders verzochte af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. J.F.A. van der Werff en de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 6 april 2022.