Cliënt diende klachten eerder bij ziekenhuis in en was op tijd met klacht op tijd bij De Geschillencommissie

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: ontvankelijkverklaring   Uitkomst: ontvankelijk   Referentiecode: 4677/9713

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Het ziekenhuis vindt dat de cliënt niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Volgens het ziekenhuis heeft de cliënt de klacht niet binnen de gestelde termijn ingediend bij de commissie. Ook zou de  klacht alleen bestaan uit vragen en geen klachten. De commissie vindt dat de klager wel binnen de gestelde termijn de klacht heeft ingediend. Volgens de commissie vraagt de cliënt af of zijn overleden echtgenote echt stervende was toen zij naar huis ging en of het ziekenhuis terecht is gestopt met haar behandeling.

Volledige tekst

In het geschil tussen
[Klager] nabestaande van mevrouw [naam] wonende te [plaats] en Stichting VieCuri Medisch Centrum voor Noord Limburg, gevestigd te Venlo (hierna te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of klager in zijn klacht ontvankelijk is. De Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) heeft kennis genomen van de overgelegde stukken. De behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2020 te Utrecht. Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil
Klager heeft zijn klacht voorgelegd aan het ziekenhuis. Het geschil betreft de behandeling van de op 22 februari 2017 overleden moeder van klager, mevrouw [naam] (hierna: de cliënte).

Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klager heeft na 2,5 jaar nog steeds veel vragen over het overlijden van cliënte. Kern van de vragen zijn:
1. Wie heeft haar medicijnen stopgezet voor de ontsteking in haar been?
2. Mag palliatieve sedatie plaatsvinden indien de patiënt aangeeft zo niet verder te willen?
3. Wie heeft bepaald dat ze terminaal was/zou zijn?
4. Wie heeft op zondag 19 februari 2017 de morfine in de apotheek gehaald?
5. Wie stelt het schema op van de morfine/midazolon?

Klager is in de gelegenheid gesteld om op beroep op niet-ontvankelijkheid, gedaan door het ziekenhuis, te reageren. Klager heeft daarop aangegeven het niet nodig te vinden te reageren.

Standpunt van het ziekenhuis
Voor het standpunt van het ziekenhuis verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer. Primair stelt het ziekenhuis zich op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klacht. Allereerst heeft klager niet binnen 12 maanden na de datum waarop hij zijn klacht bij het ziekenhuis heeft ingediend, zijn klacht bij de commissie aanhangig gemaakt. Conform art. 6 lid 1 sub b van het Reglement Geschillencommissie Zorg Algemeen dient de commissie de cliënt in dat geval niet-ontvankelijk te verklaren. Immers, Klager heeft zijn klachten voor het eerst kenbaar gemaakt bij het ziekenhuis op 3 maart 2017 en heeft op 29 maart 2017 antwoord ontvangen. Op die datum heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de familie van cliënte en de vaatchirurg, waarin vragen van de familie zijn beantwoord. Klager heeft op 18 juli 2019 zijn klacht ingediend bij de commissie waardoor hij zijn geschil niet binnen 12 maanden na de datum waarop hij zijn klacht voor het eerst bij het ziekenhuis indiende, bij de commissie aanhangig gemaakt. Indien wordt uitgegaan van de datum waarop klager zijn klacht bij de klachtenfunctionaris heeft neergelegd, te weten 13 juli 2017, dan wel bij de klachtenonderzoekscommissie, te weten 12 april 2018, dan heeft klager alsnog niet binnen 12 maanden zijn klacht bij de commissie aanhangig gemaakt. Daarnaast is in art. 6 lid 1 sub a van het Reglement Geschillencommissie Zorg Algemeen opgenomen dat de commissie op verzoek van het ziekenhuis – gedaan bij eerste gelegenheid – klager in zijn klacht niet-ontvankelijk verklaart indien hij zijn klacht niet eerst bij het ziekenhuis heeft ingediend, tenzij van klager in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden zijn klacht eerst bij het ziekenhuis indient. Drie van de vijf vragen van klager zijn niet eerder bij het ziekenhuis ingediend. Klager heeft ook niet aangegeven of onderbouwd dat van hem niet kon worden verlangd zijn klacht eerst bij het ziekenhuis in te dienen. Tenslotte is het ziekenhuis van mening dat klager geen klachten heeft ingediend bij de commissie, maar vragen. Als de vragen al als verwijten moeten worden gelezen, dan wordt op geen enkele wijze onderbouwd waarom klager van mening is dat verwijtbaar is gehandeld door het ziekenhuis. Het ziekenhuis is dan ook niet in de gelegenheid om gedegen verweer te voeren.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen. De commissie dient zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van klager in zijn klachten tegen het ziekenhuis. Het ziekenhuis beroept zich op bepalingen in het Reglement Geschillencommissie Zorg Algemeen, terwijl in onderhavige zaak het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen (hierna: het reglement) van toepassing is. Volgens art. 6 lid 1 onder a van het reglement verklaart de commissie op verzoek van het ziekenhuis – gedaan bij eerste gelegenheid – klager in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij zijn klacht niet eerst overeenkomst de Wet of de op de geneeskundige behandelingsovereenkomst van toepassing zijnde voorwaarden bij het ziekenhuis heeft ingediend en klager zijn geschil vervolgens niet binnen 12 maanden na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis bij de commissie aanhangig heeft gemaakt. Klager heeft zijn klachten op 3 maart 2017 aan het ziekenhuis kenbaar gemaakt. Daarop is door het ziekenhuis op 29 maart 2017 gereageerd. Vervolgens heeft klager zijn klacht op 13 juli 2017 neergelegd bij de klachtenfunctionaris en op 12 april 2018 bij de klachtenonderzoekscommissie. De klachtenonderzoekscommissie heeft op 16 juli 2018 aan het ziekenhuis geadviseerd over de klachten van klager. Het ziekenhuis heeft bij brief van 19 juli 2018 aan klager bericht dat het advies van de klachtenonderzoekscommissie wordt overgenomen. Vervolgens heeft klager zijn klachten op 18 juli 2019 aan de commissie voorgelegd. Naar het oordeel van de commissie heeft klager zijn klachten binnen de in art. 6 lid 1 onder a van het reglement genoemde termijn aan de commissie voorgelegd. Weliswaar heeft het ziekenhuis voor het eerst op 29 maart 2017 op de klachten van klager gereageerd, maar nadien is klager nog in de gelegenheid gesteld zijn klachten voor te leggen aan de klachtenfunctionaris en de klachtenonderzoekscommissie zodat de klacht kennelijk nog niet was afgehandeld door het ziekenhuis. Daarnaast heeft het ziekenhuis aangevoerd dat klager geen klachten maar vragen aan de commissie heeft voorgelegd en dat hij die vragen niet eerst aan het ziekenhuis heeft voorgelegd. Naar het oordeel van de commissie komen de vragen van klager er in de kern op neer dat klager zich afvraagt of cliënte werkelijk stervende was toen zij op 20 februari 2017 naar huis ging en of er terecht is gestopt met de behandeling. Die vragen heeft klager – weliswaar in sommige gevallen anders geformuleerd – reeds aan het ziekenhuis voorgelegd en de klachtenonderzoekscommissie heeft daarover geadviseerd, welk advies het ziekenhuis heeft overgenomen.

Op grond van het voorgaande is klager ontvankelijk in de klachten.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Klager wordt in de klacht ontvankelijk verklaard.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. S. Greuters, anesthesioloog, de heer ir. H.J.A.M. Bodelier, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris, op 10 januari 2020.