Cliënt klaagt over behandeling bij groepstherapie in psychiatrische dagkliniek van de zorgaanbieder

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 47344/58345

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt klaagt dat zijn persoonsgegevens niet volgens de voorschriften zijn bewaard, dat er geen notitie is gemaakt in zijn dossier na de gevolgde groepstherapie, dat de voorgeschreven medicatie niet is heroverwogen en dat de psychiater hierover geen verantwoording aflegt, dat de psychiater het beroepsgeheim heeft geschonden en dat hij dit niet in het dossier van de cliënt heeft genoteerd. De commissie oordeelt dat de verslaglegging van de vorderingen van de cliënt in de groepstherapie in het dossier onvoldoende is. Wat er tijdens de collegiale overleggen over de cliënt is besproken is niet terug te vinden in zijn dossier. Er kan uit het dossier niet worden opgemaakt of de cliënt baat heeft gehad bij de groepstherapie. Dit klachtonderdeel is gegrond. Alle overige klachtonderdelen zijn ongegrond. Het is niet voldoende gebleken dat deze juist zijn en de zorgaanbieder heeft de klachtonderdelen gemotiveerd betwist.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Zaans Medisch Centrum, gevestigd te Zaandam
gemachtigde: [naam].

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 26 april 2021 te Utrecht.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De cliënt werd vergezeld door zijn echtgenote. Namens de zorgaanbieder is verschenen [naam] (hierna: de psychiater), bijgestaan door [naam].

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil gaat over de behandeling van de cliënt bij de zorgaanbieder.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De klachtonderdelen betreffen:

1. De klachtencommissie weigert de klachten van de cliënt in behandeling te nemen.
2. De persoonsgegevens van de cliënt zijn niet volgens de voorschriften bewaard.
3. Er is geen enkele notitie gemaakt in het dossier van de cliënt van teambesprekingen tijdens en na de door de cliënt gevolgede therapie.
4. De psychiater heeft de aan de cliënt voorgeschreven medicatie niet heroverwogen en te lang voorgeschreven.
5. De psychiater weigert hierover verantwoording af te leggen.
6. De psychiater heeft zijn beroepsgeheim geschonden door het gesprek tussen cliënt en hem in een gesprek met een ander te delen.
7. De psychiater heeft niet in het dossier van de cliënt genoteerd dat hij ons gesprek met een ander heeft gedeeld.

In februari 2018 is de cliënt begonnen met een groepstherapie in de psychiatrische dagkliniek van de zorgaanbieder. In oktober ging het slecht met de cliënt en heeft hij tijdens gesprekstherapie verteld dat hij een serieus plan had om suïcide te plegen. Na een kwartier is de cliënt op slinkse wijze opgesloten op de gesloten afdeling van de Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis (PAAZ). Dit is voor de cliënt een zeer traumatische ervaring geweest. Het team heeft alle bestaande regels overtreden. De cliënt is dan ook een tuchtprocedure gestart tegen de vier betrokken zorgverleners.

Op 18 juni 2019 is een bestand gemaakt dat buiten de vertrouwde en beveiligde omgeving is opgeslagen zonder zicht te hebben op de verwerking ervan. Het bevat informatie die de cliënt in vertrouwen heeft gedeeld. Het is de cliënt niet duidelijk bij welke personen het bestand is opgeslagen en voor welke doeleinden het is gebruikt. De privacy van de cliënt kan daardoor niet worden gegarandeerd. Dit is een schending van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Aan het begin van de therapie is niet besproken wat het plan van aanpak was en waar de therapie zich op zou richten. Ondanks de suïcidaliteit is niets gezegd over hoe men zou handelen als de cliënt terug zou vallen. Op 11 oktober 2018 is de cliënt zonder overleg op brute wijze opgesloten. Van crisisplanning of een terugvalpreventieplan was geen sprake. Dit is naderhand ook niet als verbetermaatregel ingebracht. Tijdens de therapie is er wekelijks een vergadering-teamoverleg geweest. In het dossier is hier nooit verslag van gedaan. Of er ooit aandacht aan de cliënt is besteed en of zijn voortgang is geëvalueerd, is niet duidelijk. De cliënt vermoedt dat er weinig is besproken gezien het summiere behandelplan en het ontbreken van een einddoel. De therapeuten konden ook niet terugvallen op een evaluatie van het behandelteam.

Voordat de cliënt aan de groepstherapie begon, slikte hij al een aantal jaren Lithium en Clomipramine. De cliënt had veel last van bijwerkingen. Tijdens de therapie heeft de cliënt dit aangegeven bij de aios. De cliënt wilde andere medicatie. De aios heeft dit in het team besproken en uiteindelijk is de medicatie niet gewijzigd. Nadat de cliënt was opgesloten heeft hij meteen aangegeven ontevreden te zijn over de medicatiebegeleiding. De cliënt kreeg hierover een gesprek met de psychiater. Deze was tijdens het gesprek echter alleen geïnteresseerd in hoe de opsluiting was verlopen. De cliënt heeft alleen een herhaalrecept gehad. Nadat de cliënt op 9 januari 2019 alle contact met de zorgaanbieder had verbroken ging het steeds slechter met de cliënt. De cliënt heeft daarom een afspraak met de huisarts gemaakt om euthanasie te bespreken. Omdat de cliënt dacht dat het weinig zin had om de medicatie te blijven slikken, is hij begonnen met het afbouwen van de Lithium. De cliënt begon zich direct beter te voelen. Later is de cliënt ook gestopt met de Clomipramine en is hij overgestapt op Paroxetine. De suïcidaliteit en de andere bijwerkingen waren verdwenen. De psychiater heeft geen aandacht besteed aan de bijwerkingen. Het had slecht met de cliënt kunnen aflopen.
De psychiater weigert hierover verantwoording af te leggen.

De psychiater heeft de inhoud van een gesprek met de cliënt later ongevraagd met psychiater B besproken. De informatie had geen gezondheidskundig belang meer en met psychiater B had de cliënt geen behandelrelatie meer. De cliënt vindt het kwalijk dat zo wordt omgegaan met vertrouwelijke gesprekken. De psychiater kon en had toestemming moeten vragen aan de cliënt. Hij heeft niet aangegeven waarom het gesprek in het belang van de cliënt was.
De psychiater heeft het gesprek met psychiater B niet in het dossier genoteerd.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

1. De zorgaanbieder is het met de cliënt eens dat de klachtencommissie niet tot nader order had mogen opschorten. De Wkkgz en het reglement van de klachtencommissie voorzien hier niet in. Omdat de cliënt zijn klachten aan de commissie heeft voorgelegd, lijkt het de zorgaanbieder het meest praktisch als de cliënt wordt ontvangen in zijn klachten. Het is niet juist dat de klachtencommissie zonder toestemming van de cliënt navraag heeft gedaan bij de jurist van de betrokken zorgverleners over de lopende tuchtprocedures. De cliënt heeft hier melding van gemaakt in zijn brief van 9 juni 2020.

2. De zorgaanbieder betwist dat de gegevens van de cliënt niet correct zouden zijn bewaard c.q. dat sprake is van een schending van de AVG. De cliënt heeft bij brief van 23 mei 2019 zijn eerste klacht bij het Tuchtcollege ingediend tegen psychiater B. Deze heeft rechtsbijstand ingeschakeld. Ten behoeve van het te voeren verweer in de tuchtzaak en van het verlenen van deze rechtsbijstand door haar advocaat is op haar verzoek op 18 juni 2019 een kopie van het dossier uitgedraaid. Het is vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie dat dit is toegestaan. De cliënt heeft hiertegen geen bezwaar aangetekend.

3. Er vindt iedere week teamoverleg plaats waarin de voortgang van de groepstherapie wordt besproken. Individuele patiënten worden daarin zo nodig besproken, maar komen daar niet allemaal wekelijks aan bod. Het verslag van die besprekingen wordt niet standaard opgeslagen in de individuele patiëntendossiers. De aantekeningen over de individuele patiënt worden als individuele verslagen in het dossier van de desbetreffende cliënt opgenomen als dat relevant is voor de behandeling. Dat is ook bij de cliënt gebeurd. In het dossier is terug te lezen dat zijn behandelplan op 5 december 2017 met de cliënt is besproken en in het dossier is vastgelegd. De cliënt is akkoord gegaan met het behandelplan en de prognose. Het onderzoek en de behandeling zijn met hem besproken.
Het is onjuist dat de cliënt op 11 oktober 2018 zonder overleg op brute wijze is opgesloten. De zorgaanbieder verwijst naar het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te Amsterdam.
Ten onrechte veronderstelt de cliënt dat de vijf besprekingen na 11 oktober 2018 rechtstreeks met zijn behandeling te maken hadden. De medisch manager van de PAAZ heeft, naar aanleiding van de klacht bij de klachtencommissie, een aantal overleggen met het team gehad om te reconstrueren wat er precies gebeurd was en hoe gezamenlijk op de klacht te reageren. Van deze besprekingen is geen verslag gemaakt, daar was ook geen aanleiding toe.

4. Voorafgaand aan en na 11 oktober 2018 is de medicatie tijdens de behandeling steeds een punt van overleg met de cliënt geweest. Daarbij is naast de arts-assistent psychiatrie steeds een psychiater betrokken geweest. Dat was soms de psychiater die in dit geschil betrokken is, maar daarbij waren ook andere psychiaters betrokken. Tijdens het gesprek op 30 oktober 2018 heeft de psychiater de cliënt uitgelegd dat de psychiaters, gezien het ziektebeeld, er op dat moment niet van uit waren gegaan dat stoppen met Lithium en het starten van paroxetine een positief resultaat zou kunnen opleveren. Hieraan hebben zorgvuldige overwegingen ten grondslag gelegen. De cliënt heeft de medicatie overigens vrijwillig genomen en van dwang of drang was geen sprake. Op 21 november en 11 december 2018 heeft de psychiater wederom contact gehad met de cliënt over zijn medicatie. Er was geen wens tot verandering/verlaging van de medicatie. Hiervan is ook aantekening gemaakt. Op 22 november 2018 liet de cliënt weten zijn medicatie verder via zijn huisarts te gaan regelen.

5. Het is onjuist dat de psychiater geen verantwoording zou willen afleggen. De zorgaanbieder verwijst naar de brieven van de psychiater aan de cliënt die zich in het dossier bevinden.

6. Het gesprek met psychiater B was niet inhoudelijk van aard en heeft inmiddels twee jaar geleden plaatsgevonden. De psychiater kan zich de letterlijke gang van zaken niet meer precies herinneren. Psychiater B wilde contact met de cliënt opnemen om zijn bezwaren tegen de gang van zaken op 11 oktober 2018 met hem te bespreken. Zij heeft de psychiater gevraagd of de cliënt daarvoor open zou staan. Hij heeft dat afgeraden, gezien de boosheid van de cliënt en omdat de cliënt te kennen had gegeven dat de argumenten van de betrokken hulpverleners hem niet interesseerden. Van het formeel beëindigen van de behandelrelatie was nog geen sprake en dus ook niet van schending van het beroepsgeheim. De cliënt heeft niet om geheimhouding van dit gesprek en/of dit gespreksonderdeel verzocht.

7. Aangezien de psychiater zijn beroepsgeheim niet heeft geschonden of doorbroken, was er geen reden om dit in het dossier te noteren. Er was geen sprake van een second of third opinion. Het is ook niet gebruikelijk om ieder overleg tussen behandelaren in het dossier te noteren.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder vereist is dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de uitvoering van de zorgovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en cliënte dient daarvan nadeel te hebben ondervonden.

De commissie zal de klachtonderdelen achtereenvolgens behandelen.

Klachtonderdeel 1.
De commissie is niet bevoegd om een oordeel te geven over de weigering van de klachtencommissie van de zorgaanbieder om de klachten van de cliënt in behandeling te nemen. De zorgaanbieder is op grond van de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen in de Gezondheidszorg (WKKGZ) wettelijk verplicht om een klachtencommissie in het leven te roepen en heeft dat ook gedaan. Vervolgens kan de zorgaanbieder deze klachtencommissie niet meer aansturen. De klachtencommissie opereert zelfstandig. Als de klachtencommissie beslist dat een klacht niet in behandeling wordt genomen kan de zorgaanbieder daar niets aan veranderen. De cliënt kan in een dergelijk geval zijn klachten voorleggen aan de Geschillencommissie en heeft dat ook gedaan. De cliënt wordt niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 1.

Klachtonderdeel 2.
Dat de gegevens van de cliënt onjuist zouden zijn bewaard of dat sprake is van schending van de AVG is niet gebleken. Op 18 juni 2019 is een kopie van het dossier van de cliënt gemaakt in het kader van het verweer in de tuchtrechtprocedure die cliënt tegen psychiater B heeft aangespannen. Uit vaste jurisprudentie in het tuchtrecht volgt dat dit is toegestaan. Client heeft ook niet een schriftuur overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat het RTG het medisch dossier betreffende cliënt niet heeft geaccepteerd vanwege het ontbreken van enige toestemming of wettelijke grondslag. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3.
Naar het oordeel van de commissie is de verslaglegging van de vorderingen van de cliënt in de groepstherapie in het dossier onvoldoende. Wat tijdens de collegiale overleggen ten aanzien van de cliënt is besproken is niet terug te vinden in zijn dossier. De verslaglegging in het dossier had kunnen worden gebruikt om het behandelplan te evalueren. Nu kan uit het dossier niet worden opgemaakt of de cliënt (beschouwd over langere tijd) baat heeft gehad bij de groepstherapie. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel 4.
De consulten over de medicatie van de cliënt staan in het dossier voldoende uitvoerig omschreven. Dat de psychiater de voorgeschreven medicatie niet heeft overwogen en te lang heeft voorgeschreven is dan ook niet gebleken. Na de opname heeft de cliënt een gesprek met de psychiater gehad. Daarbij heeft de cliënt andere verwachtingen van het gesprek gehad dan waar het gesprek uiteindelijk over is gegaan, te weten de ervaringen van de cliënt over de gebeurtenissen op 11 oktober 2018. Dat daarbij de psychiater een verwijt kan worden gemaakt is niet gebleken. Klachtonderdeel 4 is ongegrond.

Klachtonderdeel 5.
In dit klachtonderdeel richt cliënt zijn pijlen op de psychiater die niet zou willen reageren en derhalve geen verantwoordelijkheid zou willen nemen voor zijn beroeps handelen. Dat de psychiater geen verantwoording zou willen afleggen is niet gebleken wat blijkt uit de door verweerder overgelegde correspondentie van de hand van de psychiater waarin hij ingaat op de verwijten van client. Klachtonderdeel 5 is ongegrond.

Klachtonderdeel 6.
Naar het oordeel van de commissie heeft de psychiater zijn beroepsgeheim niet geschonden door in het gesprek met psychiater B deze af te raden contact met de cliënt op te nemen over de gang van zaken op 11 oktober 2018. Op het moment dat het gesprek plaatsvond was de groepstherapie weliswaar beëindigd maar was de formele behandelrelatie nog niet beëindigd, nog daargelaten het antwoord op de vraag of de inhoud van dat gesprek het beroepsgeheim raakt. Toestemming van de cliënt voor dit gesprek was dan ook niet vooraf vereist. Klachtonderdeel 6 is ongegrond.

Klachtonderdeel 7.
Niet gebruikelijk of vereist is dat een overleg tussen behandelaars, zoals in dit geschil bedoeld is, wordt vastgelegd in het dossier. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat het klachtonderdeel 3 gegrond is terwijl alle overige klachtonderdelen niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard zullen worden. De zorgaanbieder dient het klachtengeld aan de cliënt te vergoeden om reden dat het derde klachtonderdeel gegrond zal worden verklaard.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

Verklaart de cliënt niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 1.

Verklaart klachtonderdeel 3 gegrond.

Verklaart klachtonderdelen 2 en 4 tot en met 7 ongegrond.

Bovendien dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. A.H. Hardy – den Besten, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris, op 26 april 2021.