Cliënt mag niet testen of SEH-arts het EPD goed leest vanwege de informatieplicht

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 42552/51759

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt stelt dat het ziekenhuis niet goed heeft gehandeld door een nieuw protocol, over het afsluiten van de PaC, in te stellen, maar dit niet ziekenhuis-breed goed te laten keuren. Daarnaast heeft een SEH-arts het EPD niet volledig gelezen waardoor de PaC bijna niet was afgesloten met heparine. Volgens de zorgaanbieder is de klacht niet-ontvankelijk, omdat er al een oplossing is gevonden met de cliënt en is de klacht ongegrond omdat de situatie van de cliënt heel specifiek en er eenmalig een fout is gemaakt door de dienstdoende SEH-arts, maar hierbij de cliënt ook bewust de arts niet goed heeft geïnformeerd. De commissie oordeelt dat ze bevoegd is om te oordelen over de overeenkomst die de cliënt met het ziekenhuis heeft (op basis van de Wkkgz), maar niet over de beleidsmaatregelen van het ziekenhuis over de PaC. Het ziekenhuis heeft speciaal voor de cliënt protocol afwijkende afspraak gemaakt en daarom heeft de cliënt geen voordeel meer bij een uitspraak. Dit klachtonderdeel wordt niet-ontvankelijk verklaard. Omdat de cliënt niet voldaan heeft aan zijn informatieplicht naar de SEH-arts is de klacht over het SEH-incident ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Stichting VieCuri Medisch Centrum voor Noord Limburg, gevestigd te Venlo
(hierna te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2021 te Eindhoven.

Beide partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht.

Cliënt werd ter zitting vergezeld door zijn echtgenote. Namens het ziekenhuis waren aanwezig [naam], manager afdeling cardiologie en [naam], bedrijfsjuriste.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft het afsluiten van een PaC met een heparineslot.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Het ziekenhuis is tekortgeschoten door een nieuw protocol voor het afsluiten van de port-a-cath (verder: PaC) niet ziekenhuis-breed te laten goedkeuren. Hierdoor heeft het ziekenhuis onzorgvuldig gehandeld. De klacht hierover bij het ziekenhuis is door de Klachtenonderzoekscommissie (verder: KOC) en de Raad van Bestuur (verder: RvB) van het ziekenhuis gegrond verklaard. Het ziekenhuis heeft tot op heden niets ondernomen om het betreffende protocol te vernietigen.

Zijn voorstel om tot een oplossing te komen:
1. De commissie besluit dat het ziekenhuis toerekenbaar tekort is geschoten door wijziging van het protocol voor het afsluiten van de PaC niet volgens hun eigen regels te autoriseren. Hierdoor is het ziekenhuis ook de behandelingsovereenkomst met cliënt niet nagekomen;
2 Nadat zowel de KOC als de RvB van het ziekenhuis zijn klacht gegrond hebben verklaard, heeft het ziekenhuis nog steeds verzuimd het protocol afsluiten PaC aan te passen en opnieuw ziekenhuis-breed vast te stellen. Ook hier is het ziekenhuis toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst;
3. Door toedoen van zijn hematoloog in [naam ander ziekenhuis], en met medewerking van de longarts in het ziekenhuis te Venlo is er nu een aantekening gemaakt onder de tab “Aandachtspunten” in cliënt’s Elektronisch Patiënten Dossier (verder: EPD) dat de PaC altijd afgesloten dient te worden met een heparineslot. Helaas heeft cliënt geconstateerd dat dit niet gelezen wordt door de artsen. Dus ondanks alle inspanningen van zijn artsen schiet het ziekenhuis nog steeds toerekenbaar te kort in nakoming van zijn behandelingsovereenkomst.

Cliënt verzoekt de commissie zijn klacht gegrond te verklaren.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Primair niet-ontvankelijk
Het ziekenhuis heeft primair de commissie verzocht de klacht van cliënt niet-ontvankelijk te verklaren.
Het ziekenhuis verwijst hiervoor naar artikel 5, lid 1 in samenhang met artikel 3, lid 2, van het reglement van de commissie. Nadat de klacht van cliënt door de KOC gegrond was verklaard, zijn er verschillende verbetermaatregelen ingezet. Ook is er gekeken of het protocol alsnog moest worden gewijzigd. Dit is niet het geval geweest. In die zin is de klacht van cliënt daarmee opgelost.

Daarnaast is het ziekenhuis van mening dat cliënt geen redelijk belang heeft bij een uitspraak van de commissie vanwege het feit dat zijn klacht door de RvB gegrond is verklaard, aan hem excuses zijn aangeboden en er verbetermaatregelen zijn getroffen. Op 11 maart 2020 heeft cliënt aangegeven dat zijn klacht naar tevredenheid is opgelost.

De eis van cliënt, vernietiging van een ziekenhuis-breed protocol, is iets wat een patiënt op basis van zijn behandelingsovereenkomst met het ziekenhuis niet kan eisen. Het behoort ook niet tot de taak van de commissie om hier een oordeel over te geven.

Subsidiair ongegrond
Het feit dat de klacht gegrond is verklaard, betekent niet dat het ziekenhuis daarmee tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de behandelingsovereenkomst met cliënt.
Aan de wijziging van het protocol lagen medisch inhoudelijke uitgangspunten ten grondslag en hiervoor heeft afstemming met de betrokken afdelingen en met de leverancier plaatsgevonden.
Dat de wijziging in het protocol onrechtmatig tot stand is gekomen en daardoor ook de behandelingsovereenkomst richting cliënt niet is nagekomen, is niet onderbouwd en niet bewezen.

Gezien de specifieke voorgeschiedenis bij cliënt is de kans op een verstopping van de PaC wat verhoogd als er na het infuus wordt gespoeld met NaCl in plaats van heparine. Dit risico is minimaal. Om die reden is met een cliënt een van het protocol afwijkende afspraak gemaakt en is in het EPD vastgelegd dat de PaC telkens met een heparineslot wordt afgesloten.

Inderdaad heeft op 11 maart 2020 de dienstdoende arts op de spoedeisende hulp niet goed in het dossier van cliënt gekeken en heeft de arts conform het protocol willen handelen. Omdat hij geen langdurige behandelrelatie met cliënt had en gewend was om op de spoedeisende hulp snel te handelen, heeft de arts zich niet gerealiseerd dat er aparte afspraken rondom het afsluiten van de PaC waren gemaakt. Gezien de uitgebreide voorgeschiedenis van cliënt en de meerdere afwijkende afspraken die met cliënt zijn gemaakt, zou het prettig zijn geweest als cliënt de arts op de afspraken had gewezen. Cliënt heeft ingevolge artikel 7:452 van het Burgerlijk Wetboek immers een informatieplicht jegens de hulpverlener. Cliënt heeft aangegeven op 11 maart 2020 bewust niet te hebben gemeld dat de PaC met een heparineslot diende te worden afgesloten. Dit laat wel onverlet dat de artsen in alle gevallen het EPD dienen te raadplegen. Uiteindelijk is de PaC wel met een heparineslot afgesloten. Niet gebleken is dat de cliënt schade heeft ondervonden.

Het ziekenhuis verzoekt subsidiair de klacht ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Bevoegdheid

De commissie is bevoegd om te oordelen over geschillen die een cliënt heeft met ziekenhuis voor zover deze voortvloeien uit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (verder: Wkkgz). Het geschil moet betrekking hebben op de uitvoering van de behandelingsovereenkomst die een cliënt met een ziekenhuis heeft gesloten.

Dit betekent dat de commissie niet bevoegd is om uitspraak te doen over de klacht van cliënt dat het ziekenhuis is tekort geschoten door een nieuw protocol voor het afsluiten van de PaC niet ziekenhuis-breed te laten goedkeuren. Het gaat hier om klacht gericht tegen een beleidsmaatregel van het ziekenhuis. Deze klacht valt buiten de kaders van de Wkkgz.

Ontvankelijkheid

De commissie dient vervolgens te beoordelen of de cliënt in zijn klacht kan worden ontvangen, nu het ziekenhuis in haar verweer uitdrukkelijk een beroep op niet-ontvankelijkheid heeft gedaan.

De commissie heeft tot taak geschillen tussen cliënt en ziekenhuis te beslechten voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van een gesloten behandelings¬overeen¬komst tussen cliënt en het ziekenhuis.
Ingevolge artikel 3, lid twee, sub b, van het reglement van de commissie (hierna: het reglement) kan een geschil door een cliënt aan de commissie worden voorgelegd indien naar het oordeel van de cliënt de klacht door het ziekenhuis in onvoldoende mate is opgelost. Ingevolge artikel 5, lid 1, sub e, van het reglement verklaart de commissie de cliënt in zijn klacht ambtshalve niet-ontvankelijk indien hij geen redelijk belang heeft bij een uitspraak van de commissie.

Het geschil dat de cliënt aan de commissie heeft voorgelegd, betreft de klacht die cliënt op 15 maart 2019 bij het ziekenhuis heeft ingediend, inhoudende dat het ziekenhuis toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst door voortaan de PaC af te sluiten met NaCl in plaats van heparine.

De commissie is van oordeel dat de cliënt in deze geen redelijk belang meer heeft bij een uitspraak, nu het ziekenhuis naar aanleiding van deze klacht voor cliënt maatregelen heeft genomen ter oplossing van deze klacht. Er is speciaal voor cliënt een van het protocol afwijkende afspraak gemaakt, die is vastgelegd in het EPD over het afsluiten van de PaC met een heparineslot. Daarnaast heeft het ziekenhuis nogmaals het verpleegkundig protocol voorgelegd aan de afdelingen die veelvuldig met een PaC werken. Nadere evaluatie heeft niet geleid tot aanpassing van het protocol.

De commissie verklaart cliënt op grond van artikel 5, lid 1, sub e, van het reglement ambtshalve niet ontvankelijk in deze klacht. Dit betekent dat de commissie niet meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van deze klacht.

Inhoudelijk
Met betrekking tot de klacht dat de PaC op 11 maart 2020 niet volgens de afspraak met een heparineslot is afgesloten, overweegt de commissie het volgende.

De cliënt en de zorgaanbieder hebben met elkaar een behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gesloten. Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het B W). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Artikel 7:452 van het BW bepaalt dat de patiënt de hulpverlener naar beste weten inlichtingen en medewerking moet geven die deze hulpverlener redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft.

De commissie overweegt dat er in het belang van goede zorgverlening sprake moet zijn van een interactie tussen de hulpverlener en een patiënt. Dit betekent enerzijds dat de hulpverlener dient te handelen volgens de professionele standaard en anderzijds dat van de patiënt wordt verwacht dat bij zich proactief opstelt met betrekking tot het geven van alle informatie die van belang is voor de zorg die aan hem wordt verleend.

De commissie heeft ter zitting vastgesteld dat het incident waar cliënt op doelt, heeft plaatsgevonden op de Spoedeisende Hulp (verder: SEH). De dienstdoende SEH-arts heeft conform het protocol de PaC afgesloten met NaCl. Hoewel cliënt volledig in staat was om de arts erop te wijzen dat op grond van de afwijkende afspraak de PaC met heparine moest worden afgesloten, heeft hij dit bewust niet aan de arts meegedeeld omdat hij wilde testen of de arts het EPD had gelezen.
Het ziekenhuis heeft meegedeeld dat in het EPD van cliënt een waslijst van afspraken is opgenomen, waarvan het heparineslot er één is. Waarschijnlijk heeft de arts vanwege de drukte op de SEH deze afspraak over het hoofd gezien. Uiteindelijk is de PaC wel met heparine afgesloten.

In dit specifieke geval is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. Daartoe overweegt zij het volgende.

De commissie is van oordeel dat een arts in beginsel altijd het EPD moet raadplegen. In deze situatie heeft de arts echter gehandeld volgens het geldende protocol en heeft de cliënt bij volle bewustzijn, willens en wetens, essentiële informatie achtergehouden met als doel om de hulpverlener te testen of hij het EPD wel goed had bestudeerd. De commissie acht dit laakbaar.
Nu de cliënt niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichting jegens de SEH-arts, verklaart de commissie de klacht van cliënt ongegrond.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie

– verklaart zich niet bevoegd terzake van de klacht met betrekking tot de totstandkoming van het verpleegkundig protocol inzake het afsluiten van een PaC;
– verklaart cliënt ambtshalve niet-ontvankelijk in zijn klacht die ziet op het geschil dat hij op 15 maart 2019 aan het ziekenhuis heeft voorgelegd;
– verklaart de klacht met betrekking tot het incident op 11 maart 2020 op de SEH ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw mr. dr. M.J. van Dam, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 27 augustus 2021.