Cliënt voldeed niet aan de eis om minimaal 4 weken niet te blowen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 117327

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Cliënt heeft in zijn klacht aangegeven dat de zorgaanbieder hem heeft laten vallen door hem niet die psychiatrische hulp te bieden die was afgesproken bij de intake. De zorgaanbieder geeft aan dat de behandeling werd beëindigd omdat het stoppen met het gebruik van cannabis niet lukte. Naar aanleiding van de klacht daarover van de cliënt is overeengekomen nader psychologisch onderzoek te doen, maar daarvoor moest de cliënt minimaal 4 weken niet blowen zijn, maar dat is niet gelukt. De commissie acht de klacht ongegrond. Voor het psychologisch onderzoek en de door de cliënt gewenste therapie is het nodig dat hij langdurig stopt met blowen. Een paar dagen stoppen met blowen is daarvoor niet voldoende.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [plaats], en Stichting Arkin, gevestigd te Amsterdam (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overlegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 4 april 2019 te Amsterdam. Beide partijen zijn ter zitting verschenen. De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam psychiater], [naam klinisch psycholoog], [naam AIOS], [naam psychotherapeut], [naam stafjuriste en [naam toehoorder].

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft het uitblijven van hulpverlening.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie naar het vragenformulier met bijlagen, dat zij op 19 mei 2018 heeft ontvangen. Het standpunt van de cliënt komt in het kort op het volgende neer.

Nadat cliënt een aantal jaren vruchteloos via diverse hulpinstellingen zijn leven heeft getracht weer op orde te krijgen, heeft hij zich na een doorverwijzing gemeld bij het NPI. Cliënt wilde graag psychische hulp en daarnaast de mogelijkheid krijgen om via de sportschool, gezond eten en niet meer blowen zijn lichamelijke conditie weer op orde krijgen. Tijdens de intake is cliënt gerustgesteld dat in samenspraak in de groep zijn problemen zouden worden aangepakt. Cliënt heeft geprobeerd om naast de werkzaamheden in de groep, via sport van zijn blow-verslaving af te komen. Maar dit is niet gelukt. De zorgaanbieder blijft maar hameren dat cliënt zich daartoe onder behandeling moet stellen van de Jellinekkliniek maar dat wil hij niet. Cliënt wil juist hulp om eerst de andere problemen aan te pakken in plaats van eerst therapie in de Jellinekkliniek.

Cliënt heeft zich op enig moment – binnen de door het NPI daartoe gestelde termijn – gemeld bij het NPI nadat hij vier dagen clean was, maar dat was volgens deze zorgaanbieder niet voldoende. De zorgaanbieder heeft zich niet aan haar afspraken gehouden. Op elke afspraak werd cliënt weer geconfronteerd met de eis dat hij eerst moeten stoppen met blowen. Cliënt is inmiddels uitgeschreven en zijn geestelijke toestand is heel erg slecht. De zorgaanbieder weigert cliënt te helpen. Ook nadat zij een schikking hadden getroffen en er bij cliënt een persoonlijkheidsonderzoek zou worden ingesteld, hield de zorgaanbieder zich niet aan de afspraak en bleef vasthouden aan de eis dat hij zou stoppen met blowen. Méér of langer dan drie dagen stoppen vóór aanvang van het persoonlijkheidsonderzoek kan van hem echter niet worden gevergd.

Cliënt vordert van de zorgaanbieder dat zij erkent dat zij fouten heeft gemaakt en een schadevergoeding van € 385,– zijnde het eigen risico dat hij heeft moeten betalen aan de zorgverzekeraar voor alle gesprekken die hij heeft gevoerd.

Standpunt van de zorgaanbieder
Het standpunt van de zorgaanbieder zoals ter zitting nader is toegelicht luidt kortheidshalve als volgt.

Cliënt heeft op 17 november 2016 een intakegesprek gehad bij het NPI. Het NPI is gespecialiseerd in de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Tijdens dit gesprek is cliënt geïnformeerd over de voorwaarden voor deelname aan de behandeling. In februari 2017 is cliënt gestart met de startgroep Ervaringsgerichte Dynamische Therapie (EDT), als  voorbereiding gericht op een intensieve deeltijdbehandeling. Eén van de voorwaarden voor deelname aan deze intensieve deeltijdbehandeling is dat cliënt zou zijn gestopt met het gebruik van cannabis. Helaas is het cliënt niet gelukt van deze verslaving af te komen. De zorgaanbieder heeft hem ondersteuning via de Jellinekkliniek aangeboden maar hiervoor stond hij niet open.

Naar aanleiding van de klachten van cliënt is in het kader van de klachtenprocedure een schikking getroffen. Cliënt is daarbij akkoord gegaan met een behandelaanbod van het NPI en het NPI heeft de door cliënt gemaakte proceskosten vergoed. Het behandelaanbod houdt in dat een nader psychologisch onderzoek zal worden verricht op basis waarvan een behandelbeleid kan worden vastgesteld. Om dit onderzoek te kunnen uitvoeren dient de cliënt minimaal 4 weken clean te zijn. In verband met twijfel of cliënt dit op eigen houtje zou kunnen bereiken is hem ondersteuning via de Jellinekkliniek aangeboden. Tijdens de overbruggingsperiode van 4 weken zijn met cliënt regelmatig overbruggingsgesprekken gevoerd. Cliënt heeft zich een aantal keren niet aan zijn afspraken kunnen houden. Gelet op het probleem waar cliënt mee te kampen heeft en de onmogelijkheid om zelf met blowen te stoppen, heeft de zorgaanbieder na intern overleg cliënt behandeling door het FACT voorgesteld, nu de huidige behandeling geen resultaat heeft. Cliënt wil echter niet naar het FACT worden verwezen.

De zorgaanbieder betreurt dat het niet is gelukt cliënt de behandeling te bieden die hij wenst.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst met cliënt.

Op grond van de zorgovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Cliënt heeft in zijn klacht aangegeven dat de zorgaanbieder hem min of meer heeft laten vallen door hem niet die psychiatrische hulp te bieden die was afgesproken bij de intake voor de startgroep EDT en dat dit uiteindelijk heeft geleid tot beëindiging van de behandeling.
De commissie kan dit niet onderschrijven. De zorgaanbieder heeft de behandeling beëindigd omdat er geen voortgang meer kon worden bereikt en voor cliënt een ander soortige behandeling meer geëigend is.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat tussen de zorgaanbieder en cliënt een schikking is getroffen. De zorgaanbieder is met cliënt overeengekomen dat er een nader psychologisch onderzoek zou worden uitgevoerd aan de hand waarvan zou worden gekeken welke behandeling het beste bij cliënt zou passen. Voorwaarde voor het zorgvuldig uitvoeren van dit onderzoek was echter wel – wederom – dat cliënt vier weken niet zou blowen. Cliënt heeft hiermee ingestemd. Cliënt heeft dit echter maar vier dagen volgehouden en is niet ingegaan op het aanbod van de zorgaanbieder om met hulp van de Jellinekkliniek zijn verslaving te beëindigen. Ook de diverse overbruggingsgesprekken hebben niet kunnen leiden tot een oplossing. Uit het dossier valt geenszins op te maken dat de zorgaanbieder de schikking niet is nagekomen. In feite is de klacht dan ook reeds daarom ongegrond. De commissie hecht er echter aan ook de periode vóór totstandkoming van de schikking in de beoordeling te betrekken.

Ter zitting is het ook voor de commissie duidelijk geworden dat cliënt heel graag door wil gaan met de startgroep EDT. Hij heeft veel gehad aan de schrijfopdrachten. De zorgaanbieder heeft echter aangegeven dat de startgroep een voorbereiding is voor een intensieve behandeling. Om deze intensieve behandeling, die in zijn algemeenheid voor cliënten zeer ingrijpend is, met een kans van slagen te kunnen ondergaan is een absolute voorwaarde dat cliënt is gestopt met blowen. Zolang hij blowt loopt hij bij deze behandeling bovendien een risico  op psychische schade. Zolang cliënt niet kan stoppen met blowen, heeft het om die reden geen zin om door te gaan met deze startgroep. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder dan ook op goede gronden gestopt is met het aanbieden van deze vorm van therapie aan cliënt. Daar komt bij dat uit het dossier kan worden afgeleid dat het NPI zich in dit traject zeer veel moeite heeft getroost om cliënt alsnog te motiveren om aan deze voor hem zeer zware eis – het stoppen met blowen – te voldoen. Een periode van enkele dagen stoppen met blowen, kan – hoe moeilijk dat ook voor cliënt was – niet als een voldoende basis voor behandeling in het EDT traject worden aangemerkt. Van een tekortschieten in de zorgverplichting van de zorgaanbieder is naar het oordeel van de commissie dan ook geen sprake.

De klacht is ongegrond.

Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Van een toerekenbare tekortkoming is hier echter geen sprake, zodat de commissie de vordering van cliënt afwijst.

Het is de commissie gebleken dat de zorgaanbieder, bij het beëindigen van de overeenkomst, heeft getracht zorg te dragen voor een continuatie van de behandeling vanuit het FACT-team, dat beter is toegerust voor de behandeling van cliënt. Ter zitting is gebleken dat cliënt hier niet voor voelt zodat de zorgaanbieder hem niet kan doorverwijzen.

Hoewel de commissie begrijpt dat alle wisselingen van hulpverleningsinstanties cliënt moedeloos hebben gemaakt en cliënt zich zichtbaar heeft ingespannen wel te voldoen aan toelating voor het EDT programma, zal ook cliënt zich erbij neer moeten leggen dat dit voor hem in dit stadium (nog) niet haalbaar is. De commissie spreekt uiteraard de hoop uit dat  cliënt zich alsnog wil openstellen voor ambulante en veel meer praktische hulpverlening door het FACT-team, waarbij de nadruk kan worden gelegd op het stoppen met blowen maar ook meer praktische hulp aan cliënt kan worden geboden ook om hem uit zijn isolement te halen. De commissie geeft cliënt in overweging toch nog eens met de zorgaanbieder te praten over dit FACT-team nu dit kennelijk voor hem het meest aangewezen kunnen zijn.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft naar het oordeel van de commissie geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van de cliënt niet gegrond en wijst zijn vordering af.

Aldus beslist op 4 april 2019 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mevrouw mr. C.M.E. van der Hoeven, voorzitter, mevrouw drs. F. Zwanepol en de heer mr. S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris.