Cliënte heeft niet aangetoond, dat de door haar gestelde aandoeningen zijn veroorzaakt doordat de zorgaanbieder haar niet EU-goedgekeurde hyaluronzuurfillers heeft toegediend. Daarbij speelt een rol dat cliënte de zorgaanbieder niet in de gelegenheid heeft gesteld om een medische indicatie voor de aandoeningen te stellen

  • Home >>
  • Zorg Algemeen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 118606

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats], en Achigharoe B.V., gevestigd te Amsterdam, (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de stukken die partijen aan haar hebben overgelegd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2018 te Utrecht. Daarbij is verschenen de zorgaanbieder, vertegenwoordigd door [naam arts], (cosmetisch) arts, bijgestaan door [naam advocaat], advocaat te [plaats]. De cliënte is niet bij de mondelinge behandeling verschenen, hoewel zij daarvoor wel tijdig en behoorlijk was opgeroepen.

De zorgaanbieder heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn standpunt, mede aan de hand van een aan de commissie overgelegde pleitnota, (nader) toegelicht.
 
Onderwerp van het geschil

De cliënte beklaagt zich erover dat de zorgaanbieder bij haar behandeling gebruik heeft gemaakt van cosmeticaproducten, die niet EU-gekeurd waren. 

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van cliënte op het volgende neer.

De cliënte heeft meerdere esthetische gezichtsbehandelingen ondergaan bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft daarbij cosmeticaproducten gebruikt, die uit China afkomstig zijn en niet
EU-goedgekeurd waren. Dat gebruik heeft geleid tot bobbeltjes op haar lip, pijn, oneffenheid en risico voor haar lichaam.
De cliënte verlangt terugbetaling van het bedrag van € 2.635,–, dat zij voor de behandelingen heeft betaald, een schadevergoeding voor de kosten van herstel door een andere arts en een schadevergoeding van in totaal € 6.500,– voor de pijn en de schade die de zorgaanbieder heeft veroorzaakt.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen de zorgaanbieder tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. Het standpunt van de zorgaanbieder komt op het volgende neer. In de weergave van dit standpunt heeft de commissie al de stellingen van de zorgaanbieder over de diverse behandelingen van de cliënte en die niet zijn toegespitst op de klacht, zoals die door de cliënte is geformuleerd, achterwege gelaten, omdat deze voor de beoordeling van de klacht niet van belang zijn. 

Voor het uitvoeren van esthetische behandelingen met onder meer niet-permanente fillers, zoals in dit geval hyaluronzuur, is de zorgaanbieder bevoegd en bekwaam. De zorgaanbieder wist tot het moment dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd op 3 oktober 2017 een bezoek aan hem had gebracht, niet dat de hyaluronzuurfillers van het eigen merk Avichi, die hij bij een Chinese leverancier had geïmporteerd, niet EU-goedgekeurd waren. Deze fillers hadden immers “hyaluronzuur certificaten”, waarop de zorgaanbieder te goeder trouw mocht afgaan. Na onderzoek van de Inspectie bleken die certificaten vals te zijn. De zorgaanbieder heeft de cliënte slechts één keer, namelijk op 26 mei 2017, behandeld met de hyaluronzuurfillers van het eigen merk Avichi. In de opvatting van de zorgaanbieder heeft hij bij de behandeling van de cliënte gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden verwacht mag worden.

Mocht de commissie van oordeel zijn dat de zorgaanbieder ten aanzien van de behandeling van de cliënte enig verwijt kan worden gemaakt, hetgeen hij betwist, dan wil dat niet zeggen dat dit handelen of nalaten heeft geleid tot (gezondheids-)schade. De cliënte moet stellen en bewijzen dat zij schade heeft geleden als gevolg van een verwijtbaar handelen of nalaten van de zorgaanbieder. Dat heeft de cliënte niet gedaan. De cliënte heeft niet objectief en deugdelijk onderbouwd dat er een causaal verband bestaat tussen de vermeende onjuiste behandeling door de zorgaanbieder en de door haar gestelde schade. De cliënte heeft er zelf voor gekozen om op 26 mei 2017 niet lichamelijk onderzocht te worden, waardoor de zorgaanbieder niet de mogelijkheid heeft gekregen om een (eventuele) medische indicatie te stellen. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de cliënte niet heeft voldaan aan haar inlichtingen- en medewerkingsplicht in de zin van artikel 7:452 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Als gevolg van het feit dat de cliënte haar medewerking aan een lichamelijk onderzoek niet heeft verleend, is het causale verband verbroken.

De zorgaanbieder is van mening dat de schadevergoedingsvordering van de cliënte afgewezen moet worden, omdat een dergelijke vordering alleen kan worden toegewezen als sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, of als sprake is van een onrechtmatige daad. De zorgaanbieder is niet tekortgeschoten, noch heeft hij tegenover de cliënte een onrechtmatige daad begaan. Bovendien staat de gevorderde schade niet in causaal verband met de aan de zorgaanbieder verweten gedraging. Indien en voor zover dat verband er wel mocht zijn, dan is het niet duidelijk welke specifieke schade dat is. De cliënte heeft de door haar gestelde schade ook niet met bewijsstukken onderbouwd. Immateriële schadevergoeding komt de cliënt evenmin toe, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vermeende, verwijtbaar handelen van de zorgaanbieder heeft geleid tot lichamelijk en/of geestelijk letsel dat naar objectieve maatstaven is vastgesteld.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het BW. De cliënte is van mening dat de zorgaanbieder zijn verplichtingen uit die overeenkomst onjuist heeft uitgevoerd en zij houdt de zorgaanbieder voor de gevolgen daarvan aansprakelijk.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden. Vereist is dus dat er tussen de aan de zorgaanbieder verweten gedraging en de gestelde gevolgen daarvan causaal verband bestaat.

De cliënte beklaagt zich slechts over het feit dat de zorgaanbieder illegaal gebruik heeft gemaakt van uit China afkomstige en niet EU-goedgekeurde hyaluronzuurfillers van het eigen merk Avichi, welk gebruik volgens haar heeft geleid tot bobbeltjes op haar lip, pijn, oneffenheid en risico voor haar lichaam. Iets meer of anders ligt niet ter beoordeling van de commissie voor.

De cliënte legt in haar klacht een causaal verband tussen het gebruik van niet EU-goedgekeurde hyaluronzuurfillers en de door haar gestelde aandoeningen. Voor de vraag of die aandoeningen veroorzaakt zijn door de toediening van niet EU-goedgekeurde hyaluronzuurfillers (het causale verband), moet worden beoordeeld of de aandoeningen zonder die toediening achterwege zouden zijn gebleven.

Dat de door de cliënte gestelde aandoeningen zijn veroorzaakt doordat de zorgaanbieder haar niet EU-goedgekeurde hyaluronzuurfillers heeft toegediend, is door de cliënte onderbouwd noch aannemelijk gemaakt, terwijl dit wel op haar weg had gelegen om dat te doen. Ook anderszins is de oorzaak van die aandoeningen niet aannemelijk geworden. Daarbij komt dat de cliënte de zorgaanbieder niet in de gelegenheid heeft gesteld om een medische indicatie voor de aandoeningen te stellen. De commissie stelt dan ook vast dat het vereiste causale verband niet aannemelijk is geworden en dat daarom niet gesproken kan worden van een toerekenbare tekortkoming van de zorgaanbieder. De klacht dient ongegrond verklaard te worden.

De vereiste rechtsgrond voor een civielrechtelijke aanspraak op materiële en/of immateriële schadevergoeding is een toerekenbare tekortkoming. Hiervoor heeft de commissie vastgesteld dat er in dit geval van een dergelijke tekortkoming geen sprake is. De commissie zal de door de cliënte verlangde schadevergoeding dan ook afwijzen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de zorgaanbieder verklaard dat hij nog steeds bereid is zijn aanvankelijk aanbod om de cliënte uit coulance te compenseren met een bedrag van € 600,– na te komen. De commissie geeft de zorgaanbieder in overweging dat aanbod gestand te doen.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht ongegrond;

– wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Aldus beslist op 19 december 2018 door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit
de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer dr. J.W. Stenvers en de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.