Cliënte is niet-ontvankelijk in klacht over borstverkleining, omdat deze te laat is ingediend

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: niet-ontvankelijkverklaring   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 1131/14624

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte heeft in 2014 een borstverkleining gehad. Zij is niet tevreden met het resultaat. De cliënte heeft haar borsten ergens anders moeten herstellen, met de nodige geld- en emotionele zorgen van dien. De zorgaanbieder vindt dat de commissie de klacht niet in behandeling kan nemen, omdat de vordering verjaard is. De cliënte was al in juni 2014 bekend met het resultaat van de borstverkleining. De cliënte heeft haar klacht in 2019, na ruim 4 jaar nadat zij haar klacht schriftelijk aan de kliniek heeft voorgelegd, bij de commissie ingediend. De 12-maanden termijn (zoals bedoeld in het Reglement van de commissie) is al ruim overschreden. De commissie is van oordeel dat de cliënte geen omstandigheden heeft aangevoerd waardoor het te rechtvaardigen zou zijn dat ze de 12-maanden termijn niet heeft nageleefd. De cliënte wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht.

Volledige uitspraak

In het geschil
[Cliënte], wonende te [woonplaats]

en

Boerhaave Medisch Centrum, gevestigd te Amsterdam (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Op 5 maart 2020 heeft buiten aanwezigheid van partijen de behandeling plaatsgevonden door de commissie. Partijen zijn niet opgeroepen om ter zitting te verschijnen omdat door de zorgaanbieder een beroep is gedaan op de niet-ontvankelijkheid van cliënte en daarom eerst moet worden vastgesteld of cliënte ontvankelijk is in zijn klacht.

Onderwerp van het geschil
De klacht betreft het resultaat van een borstverkleiningsoperatie.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënte is niet tevreden over het resultaat van een op 12 april 2014 uitgevoerde borstverkleining. In een telefonisch consult op 2 mei 2014 heeft de arts als antwoord op de klachten van cliënte aangegeven dat de operatie conform de wens van cliënte was uitgevoerd. Op 20 juni 2014 heeft cliënte een klacht naar de kliniek gestuurd ter attentie van het hoofd van de klachtencommissie.
Op deze brief heeft hij geen reactie gekregen. Wel heeft de cliënte een brief van de arts gekregen waarin werd vermeld dat hij deze diende te tekenen alvorens een hersteloperatie zou worden uitgevoerd. Cliënte heeft dit geweigerd. Cliënte stelt dat hij op alle manieren is gechanteerd, gemanipuleerd en uitgescholden en hierdoor in een hele diepe depressie is geraakt die iets meer dan 4 jaar heeft geduurd. Uiteindelijk heeft hij zijn borsten elders moeten laten herstellen, met de nodige geld- en emotionele zorgen erbij.

Cliënte vordert van het ziekenhuis een schadevergoeding voor de geleden materiële schade, een bedrag van totaal € 7.500,– en daarnaast immateriële schade voor de chantage en pesterijen.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Hoewel de zorgaanbieder betreurt dat cliënte de behandeling heeft ervaren zoals door hem beschreven in het klaagschrift, meent zij dat cliënte niet in zijn klacht kan worden ontvangen en dat zijn verzoek tot schadevergoeding niet kan worden toegewezen.

De zorgaanbieder stelt zich primair op het standpunt dat cliënte in zijn klacht niet kan worden ontvangen omdat de vordering is verjaard op grond van artikel 3:310 BW. Los van het feit dat cliënte de zorgaanbieder nimmer aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden schade, is het thans door hem ingediende verzoek tot schadevergoeding verjaard omdat uit de klachtomschrijving duidelijk blijkt dat cliënte reeds in juni 2014 bekend was met de schade en de daarvoor volgens hem aansprakelijke persoon, zodat zijn vordering door het pas nu – meer dan 5 jaar later – aanhangig daarvan maken bij de Geschillencommissie is verjaard. In dit verband wijst verweerster erop dat zij cliënte na verschillende gesprekken over de door cliënte in juni 2014 geuite onvrede bij brief van 13 maart 2015 een kosteloze herstelbehandeling heeft aangeboden. Dat cliënte daarvan geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn eigen rekening en risico. Door dat aanbod niet te accepteren en de zorgaanbieder niet (alsnog) tijdig aansprakelijk te stellen voor de vermeend door hem geleden schade, heeft cliënte in feite afstand gedaan van het recht om schadevergoeding te vorderen en kan daar door cliënte niet nu 5 jaar later op worden teruggekomen. De vordering is thans immers verjaard.

Subsidiair meent de zorgaanbieder dat cliënte in zijn klacht niet kan worden ontvangen omdat het geschil niet binnen 12 maanden na de datum waarop cliënte de klacht bij de zorgaanbieder indiende bij de Geschillencommissie aanhangig heeft gemaakt.

Tenslotte stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat cliënte in zijn klacht niet kan worden ontvangen omdat het Centraal Tuchtcollege reeds een oordeel heeft geveld over dit geschil waarbij – anders dan door cliënte wordt gesuggereerd – de klacht is afgewezen in al haar onderdelen, zodat het geschil op grond van (analogie met) artikel 5 onder b van het reglement van de geschillencommissie zelfstandige klinieken niet in behandeling kan worden genomen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie heeft vastgesteld dat cliënte op 12 april 2014 een medische behandeling heeft ondergaan. Op 20 juni 2014 heeft hij, nadat hij zijn klacht al telefonisch aan de arts bekend had gemaakt, zijn klacht schriftelijk bij de kliniek ingediend. Cliënte heeft op 23 mei 2019 zijn klacht aan de commissie voorgelegd.

Ingevolge artikel 6. 1. sub b. van het Reglement Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken verklaart de commissie op verzoek van de zelfstandige kliniek – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënte in zijn klacht niet ontvankelijk indien hij zijn geschil niet binnen 12 maanden, na de datum waarop de cliënte de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt.

Nu cliënte zijn klacht ruim 4 jaren, nadat hij zijn klacht schriftelijk aan de kliniek heeft voorgelegd, bij de commissie heeft ingediend, kan cliënte gelet op het bepaalde in artikel 6 lid 1 sub b van het Reglement, niet in zijn klacht worden ontvangen. De 12-maanden termijn is immers al ruimschoots overschreden.

De commissie is van oordeel dat cliënte geen omstandigheden heeft aangevoerd waardoor hij ter zake van de niet naleving van deze 12-maanden termijn redelijkerwijs geen verwijt treft.
Op grond van het voorgaande zal de cliënte niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klacht. Dit betekent dat de commissie niet meer toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Er dient als volgt te worden beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de cliënte niet ontvankelijk in zijn klacht.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. J.F.A. van der Werff schriftelijke deelname, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 5 maart 2020.