Cliënte kan onvoldoende van dossier afleiden welke behandeling door de osteopaat is uitgevoerd; klacht ten dele gegrond

  • Home >>
  • Osteopathie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Osteopathie    Categorie: bejegening / infomatieverstrekking    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 206905/227804

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Het geschil betreft de wijze waarop een behandeling in de praktijk van de zorgaanbieder is uitgevoerd. De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat hij haar onjuist en ondeskundig heeft behandeld waardoor haar klachten alleen maar zijn toegenomen. Cliënte heeft geen bewijs aangeleverd waaruit blijkt dat de zorgaanbieder onjuist heeft gehandeld en haar klachten verergerd zou hebben. De commissie is het wel eens met cliënte dat het dossier onduidelijk is met betrekking tot welke behandeling er bij haar is uitgevoerd door de osteopaat. De klacht wordt ten dele gegrond verklaard.

De uitspraak

In het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënte)
gemachtigde: mevrouw mr. [naam], advocaat

en

Osteopathie Laarman B.V., gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
gemachtigde: de heer mr. [naam], [naam advocatenkantoor].

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Osteopathie (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 21 november 2023 te Utrecht. De cliënte werd ter zitting bijgestaan door haar gemachtigde, mevrouw mr. [naam]. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde de heer mr. [naam].

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de wijze waarop een behandeling in de praktijk van de zorgaanbieder is uitgevoerd. De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat hij haar onjuist en ondeskundig heeft behandeld waardoor haar klachten alleen maar zijn toegenomen.

Standpunt van de cliënte
De cliënte is op 8 oktober 2021 behandeld door de heer [initialen osteopaat], osteopaat bij de zorgaanbieder. Vanwege rugklachten had de cliënte een osteopaat gezocht, omdat bezoeken aan een fysiotherapeut geen verbetering van haar klachten hadden gegeven.
Nadat zij vooraf online een vragenlijst had ingevuld, kwam de cliënte op 8 oktober 2021 voor het eerst in de praktijk van de zorgaanbieder. De afspraak bestond uit een intakegesprek, het bespreken van de klachten en vervolgens een behandeling. De osteopaat heeft de cliënte echter nauwelijks uitgelegd wat hij ging doen. Wel vertelde hij de cliënte dat er door een keizersnee mogelijk een verkleving was ontstaan. De osteopaat heeft de rug van de cliënte “gekraakt” en haar onderrug een “twist” gegeven. Na de behandeling heeft de osteopaat de cliënte niet ingetapet. De totale afspraak duurde 45 minuten en de cliënte moest meteen afrekenen. Na afloop vertelde de osteopaat dat er vervolgbehandelingen nodig waren. Hiervoor heeft de assistente van de zorgaanbieder telefonisch contact opgenomen met de cliënte en werden er meerdere vervolgafspraken ingepland. Na enkele dagen ervoer de cliënte plotseling een vlijmscherpe pijn aan haar linkerzijde. De cliënte kon hierdoor niet meer lopen of bewegen en heeft de osteopaat gebeld. Dat gesprek verliep zeer onplezierig. De osteopaat vroeg de cliënte terug te komen naar de praktijk, maar de cliënte voelde daar niets voor. De behandeling, de pijn en de reactie van de osteopaat maakten dat de cliënte alle vertrouwen in hem had verloren. De cliënte heeft een afspraak gemaakt in het ziekenhuis en daar is gebleken dat zij een hernia heeft en twee zenuwen bekneld zijn geraakt waaraan zij geopereerd zal moeten worden. De cliënte wilde graag in gesprek gaan met de osteopaat maar hij wilde niet dat de advocaat van de cliënte bij dat gesprek aanwezig zou zijn. De cliënte werd verteld dat zij een klacht moest indienen en dat heeft zij gedaan. Vervolgens heeft de cliënte een gesprek gehad met de klachtenfunctionaris, maar niet met de osteopaat. Inmiddels is de osteopaat door een maandenlange wereldreis niet bereikbaar. De cliënte had het probleem met de zorgaanbieder graag anders opgelost, maar zag geen andere weg dan haar klacht voor te leggen aan de commissie.

De cliënte verwijt de zorgaanbieder:
1. dat uit het medisch dossier niet blijkt welke behandeling is uitgevoerd;
2. dat een onjuiste behandeling is uitgevoerd, omdat haar klachten zijn toegenomen;
3. dat geen rekening is gehouden met haar reeds bestaande lichamelijke klachten.

De cliënte houdt de zorgaanbieder verantwoordelijk voor de ernstige verergering van haar rugklachten.
De continue pijn maakt dat de cliënte niet meer kan werken en niet goed kan zorgen voor haar kind. De cliënte verlangt een vergoeding van € 10.000,– van de zorgaanbieder. Dat bedrag bestaat uit een vergoeding voor de ziektekosten die zij heeft moeten maken en nog zal moeten maken, een vergoeding voor de vermindering van inkomsten en een vergoeding van de immateriële schade bestaande uit een vergoeding voor de pijn die zij heeft geleden en de traumatische ervaring die zij bij de zorgaanbieder heeft opgedaan.

Standpunt van de zorgaanbieder
De osteopaat van de zorgaanbieder heeft de cliënte op 8 oktober 2021 eenmalig behandeld vanwege rugklachten. Zij vertelde dat haar lichaam niet in balans was en zij had last van pijnen in haar heup met uitstraling in haar been en arm. Haar linkerzijde gaf klachten en haar linkerarm viel met regelmaat uit. Daarnaast had zij veel pijn bij haar borstbeen, ook bij diep inademen.
De osteopaat heeft de cliënte onderzocht en eenmalig behandeld volgens de regelen der kunst van de osteopathie. De osteopaat heeft de bewegelijkheid van verschillende weefsels bezien en waar nodig getracht die bewegelijkheid te vergroten. Tijdens het onderzoek en de behandeling hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan. De osteopaat bestrijdt dat hij de cliënte heeft “gekraakt” of haar onderrug een “twist” heeft gegeven. De osteopaat en de cliënte hebben na de behandeling nog eenmaal telefonisch contact gehad welk gesprek de osteopaat zich niet als onplezierig kan herinneren. Omdat de cliënte klachten had heeft de osteopaat haar uitgenodigd voor een vervolgbehandeling maar daar zag de cliënte vanaf. De osteopaat is dan ook niet in de gelegenheid gesteld om de klachten van de cliënte te onderzoeken of te verbeteren. Ongeveer een jaar later heeft de cliënte een klacht tegen de zorgaanbieder ingediend. De zorgaanbieder bestrijdt dat hij onzorgvuldig ten opzichte van de cliënte zou hebben gehandeld of een onjuiste behandeling zou hebben uitgevoerd. De zorgaanbieder heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam osteopaat verwacht mag worden. De zorgaanbieder bestrijdt voorts dat geen rekening zou zijn gehouden met de bestaande klachten van de cliënte. Haar klachten waren immers de reden van het bezoek van de cliënte aan praktijk van de zorgaanbieder en op die klachten heeft de osteopaat het onderzoek en de klachten afgestemd. Dat de cliënte uit het medisch dossier niet heeft kunnen afleiden welke behandeling is uitgevoerd, betekent evenmin dat de zorgaanbieder onzorgvuldig ten opzichte van de cliënte heeft gehandeld.
De zorgaanbieder stelt zich dan ook op het standpunt dat er geen grond is voor de vordering van de cliënte. De cliënte heeft in het geheel niet aangetoond dat sprake is van een causaal verband tussen de behandeling op 8 oktober 2021 en de door haar gestelde schade. Daarbij is die schade niet toegelicht of onderbouwd.

Beoordeling van het geschil
Vanwege rugklachten heeft de cliënte contact gezocht met de praktijk van de zorgaanbieder waar zij op 8 oktober 2021 door osteopaat [initialen osteopaat] is behandeld. De cliënte heeft gesteld dat haar klachten door toedoen van de behandelend osteopaat zijn verergerd en heeft drie klachten tegen de zorgaanbieder naar voren gebracht.

1. dat uit het medisch dossier niet blijkt welke behandeling is uitgevoerd;
2. dat een onjuiste behandeling is uitgevoerd omdat haar klachten zijn toegenomen;
3. dat geen rekening is gehouden met haar reeds bestaande lichamelijke klachten.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Uit hetgeen de cliënte ter zitting naar voren heeft gebracht leidt de commissie af dat de osteopaat op 8 oktober 2021 een gangbare en gebruikelijke osteopathische behandeling heeft uitgevoerd passend bij de klachten van de cliënte. Anders dan de cliënte veronderstelt, behoort het intapen van de rug daar niet bij. Na afloop heeft de osteopaat de cliënte gevraagd afspraken te maken voor vervolgbehandelingen hetgeen eveneens gebruikelijk is; vaak zijn meerdere behandelingen nodig om een klacht goed te kunnen verhelpen. Toen de cliënte enkele dagen na de behandeling van 8 oktober 2021 ernstige pijn ervoer, heeft zij telefonisch contact opgenomen met de praktijk. Vaststaat dat de osteopaat de cliënte toen heeft uitgenodigd voor een consult om haar klachten te onderzoeken. De commissie is van oordeel dat de osteopaat daarmee zorgvuldig ten opzichte van de cliënte heeft gehandeld. De cliënte heeft van die uitnodiging geen gebruik gemaakt, omdat zij de houding en de reactie van de osteopaat als onplezierig heeft ervaren waardoor haar vertrouwen in de praktijk was afgenomen. De commissie twijfelt niet aan de oprechtheid van de verklaring van de cliënte op dit punt. Wat er al dan niet gezegd is tijdens het telefoongesprek is echter een perceptie van de betrokkenen en daar kan de commissie geen uitspraak over doen.

De cliënte heeft gesteld dat de osteopaat een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd, omdat haar klachten zijn toegenomen. De commissie begrijpt dat de cliënte de zorgaanbieder verwijt dat haar rugklachten door zijn toedoen zijn verergerd. Daarvan is de commissie niet gebleken. De cliënte heeft geen medische gegevens of andere informatie overgelegd die zouden kunnen duiden op enig oorzakelijk verband tussen de behandeling die de zorgaanbieder heeft uitgevoerd en de klachten van de cliënte. Evenmin is de commissie gebleken dat de osteopaat geen rekening zou hebben gehouden met de bestaande klachten van de cliënte. De osteopaat heeft een behandeling uitgevoerd gericht op de verlichting van de door de cliënte beschreven klachten en de bevindingen op basis van het door hem uitgevoerde lichamelijk onderzoek, zoals in het medisch dossier van de cliënte is genoteerd.
De commissie verklaart het tweede en derde klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel constateert de commissie dat hetgeen de osteopaat in het medisch dossier betreffende de behandeling heeft genoteerd erg summier is. Onder het kopje “Behandeling” is genoteerd : “bovenstaande”. Daarboven zijn in medische termen de bevindingen uit het lichamelijk onderzoek genoteerd. De commissie is van oordeel dat hieruit voor de cliënte onvoldoende kan worden afgeleid welke behandeling door de osteopaat is uitgevoerd. De commissie verklaart het eerste klachtonderdeel dan ook gegrond.

De cliënte heeft schadevergoeding van de zorgaanbieder gevorderd. Die vordering ziet op een vergoeding van de door de cliënte gestelde geleden gezondheidsschade en de gevolgen daarvan. Aangezien de klachtonderdelen die zien op de gezondheidsschade van de cliënte ongegrond zijn, zal de commissie de vordering afwijzen.
Omdat het eerste klachtonderdeel gegrond is, zal de commissie wel bepalen dat de zorgaanbieder het door de cliënte betaalde klachtengeld van € 52,50 aan haar dient te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënte dat uit het medisch dossier onvoldoende blijkt welke behandeling is uitgevoerd gegrond;
– verklaart de klacht van de cliënte voor het overige ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de cliënte dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– wijst af het meer of anders verzochte.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Osteopathie, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer H. Hameleers en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 21 november 2023.