Cliënte wil persoonlijke gesprekken aan huis maar zorgaanbieder biedt dit niet

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: -    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 122255

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak voer

Cliënte wenst persoonlijke gesprekken aan huis om inzicht krijgen in de oorzaak van haar angsten. De commissie oordeelt dat deze klacht ongegrond is. Er was geen indicatie voor een psychologische therapie in de vorm van de door cliënte gewenste individuele gesprekken met een psycholoog. De zorgaanbieder heeft dat ook niet in huis.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Klaagster], wonende te [woonplaats], en GGNet, gevestigd te Warnsveld, (verder te noemen: de zorgaanbieder), gemachtigde: [naam]

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de

Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op vrijdag 19 april 2019 te Arnhem.

Klaagster is, vergezeld door haar patiëntvertrouwenspersoon (pvp), [naam], ter zitting verschenen. Namens de zorgaanbieder zijn [naam], psychiater en [naam], (jurist) ter zitting verschenen.

Onderwerp van het geschil
Het onderwerp van het geschil betreft het zich door klaagster niet gehoord en gezien voelen door het behandelteam, de bejegening door het behandelteam in gesprekken in een bepaalde setting (tribunaal) en de bejegening door verpleegkundige, [naam], inbreuk op privacy (contact opnemen met broer) en gebrek aan nazorg.

Bij het vragenformulier, door de commissie ontvangen op 19 januari 2019, heeft klaagster het geschil tegen de zorgaanbieder bij de commissie aanhangig gemaakt.

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door klaagster overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Voorts verwijst de commissie – in hoofdlijnen – naar de verklaring van klaagster ter zitting.

Klaagster heeft haar klacht eerst ingediend bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder, voordat zij een klacht heeft ingediend bij de commissie. De klachtencommissie heeft de klacht onderverdeeld in twee klachtonderdelen en heeft beide klachtonderdelen bij uitspraak van 17 december 2018 ongegrond verklaard.

Het geschil betreft volgens klaagster – in hoofdlijnen – het volgende.

  1. niet gehoord en gezien voelen tijdens opname. Medisch oordeel over psychische klachten zonder inbreng klaagster, gesprekken behandelteam in tribunaalvorm, specifiek bejegening door [naam verpleegkundige];
  2. inbreuk op privacy door zonder overleg met en instemming van klaagster contact te leggen met broer;
  3. gebrek aan nazorg, waaronder gebrek aan aandacht voor impact opname.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat klaagster op 14 juni 2018 met een IBS op een HIC-afdeling van de zorgaanbieder is opgenomen naar aanleiding van het overhandigen van een checklist voor het plegen van suïcide aan haar behandelaar van PsyQ na een EMDR-sessie.

Klaagster heeft schriftelijk aangevoerd dat ze zonder crisisplan of telefoonnummer dat ze kon bellen naar huis is gestuurd en dat ze tegen haar zin is teruggestuurd naar de behandelaar van PsyQ.

Ter zitting heeft klaagster, onder andere bij monde van haar pvp, onder meer nog het volgende aangevoerd.

Klaagster hoopt met haar klacht te bereiken dat er wordt gekeken naar hoe er is gehandeld en dat daar lering uit wordt getrokken. Klaagster verwacht reflectie op vergissingen en de impact die die vergissingen op individuele patiënten hebben. Klaagster pleit voor een meer persoonlijke benadering naast protocollen die moeten worden gevolgd.

Klaagster heeft verklaard dat zij bij opname op de afdeling heeft gezegd dat ze haar broer mochten bellen: ‘als ik dood neerval’. Volgens klaagster heeft ze daarmee geen toestemming gegeven haar broer te bellen om achtergrondinformatie over haar en haar psychische problematiek te vergaren. Volgens klaagster zijn er zodanige suggestieve vragen aan haar broer gesteld dat hij haar na de opname vragen over het verleden heeft gesteld, die ze niet wil beantwoorden. Klaagster heeft verklaard dat ze op deze manier niet verder kan met haar familie. Klaagster heeft verklaard dat ze eerst drie weken na de opname heeft vernomen dat er, tijdens haar opname, contact is geweest door het behandelteam met haar broer.

Klaagster heeft verklaard dat ze de setting waarin de gesprekken met het complete behandelteam hebben plaatsgevonden, heeft ervaren als een soort van tribunaal waarvoor ze moest verschijnen. Eerst op de laatste dag heeft er een gesprek met alleen [naam psychiater] plaatsgevonden. Volgens klaagster heeft ze elke dag hetzelfde verhaal verteld, maar is ze eerst op dinsdag in het gesprek met alleen [naam psychiater] gehoord. [Naam psychiater] was voor haar toen ineens een ander persoon in vergelijking met de persoon die hij was als hij deel uitmaakte van het complete behandelteam. Volgens klaagster heeft ze aan de verpleging en een andere psychiater diverse malen medegedeeld dat ze erg moe was en dat de gesprekken met vier personen tegenover zich te snel voor haar gingen.

Volgens klaagster is er niets met haar mededelingen gedaan. Klaagster heeft verklaard dat er meer sprake moet zijn van maatwerk ten aanzien van de setting waarin gesprekken plaatsvinden. Volgens klaagster was voorwaarde voor ontslag uit de kliniek dat haar broer erbij was, waarbij opnieuw aan de wensen van klaagster is voorbij gegaan.

Klaagster heeft verklaard dat ze de bejegening door [naam verpleegkundige] als bedreigend heeft ervaren en dat ze daarvan nog steeds veel last heeft. Volgens klaagster schrikt ze nog steeds wakker als er een deur opengaat. Klaagster miste empathie bij [naam verpleegkundige] en was erg bang voor hem. Volgens klaagster kon ze het nooit goed doen bij hem. Klaagster voelde zich niet gehoord door [naam verpleegkundige]. Klaagster heeft verklaard dat met haar verzoeken om [naam verpleegkundige] niet meer bij haar in te delen, niets is gedaan.

Standpunt van de zorgaanbieder
Het standpunt van de zorgaanbieder zoals dat blijkt uit de door de commissie ontvangen stukken, in het bijzonder uit het verweer dat is verwerkt in de uitspraak van de klachtencommissie, welk verweer de zorgaanbieder, zoals bij brief van 13 maart 2019 gericht aan de commissie, volledig in stand laat, en – in hoofdlijnen – uit de verklaring ter zitting, luidt als volgt.

[Naam psychiater] heeft gewezen op de context van de BOPZ-opname. Een BOPZ-opname is in het algemeen zeer ingrijpend omdat de opname tegen de wil van de patiënt ingaat, maar was in het geval van klaagster specifiek heel ingrijpend gelet op het voortraject, waarbij klaagster door de politie naar de kliniek is vervoerd en er misverstanden hebben gespeeld. Daarnaast gaat het om HIC-opnames, waarbij binnen een paar dagen na het begin van de opname moet worden beoordeeld of de IBS, gelet op onder andere de veiligheid van de patiënt, moet worden bekrachtigd. [Naam psychiater] heeft verklaard zo goed mogelijk te hebben geprobeerd om contact met klaagster te maken, maar dat dit niet op alle dagen mogelijk was. Daarbij heeft ook gespeeld dat klaagster op donderdag is opgenomen en dat daarna het weekend inging, gedurende welke er sprake is van veel wisselingen in personeel. Afgezien daarvan waren er volgens [naam psychiater] echter grote verschillen in de mate van contact die met klaagster te maken viel. Op de dinsdagochtend voor de zitting waarop het al dan niet bekrachtigen van de IBS werd behandeld, vielen er duidelijke afspraken met klaagster te maken, aldus [naam psychiater]. [Naam psychiater] heeft verklaard dat uit het dossier en op maandag een totaal ander beeld bleek dan in het gesprek met klaagster op dinsdag.

Ten aanzien van het contact dat de GZ-psychologe in het behandelteam op verzoek van [naam psychiater] met de broer van klaagster heeft opgenomen, heeft [naam psychiater] verklaard dat hij hoge druk voelde om de verklaringen van klaagster dat er sprake was van een misverstand tijdens de IBS-zitting op dinsdag te ondersteunen, maar dat hij zich daarvoor wel een compleet beeld op basis van de juiste context moest kunnen vormen. Contact met iemand uit de directe omgeving van klaagster was daarvoor nodig en klaagster had haar broer opgegeven als eerste contactpersoon.  De wens om bepaalde informatie niet te delen met de broer is in het gesprek gerespecteerd en die informatie is ook niet verstrekt aan de rechtbank. Volgens [naam psychiater] heeft de GZ-psycholoog een deel van de door de broer gestelde vragen niet beantwoord in verband met de wens van klaagster om bepaalde informatie niet met hem te delen. [Naam psychiater] heeft verklaard dat hij geen overleg met klaagster heeft gehad over het opnemen van contact met haar broer. [Naam psychiater] is er vanuit gegaan dat de GZ-psychologe dit met klaagster zou opnemen. [Naam psychiater] is er eveneens vanuit gegaan dat klaagster bij het opgeven van haar broer als eerste contactpersoon heeft bedoeld dat er ook contact met de broer mocht worden opgenomen om achtergrondinformatie te verwerven.

[Naam psychiater] heeft verklaard dat een aantal gesprekken met klaagster met het volledige

multidisciplinaire team hebben plaatsgevonden, omdat [naam psychiater] in verband met de kans dat indien niet iedereen erbij aanwezig is en er overdracht van informatie tussen de teamleden plaats moet vinden, er iets misgaat, graag het complete team aanwezig wil hebben. Aangezien de psychiater de adviseur is op de IBS-zitting, heeft [naam psychiater] een voorkeur voor gesprekken tussen patiënt en het complete team. [Naam psychiater] heeft verklaard dat de ene patiënt dit als zorgvuldig, maar een andere patiënt dit als onprettig ervaart. Volgens [naam psychiater] voert hij voor de IBS-zitting altijd ook alleen, met uitzondering van de aanwezigheid van een verpleegkundige, een gesprek met de patiënt.

[Naam psychiater] heeft verklaard dat indien het echt niet klikt tussen patiënt en verpleegkundige en het is niet iets dat te bewerken valt, een maatregel kan worden genomen om de verpleegkundige niet meer bij de patiënt in te delen. De verpleging heeft de problemen van klaagster met [naam verpleegkundige] anders geïnterpreteerd en niet goed begrepen. Qua bezetting is het mogelijk dat er wordt geschoven in de toedeling van personeel. Volgens [naam psychiater] hebben er op dit vlak beleidswijzigingen plaatsgevonden.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen klaagster en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige

behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met cliënt.

De commissie zal de klacht in de onderverdeling A, B en C, zoals onder het standpunt van klaagster weergegeven, behandelen.

  1. De commissie is van oordeel dat, hoewel de commissie begrip heeft voor de hectiek en druk die speelt op het moment van de opname op basis van een IBS op de HIC, maar ook gedurende de kortdurende periode van opname tot de zitting van de rechtbank, er sprake is geweest van een te weinig persoonlijke benadering tijdens de opname van klaagster. De zorgaanbieder had naar het oordeel van de commissie, ook in het geval van deze korte opname, meer oog moeten hebben voor en beter moeten nagaan of de wijze waarop klaagster bijvoorbeeld reageerde op de setting waarin gesprekken met het behandelteam plaatsvonden, het gevolg was van haar ziektebeeld of van haar persoonlijkheid en de situatie waarin klaagster zich plotseling bevond. De zorgaanbieder had hierop de setting, voor zover mogelijk, dienen aan te passen.

Ook voor de door klaagster ervaren negatieve benadering door [naam verpleegkundige] en haar wens om hem niet meer bij haar in te delen, had meer aandacht moeten zijn.

De commissie is van oordeel dat, zelfs in de korte periode van opname, beter had moeten worden onderzocht of de ‘relatie’ tussen klaagster en [naam verpleegkundige] nog, zoals [naam psychiater] het noemt, te bewerken viel of dat aan het verzoek van klaagster om [naam verpleegkundige] niet meer bij haar in te delen, moest worden tegemoet gekomen, nu [naam psychiater] heeft verklaard dat dit qua personele bezetting mogelijk was.  De commissie is van oordeel dat op grond van de zorgplicht die voortvloeit uit de professionele standaard een meer op de individu afgestemde bejegening had mogen worden verwacht. De zorgaanbieder is hierin tekort geschoten. De commissie is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.

  1. Ten aanzien van het klachtonderdeel dat er volgens klaagster zonder overleg met haar en zonder haar instemming geen contact met haar broer had mogen worden opgenomen, is de commissie van oordeel dat er, op zijn minst, voorafgaand overleg met klaagster had moeten plaatsvinden, opdat helder zou zijn dat klaagster daartoe haar toestemming gaf. In dit geval is op te lichte gronden aangenomen dat klaagster die toestemming heeft gegeven. In het geval klaagster geen toestemming voor dit contact zou hebben gegeven, maar zij ook geen toestemming zou hebben gegeven met een andere persoon uit haar direct omgeving contact op te nemen, had er, na een zorgvuldige afweging van alle belangen, op grond van de noodzaak om ter zitting van de rechtbank een deugdelijk onderbouwd advies te geven, naar het oordeel van de commissie alsnog zonder toestemming van klaagster contact kunnen worden opgenomen met de broer van klaagster. Dit klachtonderdeel is wat betreft het zonder overleg contact opnemen met de broer van klaagster gegrond. Er is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de behandelovereenkomst.
  2. De commissie acht op grond van de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een gebrek aan nazorg. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond. 

Op grond van het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klachtonderdelen A. en B. gegrond zijn en dat klachtonderdeel C ongegrond is. Dientengevolge is de commissie van oordeel dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klager wat betreft de onderdelen A. en B. gegrond;
De commissie verklaart de klacht van klager betreffende onderdeel C ongegrond;

Bepaalt dat de zorgaanbieder, nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan klaagster dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;

Aldus beslist op 19 april  2019 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, mevrouw drs. F.A. Khoenkhoen, en de heer dr. J. Zomerplaag, leden, waarbij mevrouw mr. C. Koppelman als plaatsvervangend secretaris fungeerde.